Revision 31629006 of "Max Neelmeijer" on nlwiki[[Afbeelding:Neelmeijer2.jpg||300px|thumb|Max Neelmeijer]]
'''Marius (Max) Neelmeijer''' ([[Apeldoorn (stad)|Apeldoorn]], [[18 mei]] [[1863]] - aldaar, [[18 december]] [[1896]]) was een Nederlands [[eerste luitenant]], [[Ridderorde (onderscheiding)|ridder]] in de [[Militaire Willems-Orde]].
==Loopbaan==
Neelmeijer volgde de [[Koninklijke Militaire Academie]], werd op 7 juli 1885 tot [[tweede luitenant]] benoemd, werd in 1888 geplaatst bij het twaalfde [[bataljon]] en enige tijd later ingedeeld bij het door [[generaal]] [[Henri Karel Frederik van Teijn|van Teijn]] opgerichte bewakingsdetachement, waarvan de leden, gelegerd op de posten Lamrong, Lampenaroet en Ketapan Doea tot taak hadden 's nachts te waken tegen het [[smokkelen]] van goederen naar het gebied buiten de linie en tegen het beschadigen van de door het gouvernement aangelegde [[Kunstwerk (bouwkundig)|kunstwerken]].
Vooral de ceintuurbaan van de [[stoomtram]] had tussen de posten Lambaroe en Ketapan Doewa voortdurend te lijden van de [[Aanslag (misdrijf)|aanslagen]] die de kwaadwillenden er tegen het gouvernement pleegden; vooral Tengkoe Kotta Karang, die te Oeleh Soesoe een 1.500 meter ten zuiden van de post Lampenaroet woonde, en wiens zoon Tongkoe Mat Ali de daarbij gelegen heuvels van Tjot Goë bezet hield, predikte uit naijver op Tengkoe di Tiron het plegen van allerlei [[sabotage]]activiteiten.
Het resultaat, met de bewakingsdetachementen verkregen, bracht generaal van Teijn tot de oprichting van het [[Korps Marechaussee te voet]], en Neelmeijer, die reeds vele blijken van geschiktheid voor de [[guerrilla]]-oorlog gegeven had, werd dadelijk bij het nieuwe [[legerkorps|corps]] ingedeeld. Hij bleef er twee jaren bij en kreeg toen een zelfstandig [[Commando (militair)|commando]] als postencommandant te [[Poeloe Bras]], waar hij zo goed voldeed, dat hij ruim anderhalf jaar later overgeplaatst werd naar Pakan Kroeng Tjoet, als commandant tevens belast met het civiel gezag aldaar. Deze post was in het leven geroepen toen [[Atjeh-oorlog: voortzetting van de afwachtende politiek|in 1887]] Toekoe Djoengkoh met de hem ondergeschikte hoofden der XIII [[Moekim]]s Toengkoep in onderwerping kwam, maar had Nederland in die streken niet veel vooruit geholpen, omdat geen voeling met de hoofden verkregen werd. Alleen Toekoe Tjoet Toengkoeb kwam vrij geregeld, soms in het donker en langs een omweg, naar Pakan Kroeng Tjoet en Kota Radja ter wille van zijn tractement, dat hem uitbetaald werd onder de belofte van zijn kant, dat hij niet meer tegen het gouvernement zou vechten. De toestand veranderde echter nadat in 1893 door het optreden van Toekoe Njaq Bantah, het sagiehoofd der XXVI Moekims, daarin bijgestaan door [[Teukoe Oemar|Toekoe Oemar]], de kwaadwilligen uit die sagie verdreven waren; toen pas kon aan een bestuursorganisatie der XXVI Moelims, geschoeid volgens 's lands instellingen, gedacht worden en voor deze aan hem opgedragen taak had assistent resident Kroesen geen beter helper en intelligenter uitvoerder van zijn bevelen dan Neelmeijer, die de titel van civiel gezaghebber te Pakang Kroeng Tjoet toen verwisselde met die van waarnemend controleur der XXVI Moekims. Om hem een goede verruiling van die taak gemakkelijk te maken werd hem voor de afdoening van de militaire aangelegenheden van zijn post een tweede [[officier]] toegevoegd.
[[Afbeelding:Verblijf der hoofdofficieren.jpg||450px|thumb|left|Verblijf der officieren te Atjeh in 1897]]
Nu brak voor Neelmeijer een tijdperk van onafgebroken werkzaamheid aan; er ging bijna geen dag voorbij dat hij de onder zijn bestuur gestelde XXVI Moekims niet te voet of te paard doorkruistte, hetzij als aanvoerder van een militaire patrouille, meestal uit zijn oude makkers der marechaussee bestaande, dan wel begeleid door de hoofden, die minstens een keer per maand te Pakan Kroeng Tjoet vergaderden, ter bespreking van de belangen van het land, de afdoening van sinds jaren hangende kwesties enz. Hij ontwikkelde daarbij zo'n bestuurstalent dat assistent-resident Kroesen van hem verklaarde, dat hij zich geen beter of geschikter controleur wensen kon. De [[Eervolle Vermelding (Nederland)|eervolle vermelding]] die hij in juni 1894 verkreeg, stelden dan ook velen teleur, die hem een hogere onderscheiding hadden gegund. Neelmeijer echter bleef met lust en ijver werkzaam en verkreeg in het laatst een kennis van het karakter en de instellingen van het Atjehnese volk, welke moeilijke taal hij geleerd had en sprak, zoals wellicht geen ander bezat. Voor de Atjehnezen van heinde en verre was Pakan Kroeng Tjoet een aantrekkingspunt met zijn commandant, die in hun taal met hen wist te praten over zaken waarin zij belang stelden, die hen, als ze met fraaie zeldzame wapens - Neelmeijer had een zeer fraaie collectie - kwamen, ze hun afkocht en die door zijn liefhebberij in dieren hun het gratis schouwspel gaf van in Groot Atjeh slechts zeldzaam of in het geheel niet voorkomende dieren, zoals een [[beren|beer]], een [[Orang-oetans|orang-oetang]] en last not least een prachtige [[Bengaalse tijger|koningstijger]], een geschenk van Toekoe Oemar aan generaal Deyckerhoff en door deze weer aan zijn onderbevelhebber geschonken.
Neelmeijer bevond zich in de [[sociëteit]] van Kota Radja, toen hij van de daarlangs rijdende controleur van Oeleh Leh, Gisolf, het bericht vernam van [[Atjeh-oorlog (1896-1901)|de afval]] van Toekoe Oemar; hij nam direct plaats in een [[dos-à-dos]] en reed halsoverkop met zijn rijtuig naar zijn post terug en begaf zich van daar naar de bij de Nederlandse post te Boekit Karang gelegen woning van Toekoe Njaq Bantah, het sagiehoofd der XXVI Moekims om deze mededeling te doen van het gebeurde. Van daar begaf hij zich naar de post te Toengkoeh om hetzelfde te doen aan Toekoe Tjoet Toenkoeh, die in de nabijheid van die post zijn woning had. Beide hoofden konden in het begin niet geloven aan de waarheid van wat Neelmeijer hen mededeelde. Reeds was de avond gevallen, toen hij vergezeld van Toekoe Tjoet Toengkoeb en een paar van diens volgelingen zich op weg begaf om nog persoonlijk de Nederlandse post te Tjot Rang van het gebeurde mededeling te doen en de bij die post gelegen versterkingen van Toekoe Njaq Bantah waakzaamheid aan te bevelen. Nauwelijks op weg ontmoetten zij een Atjehnees, die op de hem door Toekoe Tjoet Teungkoeb gedane vraag aarzelende antwoorden gaf, totdat de laatste met de [[klewang]] dreigend hem de bekentenis afdwong dat in het iets verder gelegen Langroet Toekoe Hoessin Longbattah reeds bezig was met het aanmaken van [[munitie]] en in de aan de weg gelegen [[Vesting (verdedigingswerk)|benting]] de wacht gehouden werd. Daar was de weg dus reeds versperd en om Tjot Rang te bereiken moest een omweg worden gemaakt door een lastig en onveilig gebied. De tocht liep echter gelukkig af en Neelmeijer wist zijn doel te bereiken.
Toen Neelmeijer aan generaal [[Jacobus Augustinus Vetter|Vetter]] bij diens bezoek aan Atjeh in november 1895 omtrent de gezindheid van diverse Atjehnese hoofden andere en gunstiger indrukken gaf dan deze op grond van een hem meegegeven nota van [[Christiaan Snouck Hurgronje|Snoeck Hurgronje]] meende te zullen krijgen, kwetste de generaal Neelmeijer zeer diep. Minder bekend was dat, toen zijn onverwachtte overplaatsing van Atjeh naar [[Soerabaja]] volgde, de chef van de staf op Atjeh, [[luitenant-generaal|overste]] van Vliet, later [[gouverneur]], die bij ondervinding wist, hoe de door Neelmeijer verstrekte inlichtingen steeds juist waren, hem eerst niet wilde laten vertrekken, omdat hij er nog van teveel nut kon zijn; maar te diep gegriefd door de onheuse bejegening wist Neelmeijer zich door de geneeskundige dienst te laten evacueren, waarop spoedig een tweejarig verlof naar Europa wegens ziekte volgde. In afwachting van scheepsgelegenheid te [[Batavia (Nederlands-Indië)|Batavia]] genoot Max de eer van door [[gouverneur-generaal]] [[Carel Herman Aart van der Wijck|van der Wijck]] te worden ontboden naar [[Cipanas|Tjipanas]], het bergverblijf der Indische onderkoningen. Daar bracht hij een dag als gast van Zijne Excellentie door, die een langdurig onderhoud met hem had over de toestanden op Atjeh; voor een luitenant een zeer zeldzame onderscheiding. Ook in Nederland werd hij door minister [[Jacob Hendrik Bergsma|Bergsma]] op het [[Ministerie van Koloniën (Nederland)|Departement van Koloniën]] ontboden. Neelmeijer genoot in de volste mate het vertrouwen en de achting niet slechts van zijn meerderen maar ook van zijn ondergeschikten en van de Atjehnese hoofden.
Neelmeijer keerde in 1896 voor verlof naar Nederland terug en bezweek daar, in het huis van zijn zuster, plotseling aan een korte maar hevige ziekte. Hij werd per [[Koninklijk Besluit]] van 24 mei 1897, nr. 59 (postuum) benoemd (in de [[militaire rang|rang]] van [[Kapitein (rang)|kapitein]]) tot ridder in de Militaire Willesorde vierde klasse.
{{Link portaal|KNIL}}
{{Appendix|2=
*1896. A.F. ''Atjeh in 1896.'' Wereldkroniek.
*1897. Deen. ''Luitenant M. Neelmeijer.'' [[Eigen Haard (tijdschrift)|Eigen Haard]]. Bladzijde 45-47.
*1940. [[George Carl Emil Köffler|G.C.E. Köffler]]. ''De Militaire Willemsorde 1815-1940''. Algemene Landsdrukkerij. Den Haag.}}
{{DEFAULTSORT:Neelmeijer, Max}}
[[Categorie:Militair in het KNIL]]
[[Categorie:Persoon in de Atjeh-oorlog]]
[[Categorie:Ridder in de Militaire Willems-Orde]]All content in the above text box is licensed under the Creative Commons Attribution-ShareAlike license Version 4 and was originally sourced from https://nl.wikipedia.org/w/index.php?oldid=31629006.
![]() ![]() This site is not affiliated with or endorsed in any way by the Wikimedia Foundation or any of its affiliates. In fact, we fucking despise them.
|