Revision 31442952 of "Inkomstenbelasting mbo" on nlwiki

{{wiu||2=2012|3=06|4=12}}
'''Directe ruil''' betekent ruil in natura. Indirecte ruil betekent goederen worden tegen geld geruild.
Om aan geld te komen stelde men productiefactoren ter beschikking. De 4 productiefactoren zijn: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
De meest oorspronkelijke productiefactor is natuur. Toepassingen: landbouw, jacht, veeteelt en visserij, dus het verzamelen van goederen die uit de natuur komen. De meest voorkomende vorm van productiefactor is arbeid. Arbeid is de lichamelijke/geestelijke inzet om iets te proberen. Een voorbeeld van kapitaal is het ter beschikking stellen van gebouwen, machines en geld uitlenen. Productiefactor ondernemerschap is het lopen van risico door het organiseren.
De beloningen (primaire inkomen) van productiefactoren zijn: pacht, rente, loon en winst. Het primair inkomen krijgt men door het ter beschikking stellen van productiefactoren. Door arbeid specialisatie steeg de productie erg.
Voorbeelden van ruil in natura zijn: medewerker in restaurant krijgt ook eten en drinken, medewerker in sportschool kan daar fitnessen en personeel krijgt auto van de zaak mee voor privégebruik. Nadelen van ruil in natura zijn: de waarde is moeilijk te bepalen, in één behoefte is meer dan voldoende maar er is geen sprake van totale behoeftebevrediging en het is moeilijk iets te vinden die een juist aanvullend overschot heeft.
Vier functies van geld zijn: het moet duurzaam zijn, het moet in grote hoeveelheden makkelijk mee te nemen zijn, het moet deelbaar zijn, het moet algemeen aanvaard zijn.
Het verband tussen arbeidsspecialisatie en de behoefte aan ruilen is dat door arbeidsspecialisatie verkrijg je heel veel van hetzelfde maar niets van iets anders.

== Soorten beloningen ==
Beloning is een vergoeding voor een geleverde prestatie. Hier praten we over vergoedingen vanwege het leveren van arbeid. De werknemer verricht lichamelijk/geestelijke arbeid en moet daarvoor door de werkgever worden beloond. Hiervoor zijn er 3 loonstelsels: '''tijdloon, stukloon en premieloon'''.

'''Tijdloon''' wil zeggen dat je per maand een vast bedrag krijgt (salaris) ongeacht hoeveel je ook werkt. Redenen om tijdloon in te voeren is dat kwaliteit voor kwantiteit gaat en dat de werknemer geen invloed heeft op het aantal prestaties.

'''Stukloon''' is de meest oorspronkelijke vorm waarop werknemers betaald krijgen naar rato van presteren. De werknemer verdient veel als er veel werk is, maar als de werknemer ziek is krijgt hij niet uitbetaald. In Nederland komt stukloon nog voor in vrije beroepen zoals glazenwasser en schoorsteenveger.

'''Premieloon''' is een combinatie van de voorgaande lonen. De werknemer krijgt een laag basisbedrag en daarboven op een vergoeding voor bepaalde prestaties. De commercie is oorspronkelijk basisloon + bepaald % van de omzet. Premieloon heeft hetzelfde doel als stukloon: de werknemer werkt harder als daar een hogere beloning tegenover staat. Dit lijkt vooral te functioneren bij lagere en modale beloningen.
De manier hoe je van tijdloon van docenten over kunt gaan op premieloon is als volgt. Het salaris van de dochten is ingedeeld in schalen en nummers. Men kan overwegen om docenten die meer presteren wel in schaal of nummer te laten promoveren, en docenten die dit niet doen niet. Voldoendes tellen is niet juist: het cijfer geeft geen inzicht in de kwaliteit van de docent. Het aantal studenten is een optie of een kwaliteitsoordeel van studenten.