Revision 35583561 of "Geschiedenis der Lage Landen" on nlwiki

{{NPOV||2013|03|07}}
{{samenvoegen|Geschiedenis van de Lage Landen}}
{{Zijbalk geschiedenis België|afbeelding=Pieter Bruegel d. Ä. 093.jpg|titel=''Winterlandschap met schaatsers en vogelknip'', [[Pieter Bruegel de Oude]], 1565}}{{Zijbalk geschiedenis Nederland|afbeelding=The IJ at Amsterdam with the former flagship 'Gouden Leeuw' (Willem van de Velde II).jpg|titel=''Het IJ voor Amsterdam met de '[[Gouden Leeuw (vlaggenschip)|Gouden Leeuw]]', het voormalige vlaggeschip van [[Cornelis Tromp]]'', 1686, [[Willem van de Velde de Jonge]]}}
[[Bestand:NasaBenelux.jpg|miniatuur|261px|De lage landen gezien vanuit de ruimte.]]
[[Bestand:Brugge SPOT 1189.jpg|miniatuur|261px|Typische verstedelijking.]]
[[Bestand:0943newGrote Kerk Breda.jpg|miniatuur|261px|De ranke toren van de [[Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk (Breda)|Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk]] in [[Breda]].]]
[[Bestand:Oudenaarde Stadhuis.jpg|miniatuur|261px|Het [[stadhuis van Oudenaarde]].]]
[[Bestand:Koolbladkapiteel.JPG|miniatuur|261px|[[Koolbladkapiteel]] aan een ronde schippijler in de [[Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk (Dordrecht)|Grote Kerk van Dordrecht]].]]

De '''geschiedenis van de Lage Landen''' geeft duiding over de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de [[Lage Landen]] bij de zee, het gebied gelegen rond de grote rivieren van Noordwest-Europa die in de [[Noordzee]] en het [[Nauw van Calais (zeestraat)|Nauw van Kales]] uitmonden, dat grosso modo overeenstemt met de huidige [[Benelux]], het noorden van [[Frankrijk]] en enkele streken in het Westen van [[Duitsland]]. Reeds in de [[bronstijd]] en de [[IJzertijd|ijzertijd]] (van het [[3e millennium v.Chr.|3e]] tot het [[1e millennium v.Chr.]]) zou zich in deze gebieden het "''[[Noordwestblok]]''" cultureel hebben onderscheiden.{{Bron?||2013|03|07}} Daarna vormden zich variërende eenheden onder respectievelijk [[Lijst van Keltische stammen|Keltisch]]-[[Germanen|Germaanse]], en [[Romeinse Rijk|Romeinse]] invloeden. Vervolgens evolueerde het geheel onder impuls van de [[kerstening]] mee in grotere imperiums met een groeiend [[feodalisme|feodale]] structuur. De opkomst van de steden zorgde voor toename in rijkdom, maar ook voor verschuiving van de macht en versplintering. Pogingen tot [[centralisatie]] wisselden af in een evenwichtsspel met lokale tendensen tot [[autonomie]].

De culturele en materiële rijkdom die reeds vroeg in de geschiedenis van Europa van onze contreien over het continent werd uitgedragen droeg ertoe bij dat de Lage Landen als een samenhangende entiteit werden beschouwd, maar wekte tegelijk de politieke drang naar bezit en controle over deze [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]], met talloze oorlogen als gevolg.

De Lage Landen worden tot laat in de 16e eeuw als één geheel beschouwd,{{Bron?||2013|03|07}} aangeduid met de naam 'Landen van herwaarts over' (''les pays de par-deçà''). De benaming 'Nederlanden' (onder invloed van het Duits) trad pas in voege in de Habsburgse tijd. Vanaf 1585 werd België een onderscheiden entiteit, toen de tien provinciën ervan na de [[Nederlandse Opstand]] en de daarmee gepaard gaande godsdiensttwisten door Spanje werden veroverd terwijl de noordelijke zeven zich afsplitsten. Van 1814 tot 1830 werd nog een poging gedaan om de Lage Landen opnieuw in één koninkrijk onder te brengen, maar de gebieden hadden tegen die tijd, op het stramien van hun onderscheiden godsdienst, reeds te zeer uiteenlopende culturen ontwikkeld. Het bleek niet meer mogelijk ze als enkele entiteit onder één centraal gezag te laten functioneren.

== Prehistorie ==
Het gebied van de Lage Landen zuid van de [[Nederrijn]] en [[Beneden-Maas|-Maas]] gelegen was cultureel verwant met Centraal- en Zuid-Europa, het gedeelte noord daarvan behoorde meer tot een Noord-Europese cultuurzone. In de hele regio ontwikkelden zich van elkaar onderscheiden cultuurvormen die worden getypeerd aan de hand van o.a. hun keramiek, siervoorwerpen, werktuigen en wapentuig. Ze situeren zich in verschillende gebieden, zoals de streek rond [[Maastricht]] en de Belgisch-Nederlandse grens, waar de oudste [[Vuursteen|vuurstenen werktuigen]] zijn gevonden na die van het gebied rond [[Mons]].

[[Bestand:Racloir silex.jpg|miniatuur|Schraper van vuursteen]]
In de Ardennen werd een vuursteengroeve voor [[Moustérien]]voorwerpen gevonden, die voornamelijk door de [[Neanderthaler]] werden gemaakt en gebruikt, daterend ca. 80.000 jaar geleden. Zo'n 18.000 jaar terug werd daar de [[Magdalénien]]cultuur gesitueerd, grenzend aan een groot onbewoond gebied tot 13.000 jaar geleden.

[[Bestand:Pincevent tent.gif|miniatuur|Het Magdalénienvolk woonde niet alleen in grotten maar ook in tenten zoals deze uit Pincevent (Frankrijk)]]
Vanaf het mesolithicum (10.000 jaar geleden) onderscheidde zich een noordelijke en zuidelijke cultuursfeer met de grote rivieren als scheidslijn.{{Bron?||2013|03|07}} Vanaf 6.500 jaar terug dateren de eerste landbouwnederzettingen. De daarop volgende culturen onderscheidden zich door een transformatie van hun materiële [[cultuur]]. Contacten met mesolithische jagers-verzamelaars zorgden voor gemengde of semi-landbouwgemeenschappen.

Uit het laat-neolithicum dateren de [[hunebed]]den, waarvan de juiste herkomst nog steeds niet achterhaald is.

De overgang naar de [[bronstijd]] gebeurde rond 2900–2000 voor onze jaartelling. Er zijn in de midden-bronstijd aanwijzingen voor gemengde landbouw, waar veeteelt overwegend is. Dit in schril contrast met het neolithicum, waar landbouwactiviteiten als minder met elkaar verbonden worden beschouwd. Bij de ontwikkeling van de nederzettingentraditie veranderden ook de begrafenisgewoonten.

In de ijzertijd worden de Lage Landen overheerst door [[Lijst van Keltische stammen|Keltische]], resp. [[Germanen|Germaanse]] culturen.

=== Midden-Paleolithicum (-250.000 -35.000) ===
=== Jong-Paleolithicum (-35.000 -10.000) ===
=== Mesolithicum (-10.000 -4500) ===
[[Bestand:Doggerland 10,000 BP.jpg|miniatuur|Nog tot 6500 v.Chr. zijn de Lage Landen verbonden met Engeland door [[Doggerland]]]]

=== Neolithicum (-4500 -2900) ===
Rond 5300 v.Chr. verspreidde het "[[Neolithicum|neolithisch]] pakket" (een cultureel erfgoed van landbouw, kleinveeteelt, gepolijste stenen bijlen, houten langhuizen en pottenbakken) zich over Europa. Daarmee geraakte de Mesolithische levenswijze stilaan in onbruik. Kenmerkend zijn nu behalve de nederzettingen, de opkomst van grotere stammen en het gebruik van plantaardig voedsel.<ref>T.Douglas Price, (2000): ''Europe's first farmers'', Cambridge University Press, p. 5</ref>

Op de hoger gelegen vruchtbare lössgronden van o.a. het Zuid-Limburgse [[Haspengouw]] heeft zich rond 4500 v.Chr. de [[Bandkeramische cultuur]] (ook ''[[Omalien]]'') gevestigd. Deze meest noordwestelijke tak van cultuur gold de eersten die als [[landbouw]]ers in de Lage Landen de Neolithische manier van leven aanbrachten, al kenden zij nog geen ploeg. In typische met banden versierde potten bewaarde men voedsel en zaaigranen. Er waren contacten met leden van de [[Hoguette]] en [[Limburg]]cultuur, waarvan echter weinig is teruggevonden. Al deze gemeenschappen onderhielden onderlinge contacten, zoals blijkt uit de vondsten van gepolijste stenen bijlen, waarvan het materiaal van vreemde origine was. Ze onderhielden eveneens contacten met Mesolithische groepen in het noorden, vooral langs de Maas. Na zo'n 700 jaar is deze cultuur om nog onbekende redenen uitgestorven.

[[Bestand:Tulpenbecher-Michelsberg.jpg|thumb|Tulpbeker van de Michelsbergcultuur]]
Boven de rivieren bleef het nog een cultuur van jager-verzamelaars, die zich tot de [[Swifterbantcultuur]] had ontwikkeld en rond 4800-4500 v.Chr. geleidelijk overschakelde op veeteelt. Naar uit onderzoek<ref>{{aut|de Roever,J.P.}}, (2004): ''Swifterbant-aardewerk : een analyse van de neolithische nederzettingen bij Swifterbant, 5e millennium voor Christus'', Groningen. [http://irs.ub.rug.nl/ppn/263303640 Online]</ref> blijkt hebben deze twee culturen een duizendtal jaren naast elkaar bestaan, waarbij de bewoners van de uitgestrekte moerassen in de [[Rijndelta]] langzamerhand sommige gewoonten van de landbouwers in het zuiden zijn gaan overnemen. In toenemende mate treft men er tussen resten van wild ook resten van gedomesticeerde dieren aan, waarbij een duidelijke progressie valt waar te nemen.

Rond 4250 tot 3500 v. Chr. ontwikkelde zich in het zuidwesten van Duitsland, het zuiden van Nederland en het oosten van België de [[Michelsbergcultuur]]. Deze cultuur is verantwoordelijk voor enkele van de oudste soorten [[aardewerk]] in Europa. Schaarse archeologische vondsten wijzen op een gemengde landbouwcultuur. De typische keramiek is de tulpvormige beker. Maar hun belangrijkste erfenis waren de diepe vuursteenmijnen van [[Spiennes]] in Henegouwen en die van [[Rijckholt]] in Nederlands Limburg.

Relicten uit omstreeks 4000 v.Chr. die in de Nederlandse delta bij [[Swifterbant]] in Flevoland en in het Zuid-Hollandse [[Hazendonkborn]] en [[Bergschehoekborn]] zijn teruggevonden duiden op contacten van de Michelsbergcultuur met laat-Mesolithische jagers-verzamelaars benoorden de lösszone. Uit deze contacten vloeiden semi-landbouwgemeenschappen voort die zich daar plaatselijk vestigden.

Onder andere in de [[Kempen (streek)|Kempen]], de [[Leemstreek]] en de [[Maasvallei]] verbouwde men in het Midden-Neolithicum [[eenkoorn]] en [[emmertarwe]] op de kleine akkers rond het huis. Voor het zware werk werden [[rund|trekossen]] gebruikt. De veestapel bestond uit [[rund]]eren, [[Schaap (dier)|schapen]], [[varken (tam)|varkens]] en [[geit]]en, die graasden in een afgebakend stuk grond rond de woning.

 [[Bestand:Old Europe.png|thumb|Het leefgebied van het trechterbekervolk (TRB in het groen) in Europa]]
[[Bestand:Borger neolithisch huis.jpg|thumb|Nagebouwd huis uit de Trechterbekertijd]]
Tijdens het Laat-Neolithicum (ca. 3300-2900 v.Chr.) bestond [[Trechterbekercultuur]] in Friesland en in Drenthe waar zij [[hunebed]]den bouwde en vestigde zich ook in Noord-Holland. In de hunebedden zijn trechtervormige keramische bekers gevonden. Over de precieze betekenis van de hunebedden tast men nog in het duister. Wel markeren deze monumenten begraafplaatsen. Ze bestaan uit megalieten, sommige tot wel 50 meter lang, die door het zich terugtrekkend ijs zijn achtergelaten.

In de duinstreek van het [[Rijnmond]]gebied van de Lage Landen onderscheidde zich de [[Vlaardingencultuur]] als een tussenvorm van Mesolithische cultuur en landbouw met zowel volledige als semiagrarische landbouwnederzettingen.

Het zuiden van België werd in deze periode door de Franse [[Seine-Oise-Marne-cultuur]] bereikt, die eveneens hunebedden bouwde.

De leden van de [[Touwbekercultuur|Standvoetbekercultuur]] (ca. 2900–2450), ontstaan uit de Trechterbekercultuur, maakten gebruik van karren.

[[Bestand:Pierre Brunehaut 01.JPG|thumb|De [[Pierre de Brunehaut]], de grootste [[menhir]] van België staat nabij [[Doornik]].]]

[[Bestand:Urnenfelder panoply.png|thumb|180px|Wapens uit de urnenveldencultuur]]
De overgang tussen Neolithicum en Bronstijd wordt gekenmerkt door de [[Klokbekercultuur]] (2700 - 2100 v. Chr.) die naast en uit de Standvoetbekercultuur ontstond. De typerende eigen keramiek van bekers in klokvorm heeft ze haar naam gegeven. De Klokbekercultuur wordt verder door een aantal technische innovaties gekenmerkt. Zoals de ploeg, het wiel, karren... Dit wijst op een aanzienlijke hervorming van het landbouwsysteem, maar ook op de mogelijkheid van beter transport. Met deze cultuur begon een tijd van intensieve overzeese contacten, wat de overeenkomst tussen de prehistorische culturen aan weerszijden van de Noordzee verklaart. Ze zouden zelfs Noord-Afrika hebben bereikt. Ze gebruikten als wapens bogen, dolken en speren met koperen kop. Onderzoekers menen dat hun behoefte aan koper (en goud) in grote mate tot de ontwikkeling van de metaalbewerking in Europa heeft bijgedragen. Opvallende verandering is verder de inhumatie in individuele graven, en het meegeven van belangrijke grafgiften zoals bijlen, bekers en messen. Het lichaam van de overledene was in opgevouwen houding oost-west georiënteerd.

=== Bronstijd (-2.000 -700) ===
De [[Klokbekercultuur]] zette zich in de vroege bronstijd door in de regio, maar tegelijk duiken bronzen voorwerpen op. Deze zijn aanvankelijk afkomstig geweest uit Centraal en Noord-Europa, waar de [[Hallstatt-cultuur]] voor dergelijke artefacten zorgde. Maar er ontstond nu ook een - bescheiden - eigen productie van bronzen voorwerpen (de [[Hunze-Eems industrie]] in het noorden, en een andere langs de Maas in Limburg).

[[Bestand:Nordwestblock.png|miniatuur|[[Noordwestblok]] tussen 1800 en 800 v.Chr., de [[Elp-cultuur|Elp-]] en de [[Hilversumcultuur|Hilversum-cultuur]].]]
De grafcultuur bezuiden de Rijn ([[Hilversumcultuur]]) onderscheidde zich door [[crematie]] en het begraven van [[urn]]en, zoals dat ook in Wessex op de Britse Eilanden wordt vastgesteld. Onderzoekers vermoeden dan ook nauwe banden tussen deze culturen en hun bevolking. In het noorden bleef inhumatie in kisten de courante manier van teraardebestelling. De grafheuvels waren afgezet met een kring van palen.

De midden-bronstijd wordt voor onze streken gesitueerd tussen 1500 en 1100 v.Chr. In die periode werd de [[landbouw]]methode aanzienlijk verbeterd en verschilt nu zeer sterk met die van de neolithische culturen, waar veel minder aan gemengde landbouw werd gedaan. Uit opgravingen van boerderijen in de vorm van [[Langhuis|langhuizen]] van wel 40 m lengte kan men opmaken dat een gemengde landbouwcultuur was ontstaan. Men heeft de restanten van veestallen met waarschijnlijk het gebruik van stro kunnen identificeren, evenals opslagruimte voor wintervoer. [[Veehouderij]] zou dan ook doorslaggevend zijn geweest.

Vanaf 1100 v.Chr. verandert de manier van begraven opnieuw. Nu worden urnen met as van de overledene in afzonderlijke grafheuvels geplaatst, die door uiteenlopende soorten muurtjes zijn omgeven. De typen onderscheiden zich in een noordelijke zone die met Westfalen samengaat, een andere zone Brabant-Limburg en het Rijnland, en een derde meer zuidelijke Vlaamse groep.

=== IJzertijd: Kelten en Germanen (ca. -700 -57 v.C.) ===
{{Zie ook|Voor de hoofdartikels over dit onderwerp zie [[Kelten]] en [[Germanen]]}}
[[Bestand:Bund-ro-altburg.jpg|miniatuur|300px|Vroege huizenbouw in onze regionen, gereconstrueerd in Altenburg bij [[Bundenbach]] im [[Hunsrück]] (Duitsland)]]
In de IJzertijd heeft de [[Hallstatt-cultuur]] zich ontwikkeld tot [[La Tène]] en is over Centraal en West- en Zuid-Europa uitgewaaierd. De Lage Landen bezuiden de Rijn worden bevolkt door [[Keltische stammen]] uit deze cultuur. In het noorden treffen we [[Germaanse stammen]], waarvan een aantal zich ook op de linker Rijnoever hadden begeven en verwantschapsbanden met Kelten hadden. Culturele en etnische banden bemoeilijken een scherp onderscheid. De eilanden en broeken aan de [[Nederrijn|Beneden-Rijn]] werden bevolkt door de (Germaanse) [[Bataven]], terwijl de [[Cananefaten]] tot de Rijnmond op de westkust doordrongen, de [[Marsaci]] tot Zeeland, de [[Toxandriërs]] in de Kempen, de [[Cugerni]] in het district van Xanten, en later ook de [[Tungri]] die het gebied van de door de Romeinen uitgemoorde (Keltische) [[Eburonen]] innamen. Ten noorden van de Rijn woonden voornamelijk de [[Friezen]]. Het kustgebied van het huidige Noord-Frankrijk en Vlaanderen werd bevolkt door de [[Morini]] die van landbouw, visserij en zoutwinning leefden. Noord van hen verbleven tussen de Schelde en de Noordzee de [[Menapiërs]], in Artesië de [[Nerviërs]]. Tussen Schelde en Rijn waren het de [[Eburonen]] en [[Aduatuci]], [[Condruzen]], [[Cerezen]], [[Pemanen]], en [[Treveri]] in de Ardennen en het huidige Luxemburg.

Opgravingen tonen relicten van de toenmalige cultuur in de vorm van keramiek, juwelen waaronder talloze [[fibula (voorwerp)|fibula]]e, [[Wagengraf|wagengraven]]<ref>Bijvoorbeeld in Court St.Etienne (Henegouwen), Eigenbilzen (Belg.) en Oss (Ned.)</ref> van gezaghebbende leidersfiguren, die zowel mannen als vrouwen konden zijn. Er waren handelscontacten met Etrurië en het Oude Griekenland, zoals de aanwezigheid van bijvoorbeeld Griekse wijnkraters in deze graven aantoont.

Tussen Keulen en Boulogne lag de oude [[Via Belgica]] die bij Maastricht de Maas overging. Deze handelsroute liep over het later ontstane Tongeren doorheen het [[Kolenwoud]] (''Carbonaria silva'') en dan langs de Maas en Samber naar de Schelde nabij [[Cambrai|Kamerijk]]. Daar was een aftakking naar het zuidoosten die deze vestiging met Soissons en Reims verbond, alvorens naar de Noordzeekust door te steken tot bij Boulogne. Aan deze zeeplaats was er langs de kust handelscontact met Massilia en van daar met Italië en het Oude Griekenland.

In de poldergebieden aan de kust en in de streek van [[Haspengouw]] was landbouw renderend. In de noordelijke zandstreken daarentegen vocht men tegen de elementen, verzilting en winderosie, en algemene verarming van de bodem. Diversifiëring van landbouwproducten was hierop het antwoord met aanleg van "Keltische velden" (kleinere percelen met aarden walletjes eromheen). [[Terp]]en werden als kunstmatige hoogten aangelegd om zich tegen overstromingen te beschermen, toen het zeewaterpeil verhoogde. Men leefde in het algemeen van landbouw, visserij, (ruil)handel, zoutwinning, paardenfokkerij enz. Ook was de smeedkunst zowel van brons, ijzer als edelmetalen bij de Kelten van een dusdanige graad van ontwikkeling, dat Etrusken en Grieken hierover vol bewondering waren en al sinds de tijd van de Hallstatcultuur afnemers van producten van deze nijverheid.

== Oudheid ==
=== Romeinse tijd ===
{{Zie hoofdartikel|Romeinse Rijk}}
Toen de Romeinen aan hun verovering van Gallië begonnen, stootten zij ook in de Lage Landen ten zuiden en ten westen van de Rijn op de Keltische en in het noorden deels Germaanse stammen die daar woonden. Van 57 tot 51 v.Chr. leverde de Romeinse legeraanvoerder [[Julius Caesar]] een verwoede strijd met de [[Belgae]], die hij uiteindelijk onderwierp. Nog in 53 v.Chr. waren een volledig Romeins [[legioen]] en 5 [[cohort]]en (alles tezamen zo'n 7200 soldaten) door de [[Eburonen]] onder leiding van [[Ambiorix (persoon)|Ambiorix]] volledig vernietigd. Ambiorix vormde terzelfder tijd een alliantie van alle andere Belgische stammen om zich collectief tegen de Romeinen te verzetten. Na zijn overwinning voegde zijn leger zich bij de [[Nerviërs|Nervische]] strijdmacht en belegerde Quintus Cicero's winterkamp <ref>Caesar, ''[[Commentarii de bello Gallico]]''</ref>.

[[Bestand:Via Belgica-kaart.png|600px|thumb|De [[Via Belgica]] met vanaf het Kanaal (links) tot aan de Rijn (rechts): Boulogne-sur-Mer, Therouanne, Arras, Cambrai, Bavay, Liberchies, Tongeren, Maastricht, Heerlen, Julich en Keulen.]]
Tegen de negen legioenen van ongeveer 50.000 getrainde soldaten die Caesar daarna naar Belgica stuurde was de alliantie niet opgewassen. De meeste [[Lijst van Keltische stammen#Belgica|Belgische krijgers]] van de alliantie werden afgeslacht of geleidelijk verdreven en hun akkers systematisch platgebrand. De Eburonen verdwenen vanaf dat moment volledig uit de geschiedenis. [[Ambiorix (persoon)|Ambiorix]] wist nog samen met enkele manschappen de Rijn over te steken naar [[Germanië]], waarna men zijn spoor bijster werd.

Het gebied tussen Rijn en Seine werd nu een Romeinse provincie, ''[[Gallia Belgica]]'', waar vervolgens de eerste Romeinse nederzettingen in de Lage Landen ontstonden. Langs de Rijn werd op de westelijke oever een reeks Romeinse kampen opgericht, bedoeld als eventuele uitvalsbasis naar het gebied van de Germanen en ter verdediging voor mogelijke invallen. Ook op de Waal werd een belangrijk garnizoen gelegerd in [[Nijmegen]]. Het vroegere gebied van de Eburonen werd aan de Germaanse [[Tungri]] toegewezen en daar werd op de oude verbindingsweg tussen Rijn en Noordzee een nieuwe stad gevestigd, [[Tongeren]]. De ''[[Via Belgica]]'' werd grotendeels tot [[heirbaan]] omgevormd en diende als ader waarlangs de aan de Rijnoever opbloeiende Romeinse beschaving zich in het binnenland verspreidde. Ze werd geflankeerd door villa's van de Gallo-Romaanse elite. Een heirbaan langs de Rijn verbond Remagen, Bonn, Keulen, Neuss, Xanten, Nijmegen en Leiden. Aan de Schelde kwamen industriële vestigingen voor de productie van ijzerwerk en kleitegels. Maastricht werd welvarend door de handel op de Maas en kreeg al in de eerste eeuw haar eigen [[thermen]]. Graven in de omgeving toonden stenen sarcofagen met bas-reliëfs. Verder waren er beelden en glazen van Mediterrane oorsprong te vinden. Vooral de Romeinse kolonie Keulen werd al vroeg een cruciaal centrum van waaruit in het Noorden, zoals vanuit Lyon in het hart van Gallië, de verspreiding van de Romeinse geest zich voltrok.

Julius Caesar was min of meer per toeval ook al vroeg in het gebied boven de Rijn terecht gekomen tijdens de [[Gallische Oorlog]], waarbij hij de Germaanse [[Usipeti]] en [[Tencteren]] vrijwel uitroeide. Met zijn ''[[Commentarii de bello Gallico|Commentarii Rerum in Gallia Gestarum]]'' maakte hij de facto een eind aan de prehistorie in de Lage Landen, al zijn geschreven bronnen na de [[Romeinen in België]] en [[Romeinen in Nederland|in Nederland]] eerder schaars. Maar de Romeinse verovering is vlakbij de Rijn tot stilstand gekomen. [[Imperator Caesar Augustus|Keizer Augustus]] poogde nog de Romeinse macht over het Elbegebied uit te breiden, maar mislukte. Het gebied van de Friezen noord van de Rijn is dan ook nooit onder heerschappij van de Romeinen gekomen. Maar in de Rijndelta en beneden de Rijn vestigden dezen hetzelfde type bestuur als zij in de andere Gallische gebieden hadden geïnstalleerd. De Lage Landen werden ingedeeld in [[Gallia Belgica]] en [[Germania Inferior]] (later ''Belgica Secunda'' en ''Germania Secunda'') en deze provincies waren verder ingedeeld in buurtschappen of [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] (''civitates'') die overeenkwamen met de verblijfsregio's van de grootste Keltische en Kelto-Germaanse stammen. In Belgica waren dat die van de Morini, Menapii, Treveri, Tungri, en mogelijk de Toxandri, terwijl Germania Inferior werd ingedeeld in civitates van de Batavi, Canninefates, en de Cugerni.

[[Bestand:WLANL - mystic mabel - Voltarief van de Godin Nehalennia 150-250 na Chr. (1).jpg|miniatuur|Votiefaltaar voor vruchtbaarheidsgodin [[Nehalennia (godin)|Nehalennia]]]]
De invloed van de steden sijpelde slechts gedeeltelijk door naar het uitgestrekte platteland, al veranderde de levenswijze met de komst van de Romeinen geleidelijk aan, maar werd bij hun uiteindelijke aftocht een aanzienlijk deel van de oude cultuur weer opgenomen. Taal en religie bleven grotendeels intact, al werden de goden van enigszins vergelijkbare Romeinse godennamen voorzien (volgens de ''[[Interpretatio Romana]]''). Er werden nu ook beelden en tempels voor de goden opgericht, wat eerder geen Keltisch gebruik was. In plattelandsteden als Doornijk, Kamerijk en Atrecht was er een markt voor de boeren van het omliggende gebied, die in de vee- en paardenfokkerij een winstgevende bezigheid vonden. Er ontstonden nog veel nieuwe plaatsen, waaronder [[Trier]] en het reeds genoemde [[Keulen]] en [[Tongeren (stad)|Tongeren]], en de bestaande breidden zich uit. Vaak zijn de nieuwe plaatsen te herkennen aan het [[toponiem|achtervoegsel]] ''[[-iacum|(i)acum]]'' of 'domein' (vb. in [[Kortrijk|Cortoriacum]]), ''[[castra]]'' of 'kamp' (vb. in [[Kester]]), of ''castellum'' of 'kasteel' (vb. in [[Kassel (Duitsland)|Kassel]]). Al deze plaatsen, maar ook kleinere gemeenten (''[[vicus|vici]]''), werden marktplaatsen voor de producten van de Noord-Gallische landbouw en de inheemse ambachten. Zo ontstond een bloeiende handel met Italië, en ook met de rest van [[Gallië|Gallia]] werd die steeds intensiever. De stichting van Tongeren voorzag in een geheel nieuwe markt, waarlangs de graanoverschotten uit het vruchtbare Haspengouw naar de Romeinse kolonie Keulen konden worden vervoerd. De varkenshammen die de Menapiërs produceerden waren ook al vroegtijdig befaamd en werden eveneens geëxporteerd. In de laaglanden aan de Schelde, waar in de middeleeuwen de lakenweverij tot buitengewone voorspoed zou leiden, waren naast linnen stoffen ook al vroeg wollen mantels (''birri'') vervaardigd die tot voorbij de Alpen gegeerd waren. Aan de kust werd de [[zoutwinning]]stechniek aangepast aan de Romeinse behoefte aan zout (vooral bestemd voor hun onmisbare vissaus) en werd het gebruik van grotere zoutpannen ingevoerd. Ook werden tonnen zout verscheept naar [[Britannia (Romeinse provincie)|Britannia]]. Handelaars in zout deden gouden zaken en genoten hoog aanzien. Bij een overtocht over zee offerden ze vaak net als andere handelslui een votiefaltaar aan de godin van de oogst en de vruchtbaarheid [[Nehalennia]], die o.a. bij [[Colijnsplaat]] een tempel kreeg toegewezen.

[[Bestand:Schema Villa Rustica.jpg|thumb|300px|Een ''[[villa rustica]]'' was een grote herenboerderij te midden van een uitgestrekt landbouwgebied. Men verbouwde vaak één product in grote hoeveelheden, dat vervolgens verhandeld werd, onder andere met de steden en legergarnizoenen. Naast akkerbouw en veeteelt vonden hier ambachtelijke activiteiten plaats, waarbij [[villa Voerendaal]] langs de ''[[via Belgica]]'' een van de grootste teruggevonden villa's van Europa is.]]
De inheemse bevolking nam gaandeweg een deel van de Romeinse cultuur over, waardoor tussen de helft van de eerste en van de derde eeuw in de noordelijke provincies van het keizerrijk de [[Gallo-Romeins]]e cultuur doordrong. Ook het gebruik van slaven vond ingang. In overgebleven grote Romeinse villa's in Haspengouw en de Ardennen is nog te zien hoe deze in een apart ommuurd deel voor de familie en een ander voor de slaven waren ingedeeld. In de landbouw werden een aantal verbeterde rassen van vee, fruit en groenten vanuit Italië ingevoerd, en ook technieken zoals een maaimachine voor spelt. In de hoofdplaatsen werden thermen ingericht en tempels voor de [[Romeinse religie|Romeinse oppergoden]].

Waarschijnlijk had de germanisering van de Lage Landen zich reeds vóór de 3e eeuw langzaam ingezet. Een groot aantal Franken was tegen dan al de Rijn overgestoken om in de grenslegioenen dienst te nemen of zich als landbouwers in de provinciën te vestigen. De [[Saliërs]] vormden oorspronkelijk een los stammenverbond in antwoord op de Romeinse macht. Romeins keizer [[Constantius I Chlorus|Constantius Chlorus]] stond hen in 297 toe zich tussen de [[Bataven|Batavieren]] in de Rijndelta te vestigen, waar zij werden geronseld voor de Romeinse krijgsdienst en al spoedig het gebied zouden overheersen. Maar of ze van deels Germaanse of Keltische oorsprong waren, al de bewoners van de streek tussen Rijn en Noordzee zagen het Romeinse Keizerrijk als hun vaderland en noemden zichzelf ook graag Romeinen.

Naar het midden van de derde eeuw toe verslapte hoe dan ook de Romeinse greep op de Lage Landen, deels door innerlijke conflicten in Rome. Mede als gevolg van kusterosie werden de forten aan de Noordzee verlaten na ongetwijfeld drastische veranderingen in de plaatselijke economie. Ook de druk van de Germanen speelde mee in het Romeinse besluit zich terug te trekken. Aan het eind van die eeuw had nog een tijdelijke opflakkering van de eerdere bloei plaats. Het was vooral de [[Gallische keizerrijk|Gallische keizer]] [[Julianus]] die van 355 tot 360 voor versterking van de grensverdediging zorgde, maar in 406-7 brak van over de Rijn een grote Germaanse invasie door, die de Romeinse bezetting een definitief halt toeriep. De [[Salische Franken]], die zich in 358 als [[foederati]] in het door voortdurende oorlog verwoeste en verlaten [[Toxandrië]] hadden mogen vestigen, moesten nu (tot half vijfde eeuw) de verdediging van de grensgebieden op zich nemen.

=== Frankische tijd ===
{{Zie hoofdartikel|Frankische Rijk}}
[[Bestand:Germania Magna jpg.jpg|thumb|400px|right|Bevolking van [[Germania Magna]] ten tijde van Romeins keizer [[Imperator Caesar Augustus|Augustus]]]]
[[Bestand:Les Francs entre 400 et 440.svg|thumb|Situatie tussen 400 en 440.]]
Toen de Romeinse troepen naar Rome werden teruggeroepen schiep dat een open uitnodiging voor Germaanse stammen om zich in de Lage Landen te begeven. De vestiging van de [[Franken (volk)|Franken]] in de Lage Landen verliep al bij al relatief vreedzaam, zij het met hier en daar schermutselingen, als een kolonisatieproces over meerdere eeuwen waarbij generaties na generaties zich op zoek naar gunstige onbewoonde of verlaten vestigingsplaatsen zuidwestwaarts begaven.

In 286 hadden Franken zich als kolonisten in de onbewoonde delen van de landen der [[Morienen]] en der [[Trevieren]] gevestigd. Talrijke Vlaamse dorpen met het achtervoegsel ''ingem'' herinneren nog aan de naam van een Frankisch stamhoofd die er zijn familie vestigde. Nadat de [[Ripuarische Franken]] het gebied boven de Benedenrijn (de Betuwe en Hamaland) hadden bevolkt, begaf het nageslacht van de [[Salische Franken]] van de [[Kempen]] ([[Toxandrië]]) zich in de 5e eeuw geleidelijk verder het vlakke lage land in en bevolkte het gebied van [[Leie]] en [[Schelde (rivier)|Schelde]] steeds verder naar het zuiden. Toen in 431 hun voorhoede bij Doornijk uitkwam was strijd onvermijdelijk. De soldaten van [[Flavius Aëtius|Aëtius]] hadden zich aan de linie van de Romeinse heirbaan verzameld. Maar de Saliërs raakten de stad meester. Onder leiding van hun aanvoerder [[Chlodio]] veroverden ze met geweld de bovenvallei van de Leie en de gouwen benoorden de [[Somme]]. De Ripuariërs waren rond 450 zuidwaarts de [[Maas]] overgestoken en vestigden zich rond de heirbaan Tongeren-Boulogne in de open vlakte van [[Haspengouw]] die in het zuiden door het ondoordringbare [[Kolenwoud]] werd afgezoomd. De Gallo-Romeinse bevolking had de schaars bevolkte zandvlakten daar verlaten en zich ten zuiden van de heirbaan gevestigd. Deze [[Belgoromeinen]] van Keltische oorsprong die in de voort ontgonnen plekken van het woud woonden noemden de Franken ''Wala''.<ref>Pirenne (1902): p. 14</ref> De huidige [[taalgrens]] in België geeft nog steeds de scheiding aan van de stellingen die respectievelijk de Germaanse en de Romaanse taalgroepen in die tijd hadden ingenomen.<ref>Pirenne (1902): p. 11, 15</ref>
[[Bestand:CHILDERICI REGIS.jpg|thumb|Zegelring van [[Childerik I]]<br /> (± 436 - ± 481)]]
Nadat de eerste koning van de [[Merovingen|Merovingische]] Franken [[Childeric I]] die zich in Doornik had gevestigd in 481/82 overleed, nam zijn zoon [[Clovis I]] het bestuur over. Hij bond de strijd aan met andere Frankische leidersfiguren en breidde zijn rijk uit tot het grootste deel van Gallië. Clovis bekeerde zich tot het christendom en verleende daarmee zijn steun aan de opkomende institutionalisering van de kerkgemeenschap. De latere Frankische koning [[Dagobert III|Dagobert]] moedigde de Frankische kerk aan in een offensief dat tot de vorming van het bisdom [[Thérouanne|Terwaan]] in de civitas van de Morini bijdroeg. De samenwerking tussen kerk en edelen bereidde aldus de weg voor uitbreiding van de politieke macht naar het noorden.

Tot het kustgebied van Vlaanderen drongen de Franken niet door. [[Friezen]], wellicht met langs de zee gekomen [[Saksen]] vermengd, bevolkten die streek. De Friezen behoorden tot een Noordzeecultuur die zich tegen de Frankische macht afzette. Zij speelden een belangrijke rol in het handelsnet dat het Rijngebied met de Maas en het overzeese [[Britannia (Romeinse provincie)|Britannia]] verbond. Wel haalden ze producten op uit het zuiden van de Lage Landen, het Maasplateau en het Rijnland, waar de Merovingische macht toen een stevige voet aan de grond had. Daar ontwikkelden zich de handelscentra van [[Dinant]], [[Hoei]], [[Luik (stad)|Luik]] en [[Namen]].

[[Bestand:Lex Salica Vandalgarius.jpg|miniatuur|Handschrift van de Salische Wet]]
De [[Salische Wet]], in het Latijn ''Lex Salica'', was een van de eerste geschreven wetboeken sinds de Romeinen. Het dateert uit het begin van de 6e eeuw, uit de tijd van koning Clovis.

Tegen het eind van deze eeuw hadden de Salische Franken, die zich in de streek beneden het [[Kolenwoud]] (''Carbonaria silva'') en boven de Loire gevestigd hadden in toenemende mate de Romaanse invloed van dit dichter bevolkt gelatiniseerd gebied ondergaan. De Ripuarische Franken daarentegen, die hun gebied vanuit het oosten richting Schelde uitbreidden, bevonden zich in relatief dun bevolkt of door de Gallo-Romeinen geëvacueerd gebied, en betekenden daarom een Germaanse overmacht in deze regio van de later Zuidelijke Nederlanden.
Tegen de 7e eeuw begon het gezag van de Merovingers te tanen, ten voordele van de Frankische edelen. De [[Pepiniden]], een adellijke familie uit het centrum van [[Austrasië]] (de Ardennen en het Boven-Maasgebied), hadden zich in Limburg tot landeigenaars weten te maken. In de functie van [[hofmeier]]s wisten zij de feitelijke macht in handen te krijgen, zoals [[Karel Martel]]. Deze baande zich in 734 al strijdend ook toegang tot de noordelijke centra van de Friezen na een [[Slag aan de Boorne|overwinning bij de Boorne]]. Toen dit succes door zijn opvolger [[Pepijn III]] en vervolgens [[Karel de Grote]] geconsolideerd werd, behoorde het hele gebied van de Lage Landen tot het [[Frankische Rijk]].

== Middeleeuwen ==
=== De Lage Landen onder de Karolingers ===
[[Bestand:Frankenrijk.jpg|miniatuur|300px|De expansie van het Rijk der Franken onder Karel de Grote.]]
De betekenis van de [[Karolingers]] ligt vooral in het uitbreiden van het Frankische Rijk tot zelfs voorbij de grenzen van het vroegere Romeinse keizerrijk. Daarbij werd in het noorden het gebied van de [[Friezen]] mee opgenomen, in het zuiden dat van de [[Longobarden]] en in het oosten na dertig jaar [[Saksenoorlogen]] (772 - 804) [[Germanië]], het gebied tot ver voorbij de Rijn.

De verovering van die grensgebieden ging met buitensporig geweld gepaard waarbij de overwonnen werden gedwongen zich tot het christendom te bekeren. [[Karel de Grote]] streefde ernaar om de kerken met hun nederzettingen (kloosters) en hun administratieve traditie (boekhouding) als instrument van toezicht te gebruiken. Op het beoefenen van [[heiden (geloof)|heidense]] rituelen stond de doodstraf.

Als bestuursvorm werd het [[feodalisme]] doorgevoerd.

Karel de Grote werd in 800 gekroond tot ''Imperator Romanorum'', 'Keizer der Romeinen'. Hoewel hiermee geprobeerd werd het Frankische gezag te legitimeren als een soort voortzetting van het Romeinse rijk, was er geen sprake van een abstract staatsbegrip of ''[[res publica]]''. Het rijk gold, net als onder de Merovingen, als persoonlijk eigendom van de heerser.

Onder Karel de Grote waren de Lage Landen evenwel geen randgebied meer zoals in de Romeinse en vroege Frankische tijd, maar vormden zij quasi het centrum van het [[Frankische Rijk]]. [[Aken (stad)|Aken]], waar Karel de Grote in de [[Palts (verblijfplaats)|palts]] zijn hoofdverblijf vestigde, werd de belangrijkste stad van de Karolingen.

Tussen ~750 en ~950 was er in West-Europa, bij een toenemende belangstelling voor de klassieke cultuur, een periode van algemene opleving van cultuur en wetenschap (de [[Karolingische renaissance]] rond de regeerperiode van Karel de Grote (768-814)). Deze stroming beperkte zich vooral tot het koninklijk hof, waar zij zich manifesteerde, en werd gesteund door de [[clerus]].

De vereenvoudiging van het [[Merovingisch schrift]], in de vorm van de veel beter leesbare [[Karolingische minuskel]], legde de basis voor het schrift van de [[Germaanse talen|Germaanse]] en [[Romaanse talen]].

==== Bestuursinrichting ====
De bestuursinrichting in de Lage Landen was zo goed als dezelfde als die in de rest van het [[Frankisch Rijk]]. De koning, later dus keizer, vormde de hoogste autoriteit, omgeven door dienaren van het hof, dat constant op ronde was. In Herstal, Meerssen, Nijmegen, en Aken (Aix-la-Chapelle) werd daarbij tijdelijk verblijf gehouden in [[Palts (verblijfplaats)|paltsen]] waar de hoflieden aanzienlijke landgoederen bezaten die tot de kroon behoorden. Hun macht (''bannus'') delegeerden ze aan [[Graaf|graven]] die door hen als [[leenman]] waren aangesteld over een graafschap of [[Gouw (Germaans)|gouw (''pagus'')]]. Het merendeel van die gouwen (''pagi'') viel samen met de vroegere Romeinse ''civitates''.

De bekendste gouwen waren pagus Taruanensis (met als centrum Thérouanne), pagus Mempiscus, pagus Flandrensis (rond Brugge), pagus Turnacensis (rond Doornik), pagus Gandensis (Gent), pagus Brabatensis (tussen Schelde en Dijle), pagus Toxandriae (noordelijke Kempen of huidige Noord-Brabant), en benoorden de grote rivieren, Marssum, Lake et Isla, Teisterbant, Circa oras Rheni, Kinnem, Westflinge, Texla, Salon, Hamaland, en Twente. In het noorden werd het woord 'gouw' ook gebruikt voor een [[Gewest (Lage Landen)|landstreek]] zonder dat dit op een bestuurseenheid sloeg. Kleinere administratieve eenheden waren de ''centenae'' (honderdsten) en districten die aan ''[[Ambacht (gebiedsnaam)|ambachten]]'' waren toebedeeld (deze laatste vooral in het huidige Vlaanderen, Zeeland en Holland, zoals ''de [[Vier Ambachten]]'').

[[Bestand:Charlemagne denier Mayence 812 814.jpg|miniatuur|Een munt van Karel de Grote met het opschrift KAROLVS IMP AVG ("Carolus Imperator Augustus").]]
Machtsbezit (''bannus'') in het feodalisme bleek vooral een kwestie van veroveringen, geweld en ''[[Geblütsrecht]]'', en werd in stand gehouden doordat de heerser van de ene [[Palts (verblijfplaats)|palts]] naar de andere trok. Door de grote omvang van het rijk was Karel de Grote daarom wel genoodzaakt het land te laten besturen door leenmannen die verantwoording bij hem moesten afleggen. In de [[ruileconomie]] van die tijd konden deze leenmannen alleen beloond worden door hen gronden (''[[Beneficie|beneficium]]'', vanaf de tiende eeuw ''[[Feudum|feodum]]'') en het vruchtgebruik daarvan te schenken en een aparte titel. In het bijzonder de ruiters, essentieel om het grote Frankische rijk bijeen te houden, werden door de koningen vaak tot [[ridder]] benoemd. De bewoners van het land werden ''[[horige]]n'', die bij de bewerking ervan voor eigen gezin en goed een deel van de opbrengt aan de graaf moesten afstaan.

De leenmannen streefden naar erfelijkheid van hun [[Gouw (Germaans)|''pagus'']], iets wat steeds meer de regel werd en in 877 is gelegaliseerd door het [[Capitulare van Quierzy]]. Met dit systeem werd het mettertijd onmogelijk om nog een groot rijk te vormen.

In het gebied boven de Rijn schoot het feodalisme nooit echt wortel. Voor de Friezen betekende de opname in het Frankische rijk vooral een grote stimulans voor de handel.

==== Kerstening ====
[[Bestand:Fresque Mithraeum Marino.jpg|miniatuur|Fresco met Mithras die de witte stier doodt. In elke [[mithraïsme|Mithraïstische]] tempel nam deze afbeelding een centrale plaats in.]]
De nieuwe godsdiensten die met de Romeinen waren meegekomen en met elkaar concurreerden, zoals de [[Mithras]]cultus die voornamelijk bij de soldaten aanhang vond, of de cultus van de Zonnegod [[Sol Invictus]] en ook het [[christendom]], hadden zich voornamelijk in de dichtbevolkte plaatsen uitgebreid. De Mithrascultus had het nadeel dat het een zeer geheim sektarisch genootschap betrof met meestal ondergrondse tempels op verborgen plaatsen en enkel toegankelijk voor mannen. Het christendom en de zonnegodcultus waren aanvankelijk sterke concurrenten, tot er een zekere fusie plaatsgreep, waarbij elementen van deze laatste in het eerste werden opgenomen.

[[Bestand:Rathausturm Köln - Maternus (4171-73).jpg|miniatuur|Maternus, stadhuis Keulen]]
De eerste christenen in de Lage Landen kwamen waarschijnlijk uit [[Trier]] waar de bisschop van die stad zijn invloed in de 3e eeuw al over gans [[Neder-Germanië]] uitbreidde. Keulen maakte in 313 onder [[Sint-Maternus]] een onderscheiden bisdom uit waar de civitas Tungrorum op aansloot. [[Tongeren]] werd door het succes van het christendom aldaar spoedig het centrum van een nieuw bisdom. De eerste authentieke bisschop van wie in de geschiedenis der Lage Landen gewag wordt gemaakt was halfweg de 4e eeuw [[Sint Servatius]] die daar leefde. Maar dit was in die tijd eerder de uitzondering dan de regel. Steden als Atrecht, Boulogne, Doornijk, [[Kamerijk en het Kamerijkse|Kamerijk]] verleenden pas veel later in de geschiedenis (in de 7e eeuw) toegang aan het christendom. De [[Morienen]] bijvoorbeeld hingen in de 4e eeuw nog voort hun [[Keltische religie]] aan. En het feit dat hun [[missiebisschop|apostel]] [[Sint-Vitricius]] uit het verre [[Rowaan]] moest komen, toont aan dat de kerkelijke inrichting daar nog nergens stond. En in het noorden was het christendom slechts zeer oppervlakkig aanwezig geweest en weer verdwenen in de 5e eeuw, samen met de geromaniseerde bevolking die zich door het opdringen van Germaanse stammen zuidwaarts liet verdrukken.

Toen de Frankische koning [[Clovis I]] (Chlodovech) zich tot het christendom bekeerde was dit vooral een politieke daad, die onmiddellijk navolging vond bij zijn hovelingen, de krijgslieden die hem bij de verovering van Gallië hadden vergezeld. Maar ten noorden van het [[Kolenwoud]] vond dit toen bij de bevolking die zich daar inmiddels gevestigd had geen navolging. De Kerk slaagde er zelf ook niet in de noordelijke Franken hun oude gewoonten en geloofspraktijken te doen afzweren.

In de 7e eeuw werden de bisdommen van [[Bisdom Atrecht|Atrecht]], [[Bisdom Doornik|Doornijk]] en [[Aartsbisdom Kamerijk|Kamerijk]] ingericht. Die vielen toen onder de [[Kerkprovincie]] Reims (de vroegere Romeinse provincia [[Belgica Secunda]]), die uiteindelijk tot [[Belgische rooms-katholieke kerkprovincie]] zou worden. [[Germania Secunda]] was intussen de [[kerkprovincie Keulen]] geworden waartoe ook de [[Civitas Tungrorum|civitas Tongeren]] al vrij vroeg behoorde. Dit centrum is in de 6e en 7e eeuw een tijd naar Maastricht verplaatst geweest tot in 720. Toen werd het [[bisdom Luik]] opgericht.
De afgrenzing van de bisdommen was net als die van de seculiere gouwen grotendeels gebaseerd op de oude ''civitates'' (zelf destijds de Romeinse afbakening van de door Keltische en Kelto-Germaanse stammen bewoonde gewesten). Daardoor werden de oude hoofdplaatsen daarvan ook de bisschopszetels, zoals Doornijk, Therouanne, Tongeren, Trier...

Bij de zogenaamde ''[[tweede kerstening]]'' waren in het noorden vooral Engelse en Ierse [[missiebisschop]]pen zoals [[Willibrord]], [[Bonifatius (heilige)|Bonifatius]] en [[Adelbert van Egmond]] en door hen bekeerde Friezen, naast Franken actief. Dit leidde in naam tot de oprichting van het [[Kerkprovincie Utrecht|bisdom Utrecht]], waarvan de stad Utrecht de zetel werd, maar in de praktijk waren het de kloosters die bij het missioneringswerk een actieve rol speelden, toen het bisdom nog niet duidelijk afgebakend was. Ook nabij het latere Gent was dit het geval, waar de Aquitaanse monnik [[Sint-Amandus]] in de vroege 7e eeuw als eerste katholieke nederzetting in het land der Saliërs een Benedictijnenklooster stichtte, zoals hij ook in [[Echternach (stad)|Echternach]] (Luxemburg) deed. Het [[Land van Maas en Waal|land tussen Maas en Waal]] en het gebied rond [[Nijmegen]] behoorden tot de [[Kerkprovincie Keulen]]. En Karel de Grote zou districten in het noorden en het oosten aan het [[bisdom Münster]] toewijzen.

De [[kerstening van de Friezen]] die in de 7e eeuw begon kende meermaals een terugval. Maar de harde hand van Karel de Grote gaf eind 8e eeuw voor hen die door de missionerende bisschoppen niet overtuigd werden de doorslag. Vooral de Saksen werden met [[Saksenoorlogen|uitzonderlijk geweld]] gedwongen tot het christendom toe te treden. De [[Oudsaksische doopgelofte]] moest daarbij als toets dienen, gevolgd door de [[Indiculus superstitionum et paganiarum]].

En zo veranderde het [[cultuurlandschap]] in de Lage Landen in belangrijke mate, hoewel boven de rivieren het feodale hofstelsel, vanwege de aard van het landschap, vrijwel niet werd toegepast.
Aan belangrijke "''[[Heidendom|heidense]]''" feestdagen werden christelijke feestdagen gekoppeld. "''Heidense''" gewoonten werden overgenomen. Op heilige plaatsen op het platteland, vaak aangegeven door een typische [[Boomheiligdom|boom]] zoals een eik of taxus, werden kapellen of kapelletjes gebouwd. Kerken en kloosters werden gesticht en om het land efficiënter te exploiteren werden nederzettingen verplaatst of anders ingericht en nieuwe gesticht. Ook ging Karel weer over op een actieve wetgeving met het uitvaardigen van ''[[capitularia]]'' die deels het bestaande [[gewoonterecht]] vervingen. In de eeuwen daarna zou het christelijke geloof zich aanpassen en volledig doordringen in de samenleving.
[[Bestand:Codex egberti - egbert.jpg|miniatuur|''[[Codex Egberti]]''<br /> De adel hielp mee aan de kerstening en gebruikte de verbondenheid met de paus om de onafhankelijkheid van de Kerk ten opzichte van de keizer te bevorderen.]]

==== Sociale klassen ====
Na het [[Leenstelsel#Laat-Romeins leenstelsel|leenstelsel van de Romeinse tijd]] ontstond het [[feodalisme]] uit de gewoonte van de vorst om verdienstelijke personen een [[Leen (feodalisme)|leen]] (beneficium) als bron van inkomen toe te kennen. Dat bestond meestal uit een stuk grond van het rijk dat zijn eigendom was, van variabele omvang, waarmee de [[leenman]] er als [[vazal]] moest in slagen niet alleen zichzelf en zijn familie te onderhouden, maar ook een legertje [[ridder]]s. Die dienden het leen te beschermen, en konden in geval van oorlog ter beschikking van de vorst worden gesteld. Het leen kon van bescheiden omvang zijn, maar desgevallend uitgestrekte landerijen, en zelfs tot een hele provincie beslaan. Men heeft berekend dat een leen 15 à 30 boerenfamilies moest bevatten om in die hoedanigheid leefbaar te zijn. De oppervlakte werd aanvankelijk dan ook gekozen in functie van dat aantal en de uitgestrektheid was bijkomstig. De boeren waren [[horige]]n, zij behoorden bij het land. Ook [[laten]], een overblijfsel van het Romeinse slavensysteem, hoorden daarbij. Naast een leen konden eveneens ambten en geldelijke renten worden toegekend aan de leenman. Een leenman kon verder stukken van zijn leen aan ondergeschikte leenmannen toekennen, waardoor een [[feodale piramide]] ontstond. [[Manheid]] was de eed van trouw waarmee de leenman zich aan zijn leenheer verbond, maar gold ook als term voor het leen zelf.

Vervolgens waren er de [[vrije]]n (liberi, ingenui), die zich tot dienst aan de vorst verbonden door een eed om deze bij te staan in een ambt van legerdienst of rechtspraak. Indien een vrije sneuvelde in de oorlog, dan moest een [[weergeld]] aan zijn familie worden uitgekeerd van 200 ''solidi''.
De ''homines Franci'' of ''ingenui Franci'' kwamen voornamelijk in de regio van de grote rivieren voor en waren edelen die afstamden van degenen die zich waarschijnlijk reeds van bij het begin van de Frankische veroveringen hadden verdienstelijk getoond in de naburigheid van de vorst.

De klasse van [[ridder]] is ontstaan uit vrijen die zich in dienst stelden van een vorst (''milites'') om diens goed te beschermen en daarvoor van hem een eigen - kleiner - leen ontvingen. Met de opbrengst daarvan kon een ridder zich een paard veroorloven. Hoe meer ridders een leenman in dienst had, des te minder rechtstreekse inkomsten hij van zijn leen genoot. De neiging bestond daardoor [[bede (belasting)|bede]]n aan de horigen telkens weer te verhogen. Toch bleven de ridders zelf betrekkelijk arm en moesten vaak mee de hand aan de ploeg slaan. Sommigen gingen zich in de wapenhandel vervolmaken. In vredestijd organiseerden zij [[steekspel]]en. Het waren betrekkelijk ruwe lieden, die gemakkelijk ook met elkaar in de clinch gingen. In de 11e eeuw was de ridderschap in alle streken talrijk vertegenwoordigd. Geleidelijk ging deze klasse dezelfde levenswijze volgen als die van de edelen en na enkele generaties ging zij helemaal in de adel op.

De koning, later keizer, was de enige wettelijke eigenaar van het rijk, en wanneer een vazal overleed kwam zijn leen in feite terug aan de koning toe. Mettertijd ging de leen in de praktijk echter steeds vaker op een erfgenaam van de vazal over. Toen Karel de Grote tot keizer werd gekroond, werden de koningen vazallen van de keizer, die nu het ganse rijk in eigendom bezat, maar hen hun koninkrijk tot leen gaf.

Na de Frankische aristocratie is ook de aristocratie van Lotharingen, Holland en Vlaanderen ontstaan uit de factoren die overal in Europa het leenstelsel stichtten. Toenemende concentratie van eigendommen in handen van een gering aantal machtige families, en verzwakking van de klasse der vrijen, die in vazalschap overgingen, was algemeen. Ook de kerkelijke hogere ambten geraakten meer en meer in handen van adellijke verwanten.

Doordat de ''pauperes liberi homines'' (de arme vrije lieden) hun ‘''[[messeniede]]''’ aan wereldlijke dynasten of aan kloosters afstonden, of aan de voogdij van een grooteigenaar onderworpen, ontstond aldus naast de lijfeigenen, afstammelingen van Romeinse of Germaanse slaven, een uiterst talrijke klasse van halfvrijen (cijnslieden, messenielieden, kerkhorigen, laten of grondhorigen), die zowat alle onedelen (''villani'') omvatte.

==== Economie en rechtspleging ====
[[Landbouw]] betekende de grootste bron van inkomsten. Bij de val van het Romeinse Rijk gingen de grote afgezonderde landbouwondernemingen benoorden de lijn Boulogne - Maastricht, over Sint-Omaars, Dowaai en Bergen, gewoon door met de dagelijkse orde van hun [[hofstelsel]]. In de [[Gouw (Germaans)|gouw]] ten zuiden van die as daarentegen treft men vooral dorpen aan. De grote domeinen van Artesië, Henegouwen en het Naamse bleven intact bij de invallen van Franken en Germanen en in de Frankische tijd nam hun aantal zelfs eerder toe, ten koste van het kleineigendom. Tegen het begin van de 10e eeuw waren enkel in de kuststreken nog vrije boeren, evenals in de Kempen en de heiden van Noord-Brabant. Daar vormden de families geen dorpen, maar leefden verspreid. De heidebewoners probeerden moerassen droog te leggen en grotere stukken heide vruchtbaar te maken.

In het kustgebied waar ooit de Morienen aan [[schapenteelt]] deden, namen de Fries-Saksische inwijkelingen uit de 5e eeuw dit voorbeeld al over en zetten het voort. Ook de zeevisserij bloeide daar op, meer bepaald de [[haringvisserij]]. Maar ondanks hun kleine boten wisten ze ook [[walvis]]sen buit te maken, die tot in de 12e eeuw nog talrijk in de Noordzee rondzwommen.

In Holland en Friesland leverde [[visserij]] en [[veeteelt]] en de verkoop van de producten daarvan de belangrijkste bron van inkomsten. [[Dorestad]] in het riviergebied zuidoost van Utrecht werd daarmee al vroeg een handelscentrum, waarvan het belang bij opname in het Frankische rijk alleen nog maar toenam. Het kende een hoogtepunt onder [[Karel de Grote]] en diens zoon en opvolger [[Lodewijk de Vrome]] (814–840). Door de opname in het Frankisch Rijk kreeg Friesland een aanzienlijk hinterland ten zuiden en ten oosten van Maas en Rijn. Door de vaart op Scandinavië werd het hiermee mogelijk de draaischijf voor een vrij omvangrijk handelsnet uit te bouwen. Karolingische munten die in Dorestad zijn gevonden tonen het belang ervan aan. In het Scheldegebied (het latere Vlaanderen) werd [[textiel]] geproduceerd en werden kleren gemaakt, die mee werden verhandeld. Ook werden Doornijk, Gent, Brugge, Antwerpen, Dinant, Namen, Hoei, Luik en Maastricht al vroeg kleine [[handel]]scentra, dankzij het transport op Schelde en Maas.

Elders dan in de halfwoeste en moeilijk genaakbare streken hadden de ''pauperes liberi homines'' (de arme vrije lieden) hier hun ‘''[[messeniede]]''’ aan wereldlijke dynasten of aan kloosters afgestaan, of waren aan de voogdij van een grooteigenaar onderworpen.

[[Bestand:Plan mediaeval manor.jpg|miniatuur|Plattegrond van een fictieve [[vroonhoeve]], (''William R. Shepherd 1923'')]]
Ten zuiden van de taalgrens en van de scheidslijn tussen het noordelijke hofstelsel en het zuidelijke [[dorpsstelsel]] ontstonden onder impuls van de Kerk al vroeg uitgebreide [[klooster]]domeinen, vergelijkbaar met die in het Duitse gedeelte van het rijk, maar kleiner en talrijker. De oorspronkelijke goederen van de oudste abdijen kregen er van bij het begin van de Frankische monarchie de [[hofstelsel|domaniale inrichting]] die in de grote eigendommen van Gallië gold. In het Karolingisch tijdperk werd deze enkel nog bevestigd. De maatschappelijke invloed van de kloosters, die onderling met elkaar in verbinding stonden, was vergelijkbaar met die van de steden in de komende eeuwen. Zij legden een eerste basis voor de grootschalige landelijke economie. Kleine eigenaars en vrijgekomen lijfeigenen traden in dienst van deze kloosters door ‘''hunne vrijheid in eene vrijere dienstbaarheid te verwisselen''' zoals in de [[handvest|charter]]s werd vermeld. Daardoor genoten zij in tijden van misoogst ruimere bescherming en hoefden hun lastdieren dan niet te verkopen. Het kerngebied (''terra indominicata'') werd zoals overal in Europa bewerkt door de lijfeigenen van de meester, het andere deel bestond uit leengoederen die erfelijk waren.

Ieder [[vroonhof]] was de stapelplaats van de in natura geleverde hoofdgelden, die aan de heer verschuldigd waren door het ''ministerium'' waarvan het de hoofdplaats was. Tegelijk gold het als zetel van een rechtbank waar, onder voorzitterschap van een verkozen en tot de 11e eeuw afzetbare [[Meier (bestuur)|meier]], zeven in de ''familia'' gekozen onafzetbare schepenen rechtspraken. Meiers deden dus meer dan enkel cijnzen en lasten van de grondhorigen ontvangen. Ze waren dan ook zorgvuldig gekozen onder de beste [[Ministeriaal|ministeriales]]. Boven deze kleine rechtbanken (''laathoven'') stond het hof van een abt van een hogere [[vierschaar]].

[[Bestand:Vierschaar Moregem.JPG|miniatuur|Natuurvierschaar te [[Moregem]]]]
De seculiere leenmannen daarentegen waren zelf rechter en partij in geval van betwistingen in verband met horigen en laten. Zij richtten zich voornamelijk op de inning van de opbrengsten en bekommerden zich verder weinig om het lot van de landwerkers. De graven van Vlaanderen slaagden er als eersten in om het beheer over inkomsten aan een [[Kanselier (historisch)|kanselier]] toe te vertrouwen. Tussen hen en hun laten stonden de [[notaris]]sen. Als graaf, burggraaf of voogd oefenden de leenmannen het openbaar gezag uit, lichtten van de boeren een jaarlijkse [[Bede (belasting)|bede]] en lieten hen werken bij het bouwen en herstellen van hun vestingen. In tijden van grote werkloosheid door overbevolking lieten de graven van Vlaanderen dijken bouwen, moerassen droogleggen en grondverbeteringswerken uitvoeren. Verder legden ze de boeren het [[herbergrecht]] op, wat inhield dat graven zich overal konden heen begeven en er voedsel en tijdelijk onderdak opeisen. Er zijn dan ook nogal wat klachten door de kloosterlijke kroniekschrijvers opgetekend over de soms al te zware last die de boeren moesten dragen. Gebruik makend van hun middelen trachtten de heren zeer vaak hun bede te vergroten.

=== Verval van het Frankische Rijk ===
[[Bestand:Verdun Treaty 843.svg|miniatuur|Karolingische Rijk na het Verdrag van Verdun in 843.]]
[[Bestand:Deling Prüm 855.png|miniatuur|Verdere verdeling na Prüm.]]
De regeerperiode van zoon [[Lodewijk de Vrome]], aan wie Karel de Grote zijn keizerrijk had overgedragen, luidde het verval van de Karolingische dynastie in. Na de dood van Karel in 814 gingen de [[Vikingen]], die intussen met de eerste pogingen tot kerstening te maken hadden, in het noorden aan het plunderen en hun aanvallen namen in omvang toe en verspreidden zich. In 840 braken zowel interne als grensconflicten uit. Zijn zonen bestreden elkaar om de heerschappij en intussen begonnen na Vikingen ook [[Magyaren]] en [[Saracenen]] het rijk binnen te vallen. De invallen van de Vikingen hadden het grootste impact op de Lage Landen. Maar om orde op zaken te stellen werd na de dood van Lodewijk de Vrome in 843 door het [[Verdrag van Verdun]] bepaald dat het ganse rijk in drie zou worden verdeeld tussen de kleinzonen van Karel de Grote: een [[West-Francië|West-Frankisch Rijk]] (''Francia Occidentalis''), een [[Oost-Francië|Oost-Frankisch Rijk]] (''Francia Orientalis'') en daartussen een [[Midden-Francië|Midden-Frankisch Rijk]] (''Francia Media''). De Lage Landen kwamen grotendeels in ''Francia Media'' te liggen, dat echter niet lang stand hield.

Met het [[Verdrag van Prüm (855)|Verdrag van Prüm]] werd na de dood van keizer [[Lotharius I]] dit Middenrijk (''Regnum quondam Hlotharii '') nog eens onder zijn drie zoons verdeeld, waarbij [[Lotharius II]] het noordelijke deel verkreeg. Dat werd het koninkrijk [[Midden-Francië|Lotharingen]] (''Lotharii Regnum''). Daartoe behoorden het huidige Nederland, Brabant en de Ardennen, het Rijnland, de Elzas en het huidige Lotharingen. Het gebied west van de Schelde met Vlaanderen, Henegouwen en Artesië bleef bij [[West-Francië]] ingedeeld.

Het Rijk der Franken had nu al vier koningen en een keizer van twee verschillende generaties. De ''broederlijke samenwerking'' kwam hiermee aardig op de tocht te staan.
In 870, een jaar nadat Lotharius II kinderloos overleed, werd het koninkrijk Lotharingen door het [[Verdrag van Meerssen]] bij Maastricht nog eens verdeeld tussen het West-Frankische Rijk, waar het latere Frankrijk uit ontstond, en het Oost-Frankische Rijk, het latere [[Heilige Roomse Rijk]], en zou nog lang betwist gebied blijven. De [[Schelde (rivier)|Schelde]] werd de uiteindelijke grens. Desondanks waren de rivieren niet alleen scheidingslijn, maar tegelijk ook bindend element, omdat ze transport en communicatie vereenvoudigden. Ook het gezamenlijk christelijk geloof zorgde over grenzen van taal en ras heen dat de bevolking zich verbonden voelde. De aangrenzende gebieden groeiden hierdoor langzaam naar elkaar toe.

In het noorden was de feitelijke macht in handen van de Vikingen en Friezen. In 826 was Friesland een Deens rijk geworden onder de Vikingen [[Harald (broer van Rorik)|Harald]] en [[Rorik]], dat daarna maar in leen werd gegeven door de keizer.

==== Strijd tegen de Vikingen ====
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van de Vikingen}}
Toen Karel de Grote stierf in 814 gingen de [[Vikingen]], die intussen met de eerste pogingen tot [[kerstening]] te maken hadden gekregen, in het noorden meteen aan het plunderen en hun aanvallen namen in omvang toe en verspreidden zich naar het zuiden toe. In 815 was [[Lodewijk de Vrome]] [[Jutland]] binnengevallen. Hoewel de [[Danevirke]] geen hindernis bleek, wisten de Denen zich op het eiland [[Funen]] te verschansen, beschermd door een overmacht ter zee. De Franken hadden zich toen na enige tijd onverrichter zake terug moeten trekken.

[[Bestand:Vikings fight.JPG|miniatuur|Moderne evocatie van een Vikingstrijd]]
Lodewijk de Vrome zette daarna de uitbouw van een kustverdediging tegen de "[[Noormannen]]" verder, maar dit haalde weinig uit. Kloosters en kerken met hun concentraties aan schatten waren het voornaamste doelwit van de Vikingen en ze begonnen met deze buit voor ogen de winters door te brengen in de Lage Landen. [[Dorestad]] werd tussen 834 en 837 vier keer door hen verwoest.

In 866 en 882 vonden Vikingaanvallen plaats in de IJsselstreek waarbij handelsplaats en kerkelijk centrum [[Deventer]] en de hof en nederzetting van [[Zutphen]] werden geplunderd. In 882 bezetten Vikingen zelfs het [[Valkhof]] te Nijmegen om er te overwinteren.

Rond kloosters en steden werden muren opgetrokken en er werden zelfs tegenaanvallen tegen tijdelijke Vikingvestigingen uitgevoerd om ze te verjagen. Met dergelijke procedures slaagden de graven van Vlaanderen erin om alvast een stevige basis voor hun machtspositie te leggen. Een andere verdedigingstactiek bestond erin met Vikingen een pact aan te gaan door hen een gebied toe te wijzen op voorwaarde dat zij het tegen andere Vikingen zouden verdedigen. Dit leidde bijvoorbeeld tot het ontstaan van het [[Normandische Rijk]].

Na 900 verminderde de ''plaag uit het noorden'' en hield helemaal op, terwijl de Vikingen tenslotte toch overgingen tot het christendom en zich vooral in de kustgebieden in de Lage Landen integreerden.

== Ontwikkeling van de territoriale hoofdgebieden en opkomst van de steden (925-1350) ==
In de tiende eeuw was er aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren een eind gekomen. De daarop volgende stabiliteit had vanaf de elfde eeuw een expansiebeweging en een groeiende neiging tot [[territorialisering]] tot gevolg. In de 10e eeuw was het land nog bedekt met dichte groepen ''vrijgoederen'', die de hoge adel toebehoorden, en leengoederen, waar zij de opbrengst van genoten. De periode tussen ongeveer 925 en 1350 zag de ontwikkeling van wereldlijke en geestelijke [[Landsheerlijkheid|landsheerlijkheden]] uit die onoverzichtelijke lappendeken van kleine graafschappen. Een aantal feodale heren wisten hun gebied en gezag uit te breiden ten koste van hun buren. Overal bemachtigden zij de voogdij over kerkgoederen en clerici. Het hele landschap werd aangepast. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en grond ontgonnen. Er werden burchten en wallen gebouwd. Die gaven nadien meestal de plaatsen aan waar steden ontstonden. Deze veranderingen worden wel eens samengevat onder de noemer [[Renaissance van de twaalfde eeuw]].

=== Opkomst van seculiere landsheerlijkheden ===
[[Bestand:Low Countries Locator Flanders.svg|thumb|[[Graafschap Vlaanderen]].]]
De plaatselijke graven hadden tegen het eind van de 9e eeuw hun gezag aanzienlijk versterkt door zich in de strijd tegen de Vikingen als beschermheren van kerk en volk te onderscheiden. Daartoe hadden zij verdedigingswerken laten optrekken als burchten en wallen, en ridders opgeleid en ingehuurd. Hun band met het rijk werd losser en ze voegden een aantal pagi tezamen die door een [[burcht (kasteel)|burcht]] verdedigd werden. Zo wisten de [[graven van Vlaanderen]] de ''pagi Flandrensis, Rodanensis, Gandensis, Curtracensis, Iserae, en Mempiscus'' onder de noemer van 'de Vlaanders' te verenigen. Het hele gebied werd door hen versterkt door nieuwe citadels of restauratie van oude Romeinse. Dat waren vaak hoger gelegen ommuurde ruimten, waarbinnen zich de versterkte burcht, de kerk en het verblijf van de adellijke familie bevond, eventueel met nog wat dienstbaarheden. Aan de voet van de citadel lag de plaatselijke nederzetting van waaruit de bevolking in geval van grote dreiging zich binnen de muren kon verschansen. Daar ontstonden later de steden.

In het noordelijk kustgebied verwierf Vikingaanvoerder [[Gerolf van Holland|Gerulf]] rond 885 al rechten over een aantal graafschappen tussen Maas en Vlie (''Masalant, Kinnem, Texla, Westflinge'', en een district onder de naam ''Circa oras Rheni'': 'weerszijden de Rijn gelegen'). Het waren zijn afstammelingen die zich daar als [[graven van Friesland]] wisten te handhaven. Na 1100 namen deze de titel van [[graven van Holland]] aan.

[[Bestand:Antwerpen1477.png|miniatuur|De [[markgraafschap Antwerpen|mark Antwerpen]] in [[Toxandrië]] (Brabant) tussen Vlaanderen en Luik (1477)]]
In de regio oost van de Schelde, waaronder Brabant, Gelderland, werd deze ontwikkeling van ‘''domini terrae''’, of ‘''principes''’ iets later ingezet, maar ze week er niet echt af van die in Vlaanderen en Holland. Wel poogden de Duitse koningen van de Saksische en Salische dynastie de alsmaar sterker wordende seculiere [[Landsheerlijkheid|landsheerlijkheden]] er hun gezag op te leggen door het benoemen van [[hertog]]en. In [[Hertogdom Lotharingen|Lotharingen]] kreeg [[Bruno van Keulen|Bruno]], aartsbisschop van Keulen en broer van [[Keizer Otto I de Grote|Otto I]] (936–973), de titel van hertog. Deze splitste het toen op in Opper- en Neder-Lotharingen. De graven van Leuven en van Limburg werden vervolgens hertogen van [[Neder-Lotharingen]], dat door de eersten Brabant werd genoemd terwijl de laatsten zich [[hertogen van Limburg]] noemden. In Lotharingen was de Duitse keizer een stuk machtiger doordat hij met het [[rijkskerkenstelsel]] bisschoppen met wereldlijke macht bedeelde en daarmee dynastievorming tegenging.

[[Prinsbisdom Luik|Luik]] wist zich tot een sterk prinsbisdom te ontwikkelen dat uiteindelijk nooit onder volledig wereldlijk gezag van achtereenvolgens de Bourgondiërs, Habsburgers en Oostenrijkers kwam te staan. [[Sticht Utrecht|Utrecht]] daarentegen moest door de eeuwen heen voortdurend territorium inleveren aan andere landsheren, om uiteindelijk onderdeel te worden van de Habsburgse Nederlanden.

[[Bestand:Map France 1030-fr.svg|miniatuur|Graafschappen en hertogdommen als lenen van [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] rond 1030]]
Hertogen en graven genoten voort hun verworven rechten uit de Karolingische periode, aangeduid met de term ''[[graaf (titel)|comitatus]]''. Zo verenigden zij de bestuursmacht met de juridische en militaire, en hadden het recht om tol en boetes te heffen. Verder oefenden zij nog de rechten krachtens hun gezag als ambtenaren uit op de onbebouwde gronden, wouden, duinen, heiden. Daardoor beschikten zij over een ontzaglijk reservekapitaal aan grond. Naarmate het land ontgonnen, de zee en de stromen ingedijkt werden, groeide hun domein nog meer en ontstonden nieuwe inkomsten voor hun schatkist. Zo breidde de macht der ''[[potentes]]'', de titel die hun door de oorkonden gegeven werd, zich overal uit al waren zij nog geen wezenlijke vorsten.

Tegen het begin van de 11e eeuw waren de vroegere graafschappen echter in de leenroerige vorstendommen ingelijfd. Enkele uitgebreide grondgebieden namen de plaats in van de talloze kleine pagi van het vroegere tijdvak. Graafschappen als Haspengouw, Condroz, Mempiscus, Lomme, Maasgouw enz. waren thans enkel nog topografische benamingen. De vorsten verwierven hun rechtstitel, zich baserend op de [[godsvrede]], door inmenging van de Kerk in het aartsbisdom Reims ontstaan, door ''beschermers van de vrede'' in hun grondgebied te worden. De grafelijke domeinen werden in omschrijvingen verdeeld, die elk aan een burcht verbonden waren. Daar was een [[notaris]] de ambtenaar die zorgde voor de inningen en de boekhouding. Verder werd een [[burggraaf]] als verantwoordelijke aangesteld, in feite als vazal van de graaf, en hoofd van een [[kasselrij]] (''castellania''). De burchten fungeerden als hoofdplaatsen van het land. Binnen hun muren trof men naast een woning voor de graaf en één voor de burggraaf, opslagruimtes, spijskelders en een gewelfde kamer voor de schat. Boven de ringmuur verhief zich een kerktoren. En langs de muur waren de slaap-, woon- en eetkamers der kanunniken. De overige ruimte werd ingenomen door de zetelplaats van het schependom, en woningen van ridders en kapelaans.

De bisdommen waren in die streken van bij hun aanvang te zwak om hun onafhankelijkheid te bewaren, en de graven traden op als hun verdedigers, wat ze in een van hen afhankelijke positie plaatste. In de 10e eeuw waren sommige graven zelf tegelijk [[lekenabt]]. Ten gevolge van de kloosterhervorming werd hen wel het recht op aanstellen van abten ontnomen, maar ze konden naar believen [[kapittel]]s stichten en vrij de [[proost]]en der collegiale kerken benoemen. Binnen de kapittels kozen zij eveneens notarissen en kapelaans, die ze met geschenken overlaadden.

[[Bestand:Conquetes Philippe Auguste.gif|{{Largethumb}}|Groei van de huismacht van de Franse koning onder Filips II]]
Door over de benoemingen voor kerkelijke functies te beslissen verhoogden de graven hun invloed aanzienlijk en genoten zij thans ook inkomsten uit de landerijen van de kloosters. De supervisie van de religieuze ambtenaren en instellingen in het gebied, voornamelijk de kloosters, was een belangrijke machtspijler van het graafschap geworden. In Vlaanderen werden de kloosters van St. Vaast (bij Atrecht), St. Amandus (aan de Scarpe), St. Bertinus (bij St. Omer), en St. Bavo en St. Pieter (in Gent) machtscentra behorend tot de graven van Vlaanderen. Voor de hertogen van Brabant waren dat Nijvel en Gembloers en in Holland waren het Egmond en Rijnsburg.

Landsheerlijkheden als het [[graafschap Vlaanderen]], [[hertogdom Brabant]], [[hertogdom Gelre]] en het [[graafschap Holland]] groeiden vanaf ca. 1100 uit tot praktisch onafhankelijke vorstendommen.

=== Ontstaan van kerkelijke landsheerlijkheden ===
In Lotharingen had een gelijkaardige ontwikkeling van de graafschappen plaats, maar die gebeurde daar later en langzamer dan op de linkeroever van de Schelde en er speelde ook een andere factor mee. Het feit dat de keizer systematisch bisschoppen en abten met seculiere macht bekleedde en hen een leengoed toekende, maakte deze tot pijlers van het koninklijk en keizerlijk gezag (wat in Oost-Francië uiteindelijk zelfs tot de instelling van de keizerlijke Reischskirche zou leiden). De kerken genoten immuniteit over hun bezittingen en daar konden de bisschoppen hun seculiere macht en rechten op laten gelden. Hierdoor konden binnen deze kerkelijke gebieden de graven en hun ondergeschikten hun functie niet ongehinderd uitoefenen. Toen de koningen besloten aan de bisschoppen de macht van graven toe te kennen om bepaalde gebieden die niet onder de immuniteit vielen te dekken, werd de bisschoppelijke macht nog vergroot.

De belangrijkste kerkelijke landsheerlijkheden in de Lage Landen werden die van [[Prinsbisdom Luik|Luik]] en [[Sticht Utrecht|Utrecht]], evenals [[Aartsbisdom Kamerijk|Kamerijk]], (hoewel dit tot de Franse kerkprovincie van Reims behoorde, ook al bevond het zich dan binnen het Heilige Romeinse Rijk).

[[Bestand:Sticht-Oversticht Utrecht.png|miniatuur|Grondgebied van het Sticht Utrecht vanaf 1024]]
De [[Kerkprovincie|kerkelijke provinciën]] vertegenwoordigden nog steeds, over de grenzen van de leenroerige Staten heen de oude Romeinse civitates. Kamerijk bevatte een deel van Vlaanderen, van Henegouwen en van Brabant. Omdat het tussen Vlaanderen en Henegouwen geprangd zat, speelde het heel de middeleeuwen door slechts een onbeduidende rol. Het sticht Utrecht strekte zich tot ver in Friesland uit. Het bestond uit een verzamelde combinatie van immuniteitsrechten, bepaalde juridische machten, regalia en ban-immuniteiten. Het vormde als district van het [[Bisdom|diocees]] daarmee een seculiere autoriteit, met een uitgebreide complexe machtsstructuur. Maar dit kon niet verhinderen dat het vroegtijdig in de macht van het graafschap Holland viel.

[[Bestand:Prince-Bishopric of Liége (topogaphy)-nl.png|thumb|[[Prinsbisdom Luik|Luik]] (tweede helft 14e eeuw).]]
Het vorstendom Luik daarentegen kon door de eeuwen heen zijn onafhankelijkheid bewaren en was om zijn vrij centrale geografische ligging betrokken bij zowat alle oorlogen en verwikkelingen die zich in de [[Nederlanden]] afspeelden. Het ontstond uit een kern van kerkelijke domeinen, waar de keizers vanaf de 10e eeuw hoogheidsrechten en landgoederen als schenkingen aan toevoegden. De keizers waren niet zo gelukkig met de zich verzelfstandigende seculiere graafschappen en poogden door een op de Kerk gerichte politiek daar een tegengewicht voor te scheppen. Aan Luik werden allerlei vervallen of aan rebellen ontnomen graafschappen, burchten, tolhuizen, wouden enz. toegevoegd, zodat dit bisdom een wel zeer complexe grillige vorm aannam. Als geografisch curiosum onderscheidde het zich alleszins van de wereldlijke vorstendommen. Rond een centrum, gevormd door Luik, Sint-Truiden en Hoei in Haspengouw strekte het zich uit tussen de Neder-Maas en de Semois. Het was tweetalig zoals Vlaanderen, maar desondanks een hecht samenhangend gebied. Ook Mechelen behoorde hiertoe, al was dit verder volledig door Brabant ingesloten, en Dinant, Fosse, Couvin, eveneens afgezonderd, te midden Henegouwen en Namen. In de tijd dat de wereldlijke leenvorsten alsmaar machtiger beginnen te worden, reageren de bisschoppen met de aanleg van een netwerk van vestingen. Begin 11e eeuw bouwde [[Balderik II]] in [[Hoegaarden]] een slot om de invallen van de graven van Leuven te stoppen.

De [[Luik (stad)|''stad'' Luik]] was al vrij vroeg in de geschiedenis door de Duitse kerk gesticht. Reeds in 881 werd ze door de Noormannen verwoest. De ligging van Luik midden in de bossen was ongunstig ten opzichte van Maastricht, dat in open land en langs de grote heirbaan lag. Maar de eerste prinsbisschop [[Notger]] maakte tussen 927 en 1008 van Luik een vooraanstaand intellectueel kerkelijk centrum, en haar culturele functie bewaarde deze door de middeleeuwen heen. In 985 verwierf hij reeds de rechten op het graafschap Hoei. Aan het begin van de 11e eeuw telde de stad, behalve de domkerk, zeven collegiale kerken en twee grote kloosters. Notker en later [[Wazo]] zorgden voor een ommuring en [[Reginard]] bouwde een stenen brug over de Maas. Uit alle gewesten lokte de stad studenten. De bisschop liet zich omringen door een hof van ridders, [[ministerialen]] en geestelijken. Verder waren er in de stad voortdurend vreemdelingen om allerlei wereldlijke zaken te behartigen. Daarmee was Luik voor het verschijnen van de handelssteden de meest levendige en bevolkte plaats van de Nederlanden, en in zekere zin een hoofdstad, niet te vergelijken met de 'burchten' van Vlaanderen, Henegouwen, Brabant enz. De bisschoppelijke zetel van het prinsbisdom was permanent in deze stad gevestigd. Dit in tegenstelling tot de seculiere graafschappen, waar de bestuurszetel voortdurend werd verplaatst, terwijl de vorst met zijn hof van de ene burcht naar de andere trok om er de oogst van zijn domeinen in ontvangst te nemen. In Luik behoorde het hele patrimonium van Sint-Lambrechts bij de hoofdstad van het bisdom en leefde de talrijke bevolking van de inkomsten ervan.

Als prins waren de bisschoppen van Luik evengoed vazallen van de koning met net als de seculiere vorsten adviserende zowel als militaire verplichtingen. Maar het voordeel voor de koning was dat de bisschoppen geen dynastie stichtten, die dan voor eigen rekening zou gaan werken. De benoemingspolitiek van de koningen zorgde voor een al dan niet vlot verloop van de werking ervan. De Duitse koningen maakten van het prinsbisdom Luik dan ook handig gebruik om hun positie in Lotharingen te verstevigen.

=== Sociale en economische structuur ===
[[Bestand:Rolandfealty.jpg|miniatuur|[[Roland (ridder)|Roland]] vouwt zijn handen ten teken van [[manschap]] aan [[Karel de Grote]]; uit een manuscript van een ''[[chanson de geste]]''.]]
Tussen 900 en 1350 bestond de sociale structuur in de [[Lage Landen]] voornamelijk uit een hiërarchie van territoriale vorsten, over leenmannen, naar een onderlaag van horigen en laten, kortom de [[Feodalisme|feodale structuur]]. De [[Leenheer|heer]] oefende absoluut gezag uit over een elite van [[leenman]]nen van wier land (''seigneuries'') en gunsten de [[Horige|horige boeren]] gebruik mochten maken en van wie ze dan ook volledig afhankelijk waren. Ze zagen zich bijvoorbeeld gedwongen, in ruil voor tegendiensten voornamelijk in de vorm van landbouw, gebruik te maken van de ovens, molens, brouwerijen, lastdieren en boerderijen die hun heer hen ter beschikking stelde en die hem toebehoorden. Hij verleende ook toezegging voor huwelijken, besliste over erfenissen en conflictzaken enz.

In de landbouwgebieden van Brabant, Henegouwen en Gelre en het Oversticht kwamen ook afhankelijken voor met een minder duidelijke status. Ze waren gebonden door allerlei diensten en betalingsovereenkomsten. Daarom kunnen ze mogelijk als [[vrije]]n worden gezien.

Vrijen (''liberi, ingenui'') die hun eigen land (''allodium'') in eigendom hadden kwamen in groten getale in Vlaanderen voor evenals in Zeeland, Holland en Friesland. Een vierde van de Vlaamse boeren bewerkte oppervlakten van slechts 2 tot 5 hectare, bijna de helft zat onder de halve ha. In deze kustgebieden waren de boerderijen door beken en gegraven afwateringskanalen van elkaar gescheiden. Ook afstammelingen van edelen die hun levensstandaard niet anders konden onderhouden dan door zich in dienst van een vazal te stellen, in Holland ''welgeborenen'', in Vlaanderen ''hooggeborenen'', ''hommes de lignage'' in Brabant en ''hommes de loi'' in Namen, stonden dicht bij de stand van deze vrijen.

[[Bestand:Cleric-Knight-Workman.jpg|miniatuur|De drie standen]]
Dan waren er nog de [[ridder]]s, meestal [[ministeriaal|ministerialen]] in de 12e eeuw, eveneens vrijen, die zich in ruiterdienst of andere functie met een heer verbonden in ruil voor een leen.

De [[clerus]] vormde een geheel eigen stand los van die van de [[Adel|edelen]] en de horigen van het [[leenstelsel]].

De bevolkingsaangroei in de Lage Landen, zoals in heel West-Europa, speelde als factor in de ontwikkeling van de sociale en economische relaties sterk mee. In de helft van de 11e eeuw werden heel wat onontgonnen gebieden tot landbouwgrond omgewerkt, dijken gebouwd en gebieden ingepolderd. Het landbouwgebied breidde zich dus snel uit, ook onder invloed van monniken, zoals [[cisterciënzen]] en [[premonstranten]], die volgens hun regel dit soort werk op zich namen om voor eigen landbouw te kunnen zorgen. Zij waren vooral in het kustgebied van Vlaanderen, Zeeland en Friesland actief in de strijd tegen de zee en bouwden zowel in de polders als aan de kust zelf dijken, waarmee gaandeweg ook meer land op de zee werd veroverd. Door grachten en sloten te graven kon het grondwaterpeil voldoende dalen om op het drooggekomen land vee te laten grazen, vooral schapen. De Friezen waren in dit werk baanbrekend. Als vrije mannen konden de kolonisten van het nieuwe land overal dijken en grachten aanleggen. Pas later gingen heren die zich als eigenaars van het gebied beschouwden regels opleggen en pachtgeld heffen.

De dorpen en steden breidden zich ook uit. En een jonge generatie die aan geen erfdeel meer geraakte trok er naartoe voor werk of stichtte nieuwe nederzettingen, ''villes neuves''.

In de 12e en 13e eeuw was er op die manier een spectaculaire toename van grondgebied ontstaan voor landbouw en de vestiging van nieuwe nederzettingen in Holland en Utrecht. In de eeuwen die daarop volgden werden [[raadschap]]pen opgericht die samengingen tot [[hoogheemraadschap]]pen, zowel in Vlaanderen, Zeeland en Holland als Utrecht. Er werden gespecialiseerde samenwerkingsverbanden in het leven geroepen voor het beheer van de waterwerken die enkel verantwoording bij de administratie van de graaf aflegden. De landeigenaars moesten bijdragen in de mate dat zij grond bezaten. Op die manier ontstond een solidariteitsgevoel waarop de inrichting van de gemeentelijke organisatie stoelde, dat uniek was in Europa. De heemraden werden door de landeigenaren verkozen. [[Dijkgraaf (waterschap)|Dijkgraven]] die als [[baljuw]] functioneerden stonden in Holland aan het hoofd van drie hoogheemraadschappen.

Eeuwenlang was van het [[hofstelsel]] gebruikgemaakt in de zuidelijke en oostelijke landbouwgewesten. In het westelijke en noordelijke deel van de Lage Landen kwam het [[dorpsstelsel]] in voege. Men hield er voornamelijk vee en kon de vrijgekomen tijd besteden aan visvangst en activiteiten zoals textielweverij. De handel werd hierdoor gestimuleerd en daar specialiseerden vooral de Friezen zich in met [[Dorestad]] als centrum. Graan werd vanuit het Rijnland ingevoerd, zout vanuit Vlaanderen en Friesland, ijzererts uit Saksen, en wijn, textielproducten en metalen voorwerpen kwamen al sinds mensenheugenis via Maas en Rijn vanuit het zuiden.

=== Handel en ontwikkeling van de steden ===
De ''Partes advallenses'', zoals de Lage Landen sinds de 13e eeuw ook wel genoemd werden, of ''de landen van ‘herwaarts over’'', functioneerden door hun geografische ligging reeds vroeg in de middeleeuwen als raakvlak voor de omringende culturen en nodigden uit tot vorming van verzamelplaatsen voor schippers en handelskaravanen. Deze handelslui zorgden toen voor nederzettingen aangeduid als ''[[portus]]'' (haven) of als ''[[vicus]]'' (handelswijk). Die lagen vaak nabij burchten of ommuurde kloosters. De havens en handelswijken sloten verder aan bij oude nederzettingen in de buurt en vormden aldus grotere economische eenheden die tot [[Stad|steden]] uitgroeiden.

Al zeer vroeg bepaalden deze het karakter van de Lage Landen. Steden als [[Tongeren]], [[Maastricht]] en [[Nijmegen]] dateren nog uit de Romeinse Tijd. Maastricht zou zeer spoedig een bijzondere plaats innemen als belangrijkste zetel van het kerkelijk instituut.

In het Schelde- en Maasbekken ontstonden nog voor de 5e eeuw de belangrijke plaatsen [[Doornik|Doornijk]] en [[Kamerijk en het Kamerijkse|Kamerijk]], [[Valencijn]] en [[Gent]] en tegen de 10e eeuw waren langs de Maas de steden [[Dinant]], [[Namen]], [[Hoei]], [[Luik]] en Maastricht tot volle wasdom gekomen. Ze dankten hun bestaan aan de erfenis van het Karolingische Rijk dat in die regio zijn centrumgebied had. Aan het Zwin breidde [[Brugge]] zich uit, waar Vlaamse, Waalse, Angelsaksische, Duitse en Friese kooplui elkaar ontmoetten, en dit kreeg daardoor van meet af aan een internationale uitstraling.
Ook in de Scheldevallei ontstond een dicht netwerk van steden. De meeste zijn hand in hand met de bevolkingstoename in de 9e eeuw opgekomen, toen ook het landbouwgebied werd uitgebreid, wat tot hogere productie leidde. Maar de bevolkingscentra waren eerder in handel en nijverheid gespecialiseerd. Ze breidden zich nog aanzienlijk uit in de 11e en 12e eeuw.

[[Bestand:Elf reproducties van Friese stadsplattegronden uit de Beschrijving van Heerlijkheydt van Friesland door Bernardus Schotanus a Sterringa uitgegeven in 1664 staveren.JPG|miniatuur|Historische kaart en stadsgezicht van Stavoren (1664)]]
Ook in het noordelijk deel van de Lage Landen begonnen zich steden te ontwikkelen, zoals [[Deventer]] en de handelsplaats [[Tiel]], dat de plaats van [[Wijk bij Duurstede|Duurstede]] innam, terwijl ook [[Utrecht (stad)|Utrecht]] lang als commercieel centrum functioneerde. Andere vroege steden zijn [[Elburg]], [[Harderwijk (Gelderland)|Harderwijk]], [[Kampen (Overijssel)|Kampen]], [[Stavoren]], [[Zutphen]], [[Zwolle]]. Uit de 13e eeuw dateren de steden van [[Holland]]: [[Alkmaar]], [[Delft]], [[Dordrecht (Nederland)|Dordrecht]], [[Haarlem]], [[Leiden]].

Al deze steden ontwikkelden hun eigen jurisprudentie en vormden een nieuw element naast of binnen het feodale systeem, waarbij handel een belangrijke rol speelde. Handelaars en ambachtslieden organiseerden zich in [[gilde]]n, legden de grondvesten van een koopmansrecht, en zorgden voor onderlinge bescherming, ook fysisch, in een tijd waarin roverij op handelskaravanen algemeen was. De groep handelslui ontwikkelde zich tot een hogere bevolkingsklasse, die boven die van het platteland uitsteeg. Als reizigers genoten ze overal een status van vrijgeborenen, alleen de openbare vierscharen konden hen vonnissen. Maar ze genoten in principe bescherming van de vorsten zelf, die tol hieven op doorvaarten, bruggen, kruispunten en markten. Hun roerend bezit (''tilbare have'') bestond vaak uit een schuit en lastpaarden, en contractueel namen ze andere vrijen in loondienst. De kooplui waren degenen die voor de aanvoer van kostbare stoffen, pelsen, gouden sieraden en voorwerpen zorgden, waarmee de heren hun luxueuze verblijven inrichtten, en de specerijen waarmee ze hun banketten kruidden. De vorsten hebben dan ook al vroeg hun staatkunde op de handel afgestemd. Naast de horizontale samenwerkingsverbanden van de handelssector ontstonden daardoor ook verticale banden met de feodale machthebbers zelf, die handelaars vaak uitdrukkelijk per decreet beschermden. De graven van Vlaanderen uit het huis van de Elzas ([[Dirk van den Elzas]] die van 1128–68 regeerde en [[Filips van de Elzas|Filips]] van 1168–91) ondersteunden de ontwikkeling van de steden actief maar bleven tegelijk wel alert om hun macht binnen de perken te houden.

[[Jaarmarkt]]en ontvingen importproducten via pakhuizen langs de rivieren. Ze volgden elkaar 's zomers op in Thorhout, Meesen, Rijsel, leper en Dowaai en lokten in groten getale kooplieden van Frankrijk en Italië.

[[Bestand:BelfryBruges.jpg|miniatuur|Het [[belfort van Brugge]] met de [[lakenhal]] (1284) staat voor de vroege internationale betekenis van de lakenhandel in Brugge.]]
Aan de kust van Vlaanderen en Zeeland werd het ruilstelsel tegen de 11e eeuw weer vervangen door betaling met geld en deze manier van handel breidde zich uit naar de hoger gelegen gebieden. In die eeuw boekte de Vlaamse koopvaardij een opmerkelijke vooruitgang. Brugge werd het [[Hanzekantoor van Brugge|internationaal handelscentrum]] toen Brugse [[Kogge|handelsschepen]] de Deense en Noorse kust aandeden en doorvoeren tot de Oostzee.

Geleidelijk richtten de steden hun eigen bestuursvorm en rechtspraak in, soms in overleg met de feodale heer, soms stilzwijgend als een natuurlijk proces van ontwikkeling. Maar bepaalde vrijheden werden uitdrukkelijk verleend, zoals die van de steden van [[Hertogdom Brabant|Brabant]] in het [[Charter van Kortenberg]] (1312) stonden ingeschreven, of die welke door de Luikse bisschop reeds in 1066 aan Hoei werden verleend. Dergelijke charters ontstonden vaak na conflicten over [[bede (belasting)|bede]]n. Ze bevatten een eigen formulering van strafrechtelijke aard of van handelsrecht. Daarmee onderscheidden steden zich uitdrukkelijk van het platteland, hetgeen vaak een eerste stap naar autonomie was. Ze werden bestuurd door een [[raad van schepenen]] (''échevins'') met aan het hoofd een [[schout]] (''écoutète'') of [[baljuw]]. Eigen functionarissen moesten op de financiën en de verdedigingswerken toezien. Dit waren de [[burgemeester]]s.

Door de uitbreiding van de handel ontwikkelde tevens de nijverheid en werden de steden trekpleisters voor ambachtslui en werklieden, vaak afkomstig van het platteland. Zo nam de lakennijverheid in Vlaanderen een hoge vlucht, nadat de landelijke productiekernen via de jaarmarkten op de internationale handel waren aangesloten geraakt. Valencijn en Kamerijk aan de Schelde, Maastricht aan de Maas en het nabije Sint-Truiden waren voorposten van de Vlaamse lakennijverheid.

Brabant, dat tussen beide stromen ligt, bleef langer dan de naburige volkeren een streek met uitsluitend landbouwende bevolking. Het begon pas in de ontwikkelingsbeweging te delen, toen een steenweg tussen Brugge en Keulen was aangelegd rond het midden van de 12e eeuw.

=== Groei naar autonomie ===
[[Bestand:Reeve and Serfs.jpg|miniatuur|Afbeelding van de relaties onder [[herendienst]] (feodaal Engeland, ca. 1310)]]
Staatkundig werd het landschap van de [[Lage Landen]] in de vroege middeleeuwen getekend als een lappendeken van [[feodalisme|feodale]] gebieden en gebiedjes die elk poogden zichzelf in stand te houden en uit te breiden ten koste van de andere. Tegelijk ging binnen elk gebied dat tot een graaf behoorde de verdeling van gebieden met [[herendienst]] voort onder ondergeschikte leenmannen of ridders.

Maar het was de beweging naar eenmaking die het geleidelijk haalde en uiteindelijk werden steeds grotere gehelen onder de hoede van afzonderlijke graafschappen en hertogdommen genomen. Huwelijkspolitiek en harde fysieke strijd, maar vaak ook gewiekst onderhandelen en intriges werden daarbij als middel ingezet. Nauwkeurig werden de verworven rechten opgetekend door notarissen en de eigendomsdocumenten in veilige sloten bewaard om aan de volgende generatie door te geven. De strijd van elk staatje, seculier of kerkelijk, was erop gericht zijn afhankelijkheid van de koning in te perken, de eigen invloedssfeer uit te breiden en de macht intern te versterken.

De [[graaf]] oefende als een vorst zijn Karolingische rechten uit, die met de term ''[[graaf (titel)|comitatus]]'' werden aangeduid. Hij kon daarmee vrij het bestuur over zijn gebied uitoefenen en recht spreken, genoot een aantal militaire voorrechten, en kon tol heffen. De term dekte niet alleen de rechten en privileges, maar werd uiteindelijk ook aan het hele gebied gegeven waarop ze van toepassing waren. Aan al dergelijke rechten waren immers lenen gekoppeld, die konden verzameld worden om aldus het eigen gebied uit te breiden. Daarmee waren de graven uiteindelijk de grootste landeigenaars geworden. De graaf was dan ook degene die zijn hele graafschap als leen van de koning hield. Maar ook daarin wensten sommigen enige verandering te brengen.

[[Bestand:Kasselrijieper.jpg|miniatuur|Het [[kasselrij]]gebouw van [[Ieper]].]]
[[Graafschap Vlaanderen]] gaf daarbij de toon aan. De graven van Vlaanderen maakten in de 10e en 11e eeuw handig gebruik van de eerder zwakke aandacht van de koningen van de [[Capetingen|Capetingense dynastie]]. Aanwinst van land door drooglegging van moerassen, ontginning van woest gebied, en toevoeging van land vanuit zee in de kuststreek had het inkomen en het grondbezit van de graven aanzienlijk doen toenemen. Het graafschap breidde spoedig zijn invloed naar het zuiden uit over [[Graafschap Artesië|Artesië]]. Daarbij werd gebruikgemaakt van een gerationaliseerde bestuursvorm, de ''[[curia comitis]]'' (grafelijke raad), gebaseerd op centraliserende beambten, [[Burggraaf|burggraven]] of ''castellani'' genoemd die het beheer, inclusief de militaire macht, over hele districten genaamd [[kasselrij]]en mochten voeren. In 1066 was het ook [[Boudewijn V van Vlaanderen|de graaf van Vlaanderen]] die bij machte bleek de hertog van Normandië, zijn schoonzoon [[Willem de Veroveraar|Willem]], een expeditie naar Engeland te laten uitvoeren. Wel betekende de adel nog een doorslaggevende factor waar voortdurend rekening mee moest worden gehouden, maar graven als [[Robert I]] en zijn opvolgers wisten handig deze macht uit te spelen tegen die van de opkomende steden (Brugge, Gent, Ieper, Kortrijk en Kassel).
Toen de machtige gerespecteerde graaf [[Karel de Goede]] (r. 1119-1127) in Brugge vermoord werd zonder kinderen na te laten, veroorzaakte dat in Vlaanderen een crisis, waar niet alleen de adel en de steden in betrokken raakten, maar ook de [[West-Francië|Franse]] koning. Graafschap Vlaanderen speelde dus bovendien nog een belangrijke rol bij de politieke strijd rond de [[West-Francië|Franse]] kroon.

Later volgden de andere grote gebieden - die van [[Hertogdom Lotharingen|Lotharingen]] - deze zelfde ontwikkeling, toen rond 1100 de Duitse kroon verzwakt raakte door de [[Investituurstrijd]]. Brabant, Henegouwen, Holland en Namen breidden zich toen uit tot grotere landsheerlijkheden. De hertogen en de plaatselijke graven konden nu hun stem doen gelden in de verkiezingen van het [[kapittel]]. Daarmee eindigde ook de onbetwiste macht van de keizer, die deze tot aan het [[Edict van Worms]] door middel van zijn bisschoppen had weten uit te oefenen in de Lage Landen. Zo kreeg bijvoorbeeld Utrecht algauw bisschoppen die afkomstig waren uit de familie der graven van Holland en Gelder. In de 12e eeuw begaven de Duitse keizers zich nog maar zelden tot voorbij Aken. De band van de Lotharingse hertogdommen met het opperleenheerschap was dusdanig verzwakt dat de scheiding tussen Lotharingen en het Keizerrijk na de dood van [[Keizer Hendrik V|Hendrik V]] vanzelf een feit werd. Na de autonomie van de hertogdommen werd 'Lotharingen' nog enkel een geografische aanduiding, de titel van 'Hertog van Lotharingen' een leeg symbool. In de plaats waren er nu de hertogen van Limburg, Brabant en Leuven, nadat deze laatste twee elkaar het voeren van de hoge titel hadden betwist.

Eenmaal de hertogstitel van het keizerlijk naar het leenroerig gezag overgegaan, was de Kerk aan de genade der wereldlijke vorsten overgeleverd. En bij de dood van de bisschop van Luik, [[Otbert]], was het kapittel reeds in twee kampen verdeeld, het ene keizergezind, het ander pausgezind. De leenroerige strijd die zich daarna onder politiek-religieuze voorwendsels tussen de huizen van Brabant en Namen voltrok, beoogde machtsvergroting ten koste van het bisschoppelijk vorstendom. Maar de keizer was voortaan de meester niet meer in de oostelijke Nederlanden: beurtelings als vijand of als bondgenoot, hij werd steeds als vreemdeling beschouwd.

[[Bestand:Bataille de Bouvines gagnee par Philippe Auguste.jpg|miniatuur|Slag bij Bouvines]]
[[Bestand:Brugge evening.jpg|miniatuur|[[Begijnhof Ten Wijngaerde|Begijnhof van Brugge]]. De gravinnen zorgden voor opvoeding en veiligheid van jonge vrouwen in een vredige omgeving.]]

Tegelijk verhoogde aan de andere kant de invloed van [[Koninkrijk Frankrijk (987-1328)|Frankrijk]], dat zich vooral vanaf 1200 steeds meer aangetrokken voelde tot het welvarende graafschap Vlaanderen. Na de [[Slag bij Bouvines]] in 1214 kon de Franse koning afdwingen dat zuidelijk gebied van het graafschap bij Artesië werd gevoegd. De Franse invloed nam in de loop van de 13e eeuw nog sterker toe in Vlaanderen, dat nu met [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]] in personele unie genomen was. Desalniettemin genoot het tussen 1205 en 1278 onder het bestuur van twee elkaar opvolgende gravinnen ([[Johanna van Constantinopel|Johanna]] en [[Margaretha II van Constantinopel|Margaretha]]) een periode van vrede en voorspoed. Zij steunden de lagere klasse, richtten o.m. [[Begijnhof|begijnhoven]] op en probeerden greep te krijgen op de stadsfinancies van de grote steden en op de aanstelling van de magistraten, of schepenen, die in handen was gekomen van het [[patriciaat]]. De lagere klasse van de gilden en ambachten protesteerde regelmatig tegen het machtsmisbruik van deze laatsten. Maar de Franse koning koos hun zijde, waardoor ze verder hun gang konden gaan. Volgens Pirenne beoogden de graven (Johanna, Margaretha en Gwijde) eigenlijk de steun van het volk te gebruiken als tegengewicht voor het eigenmachtig geworden patriciaat, dat zelf bij de koning aanleunde, maar werd dit niet begrepen.

Koning [[Filips IV van Frankrijk|Filips de Schone]] trachtte zijn kroondomein uit te breiden over Vlaanderen en ging tussen 1300 en 1302 tot een bezetting van het grondgebied over. De toenmalige graaf van Vlaanderen [[Gwijde van Dampierre]] was in conflict met de steden, die steeds grotere autonomie opeisten, en waar tegelijk het conflict tussen [[patriciaat]] en het [[proletariaat|gemeen]], later respectievelijk [[Leliaarts]] en [[Klauwaarts]], hevig oplaaide. Toen koning Filips dan weer in conflict geraakte met Engeland, verzetten de Vlaamse steden, die voor de aanvoer van hun [[wol]] afhankelijk waren van Engeland, zich eindelijk tegen de Franse inmenging in Vlaamse aangelegenheden. Gwijde schaarde zich nu openlijk aan hun kant en zegde in 1297 zijn leenheerschap bij de Franse koning op. Daarop bezette Filips tot 1300 een groot deel van het graafschap, totdat onderhandelingen een bestand opleverden. Door het machtsvertoon van Filips was er nu in de Vlaamse steden uitgesproken verzet tegen de Fransen gerezen van de ambachtslieden en een deel van de lagere adel, de Vlaamsgezinde Klauwaarts.

Tussen 1300 en 1302 ging Filips uiteindelijk over tot volledige bezetting van Vlaanderen. Het graafschap werd ingelijfd bij Frankrijk en Gwijde en zijn zoon [[Robrecht III van Vlaanderen|Robrecht van Béthune]] werden gevangengenomen. Filips plaatste Vlaanderen onder het gezag van [[Jacques de Châtillon]], en begon in de steden '[[Blijde intrede]]s' te doen. Dit stuitte op fel verzet van de Klauwaarts, die hun [[Privilege (recht)|privileges]] zagen slinken. In 1301 en 1302 waren er in verschillende steden opstanden, onder andere in [[Brugge]] met [[Pieter de Coninck]]. [[Bonifatius VIII]], eveneens in conflict met de Franse koning, betuigde steun aan Vlaanderen in de bul [[Ausculta fili]]. De opstand kwam onder leiding van [[Jan I van Namen|Jan van Namen]], [[Gwijde van Dampierre|Gwijde van Vlaanderen]] en [[Willem van Gulik de Jongere|Willem van Gulik]]. Toen een opstand in Brugge door de Châtillon werd neergeslagen, reageerden op 18 mei 1302 de opstandelingen met de [[Brugse Metten]]. Op 11 juli 1302 kwam het tot een gewapend treffen tussen een Frans ridderleger en de Vlaamse ambachtsmilities onder leiding van Willem van Gulik nabij Kortrijk, de [[Guldensporenslag]], die gewonnen werd door de Vlaamse milities.

In augustus 1304 vond een nieuw treffen plaats in de [[Slag bij Zierikzee]], met een overwinning voor Filips. In de [[slag bij Pevelenberg]] eindigde de strijd aanvankelijk onbeslist, maar eisten de Fransen vanwege de terugtrekking van de Vlamingen alsnog de overwinning op. Oorlogsmoe ondertekenden de strijdende partijen in 1305 uiteindelijk het [[verdrag van Athis-sur-Orge]]. De inlijving van het graafschap werd weer ongedaan gemaakt, Robrecht van Béthune werd op de troon geplaatst, en de stedelijke privileges herbevestigd. Filips haalde echter volledige genoegdoening door een enorme boete op te leggen omwille van de opstandigheid, en [[Frans Vlaanderen|Franssprekend Vlaanderen]] werd geannexeerd ([[Rijsel]], [[Dowaai]] en [[Orchies]]).

=== Graafschap Vlaanderen toonaangevend ===
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van Vlaanderen}}
In de Vlaamse gouwen speelden een aantal factoren die er samen toe hadden geleid dat het graafschap toonaangevend werd op staatkundig, economisch en uiteindelijk ook artistiek gebied. Aanwinst van land door drooglegging van moerassen, ontginning van woest gebied, en toevoeging van land door inpoldering, had het inkomen en het grondbezit van de graven aanzienlijk vermeerderd. Spoedig had het graafschap zich zelfs naar het zuiden uitgebreid over Artesië, terwijl de graven van Vlaanderen in de 10e en 11e eeuw gebruik maakten van de eerder zwakke aandacht van de koningen van de [[Capetingen|Capetingense dynastie]] (die in feite hun opperleenheer waren).

[[Bestand:Belgie ieper lakenhal nacht.jpg|miniatuur|[[Lakenhalle van Ieper|Lakenhal in Ieper]], een van Europa's grootste burgerlijke gebouwen in gotische stijl (foto 11 okt 2004)]]
Ze voerden een nieuwe gerationaliseerde bestuursvorm in, de ''[[curia comitis]]'', gebaseerd op centraliserende beambten, [[Burggraaf|burggraven]] of ''castellani'', die het beheer, inclusief de militaire macht, over hele districten genaamd [[kasselrij]]en mochten voeren.
Behalve zoutwinning en visserij beschikte het graafschap ook over een belangrijke nijverheidstak, de [[Lakenindustrie#Geschiedenis|lakenindustrie]]. Met de inpoldering van nieuw land vermeerderde het aantal kudden, vooral die van schapen en geiten. Dit leverde wol in overvloed en door de aanwas in de bevolking in deze gunstige tijd zochten velen noodgedwongen een bestaan in de wolweverij. Deze was in de 11e eeuw al zo bloeiend dat grooteigenaars van omliggende streken wolvachten naar de [[jaarmarkt]]en stuurden, bestemd voor Vlaanderen. Spoedig zouden ook de vissersboten wol uit Engeland aanvoeren. Daaruit werd het vermaarde en overal in Europa gegeerde Vlaamse laken geweven, dat tot in Italië een ruime afzet vond, maar ook aan de kust van [[West-Francië]], in de noordelijke Lage Landen en het Rijngebied, en rond de Baltische zee. Door als eerste over deze grote exportindustrie te kunnen beschikken had Vlaanderen een hoge graad van verfijning en diversificatie in de lakenindustrie bereikt, met als hoofdcentra [[Gent]] en [[Ieper]], waar het ganse productieproces tot het eindproduct van verschillende geweven en gekleurde stoffen werd doorlopen. De [[belfort (toren)|belfort]]en die in de opkomende steden werden gebouwd getuigden van de omvang en het belang van deze industrie. En toen zij voor een groot deel van de Engelse wolleveringen ging afhangen, kon een baisse in deze toevoer ernstige sociale en politieke onrust veroorzaken.

[[Bestand:Kaart Hanzesteden en handelsroutes.jpg|350px|thumb|Hanzesteden en handelsroutes]]
Voor het nodige transport maakte de regio van Vlaanderen en Artesië gebruik van de nabije Noordzee en het Scheldebekken. Ook het Maasbekken gaf hierop verdere aansluiting voor vervoer van en naar het oosten. Naast lakens werden ook wijn en specerijen tot de voornaamste handelswaren gerekend. Steden als Atrecht, Saint-Omer, Douai, Rijsel, Doornijk, Ieper, Gent en Brugge groeiden snel en richtten jaarmarkten in, waarop kopers vanuit gans Europa kwamen. Van daar was er aansluiting op de jaarmarkten in de Champagnestreek, die verder naar Italië doorleverderen. Uit notariële registers van Milaan en Genua (bijgehouden vanaf ca. 1200) blijken transacties van Vlaamse kooplieden omtrent verschillende soorten Vlaamse weefstoffen. In Denemarken, Pruisen en Rusland aangetroffen munten van [[Arnold II van Loon|Arnold II]] en van [[Boudewijn IV van Vlaanderen|Boudewijn IV]] tonen aan dat Vlaanderen, op het einde van de 10e eeuw, met de Arabische kooplieden van de Oostzee in betrekking stond.<ref>Pirenne p. 167</ref>
Ook wollen [[Vlaamse wandtapijten]] van soms kolossale afmetingen waren zeer in trek als aankleding van de kille muren in kastelen. De afgebeelde taferelen, gebaseerd op mythologie, de religie, landschappen en historische gebeurtenissen, bereikten een hoge graad van kunstzinnigheid, die in de schilderkunst zou worden voortgezet.

[[Bestand:William1.jpg|miniatuur|Willem I afgebeeld op het [[tapijt van Bayeux]]]]
De politieke invloed van Vlaanderen op de buurlanden en op Europa was groot. In 1066 bleek de graaf van Vlaanderen al bij machte geweest de hertog van Normandië, zijn schoonzoon [[Willem de Veroveraar|Willem]], zijn expeditie naar Engeland te laten uitvoeren. Graafschap Vlaanderen speelde bovendien een belangrijke rol bij de politieke strijd rond de [[West-Francië|Franse]] kroon. Het graafschap was op zijn hoogtepunt groter in omvang dan het privébezit van de Franse koning.
[[Dirk van den Elzas]] en zijn opvolgers waren in zowat alle gebeurtenissen op de rechteroever van de Schelde betrokken. De Vlaamse graven lieten zich niet alleen in met Brabant en Henegouwen, maar ook met Holland. In de 13e eeuw reikte hun invloed tot Gelder, het Naamse en het vorstendom Luik. Tegelijk rijksvorsten en vazallen van de koning van Frankrijk, namen ze een bevoorrechte positie in en langzamerhand zorgde hun politiek voor nauwere en sterkere banden tussen de beide statendelen die, sedert het verdrag van Verdun, de latere Nederlanden verdeelden. Door hun toedoen werden de gouwen die aan weerskanten van de Schelde door eenzelfde economische bedrijvigheid reeds verenigd waren, ook staatkundig niet meer vreemd voor elkaar. De kleine [[Herendienst|leenroerige]] staten die zich van de Ardennen tot de Noordzee uitstrekten, kregen daardoor een gemeenschappelijke geschiedenis.

=== Stedelijk verzet tegen de vorsten ===
De machtsconcentratie bij graven en hertogen begon af te nemen toen het belang en de invloed van de steden toenam, en het feodaal systeem er zijn greep op verloor.
De geschiedenis van [[Kamerijk en het Kamerijkse|Kamerijk]] is illustratief voor de ontwikkeling van de gemeentebeweging. Ontstaan als een koopmanskolonie aan de voet van de bisschoppelijke burcht, was deze stad in de 11e eeuw reeds ongemeen welstellend. En al in 1070 was zij van een ringmuur voorzien, waarmee de koopmanswijk en de oude stad onder beheer van de bisschop en zijn administratie verenigd werden. Maar die hielden weinig rekening met de specifieke belangen van de kooplieden en pasten het [[vroonrecht]] in al zijn gestrengheid toe. Dit leidde tot misnoegdheid onder de nieuwe bewoners, die elkaar een eed van trouw zwoeren (vandaar de benaming ''conjurationes'' of ''commune'') en een gelegenheid tot oproer afwachtten. Toen in 1077 de bisschop Gerard II de stad uit moest om Hendrik V te ontmoeten, maakten de burgers zich achter zijn rug meester van de poorten en riepen de heerschappij over de gemeente uit.

Dergelijke pogingen blijken ook in Maastricht en in Luik te zijn ondernomen. In de Luikersteden bekwam de burgerij na enige tijd dat de keizer hen van de rechtsmacht der vredestribunalen ontsloeg. Daarmee vormden deze steden onderscheiden grondgebieden te midden het feodale systeem, met een eigen lokale 'wet'. Geleidelijk organiseerde zich in alle steden van de Lage Landen de ''[[commune]]'' (''communitas, corporatio of universitas'') onder leiding van het [[patriciaat]]. Dit laatste bestond uit welstellende kooplieden die de hogere ambten van schepen en burgemeester wisten te bemachtigen, zodat zij de stadsfinanciën konden beheren. De commune voerde een eigen zegel en kon betrekkingen aanknopen met buitenstaanders, en zelfs met de vorst. Soms sloten zij verdragen, zowel commerciële als militaire, met andere steden. Zij bepaalden ook het aantal milites dat uit eigen rangen in dienst van de vorst moest treden, of het voetvolk en de bemande schepen die werden beschikbaar gesteld. Steeds vaker werd dit in de vorm van afkoopsommen geregeld. De stedelingen werden vrijgesteld van verbintenissen met buitenstaanders, en grondgebied in en rond hun stad werd eigendom van de commune.

De strijd van de steden voor onafhankelijkheid was aanvankelijk vooral om financiële redenen. Zij hadden nood aan snelle verbetering en aanleg van eigen infrastructuur. Maar er was eveneens behoefte aan eigen regelgeving. Aanvankelijk was dat enkel het ''[[keurrecht]]'', dat over kwaliteit en prijzen ging. Maar het bleef niet beperkt tot de uitbaters van winkels en de markten. Weldra breidde dit zich uit tot een waar [[burgerrecht]] en [[strafrecht]] dat binnen de stad geldig was. Tegelijk organiseerde zich de klasse onder de patriciërs, 'het ''gemeen''' in [[Ambacht (handwerk)|ambachten]] en [[Gilde (beroepsgroep)|gilden]]. Hun regelgeving had betrekking op het hanteren van prijzen, kwaliteit van de producten, regelingen rond dagloners, de werkduur, leerjongens, werklieden en meesters. Aanvankelijk waren deze verenigingen, elk met een specifiek beroep samenhangend, van caritatieve aard, maar gaandeweg namen zij een meer geïnstitutionaliseerde vorm aan met lidmaatschappen en toetredingsvoorwaarden, rechten en plichten.

In de 13e eeuw was het zover. Het antagonisme tussen de klassen van de steden en die van de adel en de vorsten nam scherpe vormen aan. In 1302 brak de spanning tussen de patriciërs, de graaf van Vlaanderen en de Franse koning uit in een bloedige strijd, de [[Guldensporenslag]], waarna de gilden hun macht in de Vlaamse steden consolideerden, met deelname in het stadsbestuur. Hun voorbeeld vond zoals steeds spoedig navolging in Brabant, waar evenals in Luik oproer uitbrak. In 1312 konden de Brabantse steden bij hertog [[Jan II van Brabant|Jan II]] bedingen dat hun rechten definitief werden vastgelegd in een charter, het [[Charter van Kortenberg]], dat veel later nog als basis zou dienen bij het opstellen van de [[Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger|Verklaring van de Rechten van de Mens]]. Deze hertog had dusdanig veel schulden gemaakt, dat Brabantse handelaars in het buitenland daarom gearresteerd werden. Dat spoorde onder meer de gilden aan om de controle over de hertogelijke financiën vanuit de stedelijke raden af te dwingen.

Vlaamse militaire invallen in Dordrecht en Utrecht leidden in die steden tot gelijkaardige ontwikkelingen. En spoedig werden de vorsten geconfronteerd met de tegenmacht van de steden in hun grafelijk of hertogelijk gebied. Dit betekende een nieuw element in het oude feodale systeem, waar voortaan rekening mee moest gehouden worden. Deels leidde de krachtmeting tot confrontatie, maar deels ook werd samenwerking op quasi gelijke voet georganiseerd, waarbij op sommige plaatsen de ene de andere aanpak de boventoon kreeg.

In Brabant wisten de steden, wier vertegenwoordigers om de drie weken in Kortenberg vergaderden, gebruik te maken van hun inspraakrecht om de jonge troonopvolger een verklaring te laten afleggen ten aanzien van zijn aanspraken op stedelijke steun en hulp in de vorm van beden. Dergelijke verklaring werd als publiek testament onder de naam [[Blijde Inkomst]]akte tot traditie bij iedere volgende troonsbestijging. Deze verklaring gaf de steden medebeslissingsrecht om ten oorlog te trekken of niet, het recht op oppositie van de burgers, indien de overeenkomst niet werd nagekomen, ze legde de ondeelbaarheid van het grondgebied vast en bepaalde de nationaliteit van de ambtsverleners.

De verschuiving van het zwaartepunt van de macht van de vorst naar de steden had tot gevolg dat ook zijn functie werd herzien. In de vroege middeleeuwen was de functie van de graaf te danken geweest aan diens macht om door ridders te ronselen de gemeenschappen te beschermen, kerkelijke zowel als seculiere, tegenover bijvoorbeeld de invallen van Vikingen. Dat had de graven van Vlaanderen toegelaten hun grondgebied uit te breiden over de verlaten streken in het noorden, die door de Franse koningen ruim werden gemeden. Die macht was uitgegroeid tot die van een vorst (''potestas publica ''), hem 'door God gegeven' (''a Deo tradita'') zo vond hij, en in de loop der eeuwen was daar hoofdzakelijk gebruik van gemaakt om het territorium (''regnum'' of ''patria'') uit te breiden en materiële welstand te vergaren, in het beste geval ook om het kerkelijk instituut te helpen ontwikkelen. Nu daagde een nieuwe rol als verdediger en vertegenwoordiger van een groot territorium. De [[godsvrede]] uitbreiden en de Kerk verdedigen waren zijn eerste bekommernis, maar in de uitbreiding van het rijk door indijking, bosontginning en inpoldering en door de ontwikkelingen in en rond de steden was zijn relatie niet meer tot de vazallen beperkt, maar moesten ook 'gewone' lieden worden gepatroneerd. Hij werd gaandeweg ''procurator rei publicae'' (de behartiger van de publieke aangelegenheid)<ref>Term afkomstig van de 14e eeuwse advocaat [[Filips van Leiden]]</ref>. Het contact met de onderdanen verliep nu via allerlei vertegenwoordigers van de ''communitates'', van waterschappen, heemraadschappen, en andere corporatieve raden die wettelijke vertegenwoordigingen waren en met iedereen verbintenissen konden aangaan, dus ook met de vorst. Thans begon het besef van politieke verantwoordelijkheid van een hogere orde te dagen. Mutuele belangen gingen vaak samen voor vorst en vaderland en deze ontwikkelingen leidden tot een meer modern concept van staatkundige instellingen.

== Consolidatie van de territoriale staten (1384-1567) ==
[[Bestand:Political map of the Low Countries (1350)-NL.svg|miniatuur|De Lage Landen rond 1350]]
Tegen de helft van de 14e eeuw zag de kaart van de Lage Landen er niet meer uit als een lappendeken van kleine feodale gebiedjes, maar tekende zich een select aantal grotere territoriale staten af. Het [[graafschap Vlaanderen]], het [[hertogdom Brabant]], [[graafschap Henegouwen]][[graafschap Holland|-Holland]] en [[Gelderland]], [[sticht Utrecht]] en [[prinsbisdom Luik]] waren militair en economisch zelfstandig onder eigen bestuur en konden in eigen naam op het diplomatieke toneel optreden. Vlaanderen onderhield goede betrekkingen met Italië en had de Franse expansiedrang weten te stoppen. Na een aantal kleine oorlogen en drie revoltes was de territoriale binding van de bevolking en het bewustzijn van een eigen identiteit nu een feit. Omdat de adel nog steeds sterk aanleunde bij het Franse hof, hadden bepaalde opstanden het karakter van een vroegtijdig Vlaams nationalisme aangenomen. In Brabant kende men de druk van Duitse zijde en de vrees voor invasies die men in Vlaanderen vanuit Frankrijk had gekend. Het lot van de Lotharingse vorstendommen had zich met dat van Vlaanderen verbonden en de Frans-Duitse grens die ooit het oosten van het westen scheidde loste in de loop van de middeleeuwen langzaam maar zeker op. Over de scheidingslijn die de Schelde vormde heen had de invloed van de Vlaamse politiek gezorgd voor nauwere banden tussen de territoriale gebieden die ooit door het [[Verdrag van Verdun]] van elkaar waren gescheiden.<ref>''De samenwerking werd concreet in de gezamenlijke inspanningen van Vlaanderen en Brabant om Antwerpen uit te bouwen tot belangrijkste haven, nadat de Vlaamse steden weer in belang waren gedaald en het Zwin was gaan verzanden'' ref. Block, (1923): p. 295</ref>. Door toedoen van het huis van den Elzas waren ze ook staatkundig elkaar niet meer vreemd, nadat ze reeds eerder op religieus en daarna economisch gebied op elkaar waren afgestemd.

[[Graafschap Vlaanderen]] had daarbij de toon aangegeven. De aanwezigheid van een aantal grote steden maakte dat het niet zonder hun medezeggenschap kon. De ''scabini Flandriae'' waren vertegenwoordigingen van de hoofdsteden die in alle politieke beslissingen tussen kwamen, vooral die van economische aard. In de 14e eeuw hadden Brugge, Gent en Ieper zich als 'de drie leden van Vlaanderen' gegroepeerd in een quasi permanente raad met beslissingsrecht inzake economische en juridische aangelegenheden en belastingheffing. Zij verruimden hun macht nog bij iedere revolte en verhinderden daardoor de vorming van een bestuursraad die uit de drie standen, ''clerus, adel en burgers'', was samengesteld, zoals die wel in Brabant en Henegouwen tot stand kwam.

In 1385 had de [[Hertogdom Bourgondië|hertog van Bourgondië]] dit orgaan in het leven geroepen en er zelfs nog een vertegenwoordiging van de vierde stand, die van de boeren, aan toegevoegd, juist met de bedoeling om de macht van de steden daar enigszins in te perken. En daar was hij deels ook in geslaagd. Maar de onderliggende teneur van politiek bewustzijn bleek ook daar uiteindelijk niet te stoppen. De steden in het hertogdom Brabant waren wel wat later opgekomen dan de Vlaamse maar er manifesteerden zich dezelfde sociale en politieke verschijnselen. Leuven, Brussel, Mechelen, Maastricht en Antwerpen vooral, maar ook de kleinere steden: 's Hertogenbosch, Tienen en Leeuw, lieten er zich sedert het einde van de 13e eeuw gelden. De hertogen van Brabant hielden de macht van de [[gilde]]n en de steden veel langer in toom, en steunden veeleer de [[patriciër]]s, die hen op hun beurt geldelijke steun verleenden. Alleen in Mechelen - waar de macht van de hertog van de eigenlijke opperheer, de bisschop van Luik, afhankelijk was - konden de gilden grote invloed op het stadsbestuur uitoefenen. Omdat in Brabant de adel machtiger en talrijker was, kozen de hertogen samen met hen ook gemakkelijker de zijde van Frankrijk, maar politiek speelden ze op twee paarden. Nu eens waren ze met de Vlamingen tegen hun graaf, dan weer met de graaf tegen de Vlamingen. In de [[Guldensporenslag]] streden zelfs Brabantse ridders aan beide zijden tegelijk.

Door de talrijke oorlogen die de hertogen voerden raakten zij uiteindelijk in grote geldverlegenheid. Daarvan maakten steden gebruik om steeds meer voorrechten af te dwingen, die in de Blijde-Inkomstakte werden vastgelegd. Het [[Charter van Kortenberg]] van 1312, het [[Waalse en Vlaamse Charter]] van 1314, en zelfs de [[Gouden Bul]] in 1349 volgden elkaar op als steeds verdergaande vrijbrieven ter bescherming van de steden en de gilden en van de individuele bewoners, en garandeerden hun afvaardigingen toenemende bevoegdheden inzake staatkundige handelingen. Maar het summum was het charter van 8 maart 1354, de [[Blijde Inkomst]] waar ook de adel zich bij aansloot, en waarin het toenmalige Brabants grondgebied als één en ondeelbaar werd verklaard.

In [[graafschap Holland]] was dit bewustzijn en de ermee gepaard gaande grote beweging eveneens doorgedrongen. De steden waren daar pas in de 13e eeuw ontstaan en al waren ze in het algemeen van geringere omvang, toch oefenden de zes grootste, Dordrecht, Leiden, Haarlem, Amsterdam, Gouda, en Delft, hun invloed uit. De clerus speelde er een geringere rol door de afwezigheid van toonaangevende abdijen. Maar de adel had nauwe banden met de patriciërs en roerde zich politiek door de vorming van twee tegenover elkaar staande partijen elk met een eigen standpunt rond de troonsopvolging: de [[Hoeken en Kabeljauwen]], wat ook de steden in twee kampen verdeelde en dit tot ver in de 15e eeuw. In de perioden van 1419 tot 1427, 1440 tot 1445, en opnieuw in de 70er en 80er jaren, zagen de vorsten en hun hoge ambtenaren hun prerogatieven ernstig bedreigd. De graven van Holland hadden intussen echter, vooral dankzij een berekende huwelijkspolitiek, hun positie verstevigd omdat zij daarmee steun vanuit het Duitse gebied genoten.

In het [[sticht Utrecht]] waren het de kerkgemeenschappen van de stad die een belangrijke inbreng leverden in de ontwikkelingen. Ook daar bestond er samenwerking tussen de vorst (de bisschop) en de standen en dus speelde de clerus er een grotere rol. Er werd in 1375 door bisschop Arnold een landelijk charter aangenomen, dat sterk door de Blijde-Inkomstakte van Brabant was geïnspireerd.

In het [[prinsbisdom Luik]] daarentegen was een lange en felle strijd nodig tussen de prins-bisschop en de steden, en binnen de steden tussen de patriciërs en de ambachtelijke gilden, om tot een stabiel samenwerkingsverband te komen. Het kwam erop neer dat de vorst zich tot de standen moest wenden voor geldelijke ondersteuning, die vaak slechts in beperkte mate werd toegestemd.

[[Hertogdom Gelre|Gelderland]] liet op zich wachten inzake territoriale bevestiging tot [[gewest (Lage Landen)|gewest]] omdat Hertog Willem (bewind van 1379–1402) eigen inkomsten had weten te vinden uit zijn veldtochten in dienst van de Engelse en later de Franse koning. Het was onder zijn opvolgers dat ridders en steden machtiger en onafhankelijker werden. Uiteindelijk verkregen die ook daar hun permanente vertegenwoordiging.

In 1473 verenigden de Overmazers en de Limburgers hun [[Staten]] tot de ''[[Staten van Limburg en de Landen van Overmaas]]'' en zetelden aldus in de [[Staten-Generaal van de Nederlanden]].

=== Bevolkingscijfers ===
In het algemeen genomen telden de Lage Landen naar schatting 2.400.000 inwoners aan het einde van de 15e eeuw maar was het bevolkingscijfer na 1470 merkelijk afgenomen als gevolg van oorlog, mislukte oogsten en epidemies.<ref>cijfers volgens E.B. ''Hist. of the Low Countries - Population growth''</ref> Van voor die datum zijn geen cijfers meer beschikbaar. Vanaf 1490 trad een bevolkingstoename op in vooral Brabant en Holland. Hertogdom Brabant telde in 1570 een half miljoen inwoners, maar bleef daarmee nog ver beneden het inwonersaantal van graafschap Vlaanderen.

<center>
{| class="wikitable vatop " cols="4" width="90%" cellpadding="5" cellspacing="5" style="font-size:99%; text-align:left;"
! colspan="4" align="middle" style="text-align:center;"|<big>Bevolkingscijfers in de Lage Landen</big><br />
|- style="text-align:center;"
!
! Per gewest
! Per km²
! Periode
|-
|Graafschap Vlaanderen
|750.000
|77
|ca. 1470
|-
|Hertogdom Brabant
|413.000
|40
|ca. 1470
|-
|Graafschap Holland
|268.000
|66
|In 1514. De steden waren dan nog relatief klein.
|-
|Henegouwen
|209.000
|
|
|-
|Artesië
|180.000
|
|
|-
|Gelderland, Luik, Luxemburg
|140.000
|
|Elk
|-
|Lage Landen totaal
|2.400.000
|
|Eind 15e eeuw

|}</center><noinclude>

De [[urbanisatie]] nam zeer snel toe in de Lage Landen en dat gold voornamelijk voor de grotere gewesten, waar in de 15e eeuw gemiddeld ruim een derde van de bevolking in steden leefde.

{| class="wikitable vatop " cols="3" width="90%" cellpadding="5" cellspacing="5" style="font-size:99%; text-align:left;"
! colspan="3" align="middle" style="text-align:center;"|<big>Bevolkingspercentage in steden</big><br />
|- style="text-align:center;"
! Per gewest
! %
! Periode
|-
|Graafschap Vlaanderen
|36 %
|ca. 1470
|-
|Hertogdom Brabant
|31 %
|ca. 1470
|-
|Graafschap Holland
|45 %
|In 1514. De steden waren nog relatief klein

|}

Een vierde van de Vlaamse boeren bewerkte oppervlakten van slechts 2 tot 5 hectare, bijna de helft zat onder de halve ha.

{| class="wikitable vatop " cols="3" width="90%" cellpadding="5" cellspacing="5" style="font-size:99%; text-align:left;"
! colspan="3" align="middle" style="text-align:center;"|<big>Stadsbevolking</big><br />
|- style="text-align:center;"
! Per stad
! Aantal
! Periode
|-
|Gent
|64.000
|ca. 1470
|-
|Brugge
|46.000
|ca. 1470
|-
|Brussel
|33.000
|in 1482
|-
|Leiden
|14.000
|In 1514
|-
|Mechelen
|25.000
|ca. 1540
|-
|'s Gravenhage
|10.000
|1576<ref>P.J. Blok, ''Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 2, Hoofdstuk I
De Nederlanden in 1584'', p. 209</ref>
|-
|Antwerpen
|15.000
|1437
|-
|idem
|40.000
|ca. 1500
|-
|idem
|100.000
|In 1560
|-
|idem
|90.000
|In 1584<ref>P.J. Blok, ''Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 2, Hoofdstuk I
De Nederlanden in 1584'', p. 207</ref>
|}

=== Economische structuur ===
De schaalvergroting in de periode van consolidatie van de territoriale staten tussen de 14e en de 16e eeuw wordt ook gekenmerkt door drastische veranderingen in de economische structuur, die in de Lage Landen gepaard gingen met een stijgende levensstandaard.
[[Bestand:Bruges view from the belfry.JPG|miniatuur|Brugge vanuit het Belfort gezien]]
[[Bestand:Kogge.JPG|miniatuur|Hanze[[kogge]] uit de vijftiende eeuw.]]
De stad [[Brugge]] organiseerde haar positie tussen die van de [[Hanze]]steden en werd inzake handel de internationale hoofdmarkt voor Noordwest-Europa. Franse en Engelse, maar ook Italiaanse, Catalaanse en Iberische handelshuizen vestigden er zich en stonden in voor een evenwichtige import en export tussen noord en zuid. Goederen als wijn, exotische vruchten, olie, specerijen en zijde werden in de [[haven van Brugge]] aangevoerd en er verhandeld, naast graanimport. Arbeidsintensieve ambachtelijke goederen van hoge kwaliteit die in de wijdere regio werden gefabriceerd, zoals modieuze kleding en kunstvoorwerpen, schilderijen, juwelen, houtsnijwerk en keramiek, raakten via het handelsnetwerk over heel Europa verspreid.

De [[Zwarte Dood]] zette evenwel vanaf 1300 een domper op de bevolkingstoename, die zich van de 10e eeuw af in West-Europa had doorgezet en zorgde voor een gekrompen afzetmarkt. Daardoor nam de concurrentie toe, temeer omdat [[Hertogdom Brabant|Brabant]] intussen een eigen textielnijverheid had opgezet. De [[Gilde (beroepsgroep)|Gilden]] hadden vanaf 1302 hun greep op de loonbepaling doen toenemen in Vlaanderen, waardoor de productiekosten er hoger lagen dan in Brabant en vooral in Engeland. Daardoor moest Vlaanderen zich toeleggen op gerationaliseerde productiemethoden, maar die werden al spoedig ook door de concurrerende gewesten en gebieden overgenomen. De plattelandsmarkten aldaar brachten producten van mindere kwaliteit voort (ze gebruikten bijvoorbeeld goedkopere wolsoorten zoals er vanaf de 15e eeuw uit Spanje werd geïmporteerd), maar bereikten daardoor een ruimere markt van een middenklasse.

In het [[Prinsbisdom Luik]] ontwikkelde zich een zware metaalindustrie en werden de eerste [[hoogoven]]s gebouwd. Ook [[steenkool]]ontginning werd er op grote schaal aangevat meer bepaald in het gebied tussen [[Samber en Maas]].

Gedurende de tweede helft van de 14e eeuw kwam ook in [[Holland]] de economie op gang. Deze was nog voor een groot deel gebaseerd op de visserij, vooral de haringvangst, waarvoor steeds grotere schepen werden gebouwd. De scheepsindustrie vereiste de toelevering van hout en metaal, teer en andere materialen vanuit de Vlaamse Hanzeregio. De scheepstechnologie werd steeds meer op punt gesteld, zodat het gewest spoedig met een complete handelsvloot was uitgerust, die mee in competitie trad voor transport. De getransporteerde goederen waren vaak van mindere kwaliteit, maar door de aangepaste prijs dan ook concurrentiëler. Naast de haringindustrie concurreerden zij met het zuiden met textiel en bier. Delft, Gouda en Haarlem werden voor dit laatste product exportsteden naar de [[Zuidelijke Nederlanden]] en over de Baltische zee. De Hollanders importeerden zout van de Franse Atlantische kust en raffineerden het vooral voor gebruik in de haringvisserij. Naast visserij en handel waren landbouw en veefokkerij de voornaamste pijlers van de Hollandse en Friese economie.

Op het platteland werden ook steeds meer commercieel bruikbare gewassen geteeld, zoals hennep voor de touwweverij, hop en gerst voor de bierbrouwerij, vlas voor de fabricage van linnen. Dit ging ten koste van de graanproductie. Maar graan werd in toenemende mate geïmporteerd. Gevolg was dat vooral de voeding van de lagere bevolkingsklassen onderhevig werd aan schommelingen op de graanmarkt en dat zich regelmatig perioden van hongersnood voordeden, vaak met decimering tot gevolg.

[[Bestand:De geldwisselaar en zijn vrouw.jpg|miniatuur|''De geldwisselaar en zijn vrouw'', [[Marinus van Reymerswale]].]]
In de 15e eeuw was het [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] dat zich dankzij zijn vrije handels- en ondernemersgeest als haven sterk ontwikkelde en daardoor de leidende positie van Brugge ging overnemen. Jaarlijks hadden er twee grote [[jaarmarkt]]en plaats die aanvankelijk wel nog als satellieten voor de Brugse fungeerden, maar gaandeweg meer deelnemers aantrokken vanuit het centrum en het zuiden van Duitsland. Toen Brugge in de jaren tachtig van de vijftiende eeuw een diepe politieke crisis doormaakte, kon Antwerpen de opkomende koloniale handel aantrekken, vooral die uit Portugal. Maar ook de belangrijke handelshuizen uit Augsburg, Frankfurt en Nürnberg kwamen naar deze havenplaats, en vooraanstaande banken kwamen er zich vestigen. De stad onderhield voortreffelijke relaties met de monarchie, die haar [[Hegemonie|hegemonistisch beleid]] dankzij leningen van de Antwerpse kooplui kon uitbreiden. Een belangrijke innovatie was de [[Handelsbeurs (Antwerpen)|Antwerpse Beurs]] in 1531, die zich specialiseerde in overdraagbare openbare schulden. Er ontstond een commercieel [[kapitalisme]] dat de economie van de ganse Lage Landen stimuleerde.

=== Opkomst van het humanisme (15e eeuw) ===
=== De Boergondische tijd (1384 - 1482) ===
{{Zijbalk geschiedenis van de Nederlanden}}
{{Zie hoofdartikel|Bourgondische tijd}}
Tijdens de middeleeuwen bestond noch het woord, noch het begrip 'Nederlanden'. In de 15e eeuw was het gebruikelijk om de laaglandelijke gewesten waar de [[Bourgondische hertogen|hertog van Bourgondië]] regeerde aan te duiden met ''les pays de par-deçà'', de landen van herwaarts over. Het eigenlijke Bourgondië werd aangeduid met ''les pays de par-delà'', de landen van derwaarts over (''zie ook'' [[Benamingen van de Lage Landen]]).

Bourgondië, waar zich in de 1e eeuw de [[Aedui]] ophielden, al in 407 als koninkrijk gesticht, was vroeg in de geschiedenis reeds een zelfstandig gebied van het [[Koninkrijk Frankrijk (987-1328)]]. In 880 was het noordwestelijk deel een hertogdom geworden, vergelijkbaar met Brabant of Luik. In 1032 schonk [[Hendrik I van Frankrijk]], bij gebrek aan erfopvolgers, de hertogstitel aan zijn broer [[Robert I van Bourgondië|Robert I Capet]]. Toen in 1361 ook diens erfopvolgerlijn eindigde, begunstigde de koning van Frankrijk van het huis van Valois zijn zoon [[Filips de Stoute]] met de titel. Deze huwde in 1369 de enige dochter en erfgename van de graaf van Vlaanderen, [[Margaretha van Male]].

[[Bestand:Karte Haus Burgund 4.png|miniatuur|300px|Het Bourgondische rijk in 1477]]
Dit was het begin van een bewuste politiek van uitbreiding tot de uiteindelijke vorming van het Bourgondische rijk, hetzij door huwelijkspolitiek, hetzij door veroveringsoorlogen, hetzij als aankoop. Via zijn echtgenote was Filips nu alvast mede-erfgenaam van het rijke Vlaanderen, in die dagen het welvarendste gebied in [[Europa (werelddeel)|Europa]]. Toen in 1384 de graaf overleed, verwierf Bourgondië daardoor, naast het graafschap Vlaanderen (met inbegrip van Artesië, markgraafschap Antwerpen en de stad Mechelen), Nevers en Rethel en het vrije Boergondië (Franche-Comté). Hiermee was de basis gelegd voor een machtige bufferstaat tussen [[Koninkrijk Frankrijk (1328-1589)|Frankrijk]] en het [[Heilige Roomse Rijk]]: een Bourgondisch rijk dat zich uitstrekte van Midden-Frankrijk tot aan de Noordzee. Want Filips wist op verscheidene manieren zijn gezag nog uit te breiden naar de aangrenzende gewesten. In 1385 werd het [[Dubbelhuwelijk van Kamerijk]] gesloten van zijn kinderen [[Margaretha van Bourgondië (1374-1441)|Margaretha van Boergondië]] en [[Jan zonder Vrees (hertog van Bourgondië)|Jan zonder Vrees]] met respectievelijk graaf [[Willem VI van Holland]] en [[Margaretha van Beieren-Straubing]], de kinderen van [[Albrecht van Beieren (1336-1404)|Albrecht van Beieren]] (r. 1389-1404), graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen. In 1390 wist hij bovendien de kinderloze hertogin [[Johanna van Brabant]] (r. [[1355]]-[[1406]]) ertoe te bewegen het hertogdom af te staan aan haar nicht (''en Filips echtgenote'') Margaretha van Male. De [[Staten van Brabant]] namen met deze overeenkomst wel geen genoegen, maar moesten uiteindelijk toch aanvaarden dat Filips' tweede zoon [[Anton van Bourgondië (1384-1415)|Antoon van Bourgondië]] als opvolger van Johanna werd aangesteld. In hetzelfde jaar kocht Filips ook nog het [[graafschap Charolais]]. Hij overleed in 1404, maar tussen 1429-1473 kwamen Namen, Brabant-Limburg, Holland, Henegouwen, Zeeland, Picardië, Luxemburg en Gelre bij het hertogdom en ging zijn droom postuum dus nog grotendeels in vervulling.

Tegen 1451 omvatte het Bourgondische gebied al de Lage Landen met uitzondering van [[Friesland]], [[Hertogdom Gelre|Gelre]], en uiteraard ook zonder [[prinsbisdom Luik|Luik]], [[Sticht Utrecht|Utrecht]] en een aantal kleinere gebieden die nooit tot de [[Zeventien Provinciën]] zouden behoren. Gelre en Utrecht waren toen al [[vazal]]len en ook [[Hertogdom Luxemburg|Luxemburg]] kwam onder Bourgondische controle, evenals [[Picardië]] en delen van [[Lotharingen (Frankrijk)|Lotharingen]]. De Bourgondische hertogen waren nu op het toppunt van hun macht. De Bourgondische machtsstructuur was geen staatkundige, maar een [[personele unie]] van de verschillende vorstendommen, die angstvallig hun eigen autonomie en bestuur in acht namen, al werd de Bourgondische hertog dan ook als hun [[landsheer]] erkend.

Na de moord op zijn vader wendde [[Filips de Goede]] zich af van Frankrijk en begon zich na de indrukwekkende expansie van zijn rijk tijdens het bewind van zijn vader te richten op de interne consolidatie. Als [[landsheer]] begon hij aan de invoering van een centraal bestuur voor alle laaglandelijke [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]], en richtte een centrale rechtspraak (de [[Grote Raad van Mechelen|Grote Raad]]) en een centrale inning van belastingen in de vorm van één enkele som voor het hele gebied in, die door de gewesten volgens een door henzelf vast te stellen verdeelsleutel opgebracht werd. Om dit centraal overleg mogelijk te maken, stelde Filips de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] in. Hun eerste belangrijke bijeenkomst was in het jaar [[Tijdlijn van de Lage Landen#1464|1464]] in Brugge. De [[Algemene Rekenkamer|Rekenkamer]] waakte over de financiën, en de [[Grote Raad van Mechelen]] kreeg de rechterlijke macht, waarop de gewestelijke ''raden'' aansloten. De [[Raad van Vlaanderen]] bijvoorbeeld heette aanvankelijk nog de ''Audiëntie'' ("terechtzitting"). [[Ambtenaar|Ambtenaren]] vulden al deze functies in. Om de controle over de gewesten te houden werden [[Stadhouder]]s aangesteld. Deze centrale instellingen van Filips legden de basis voor de latere [[Nederlanden]] als staatkundige eenheid. De gewesten werden er immers mee geconfronteerd dat ze gezamenlijke belangen hadden tegenover één enkele vorst.

Sommige gewesten zoals Brabant hielden het erbij dat hun privileges de inmenging van vreemden in hun gebied verboden. Maar in Vlaanderen en Holland werden vertegenwoordigers van het Bourgondische hof geplaatst. Dit wekte op den duur grote weerstand tegen het Bourgondisch regime, vooral toen dit het Frans als enige administratieve omgangstaal introduceerde. In de Lage Landen gebruikten de meesten het [[Oudnederlands]]. De vorst probeerde hieraan tegemoet te komen, door gewestelijke leden van de adel in zijn Hofraad aan te trekken. Hij stichtte daartoe zelfs in 1430 de [[Orde van het Gulden Vlies]]. Met de Bourgondische centralisatiepolitiek werd ook een eenheidsmunt ingevoerd. De vorst hield er een [[Hofraad]] op na als persoonlijk adviesorgaan. Deze verwierf geleidelijk ook politieke macht.

[[Bestand:Maître de la Légende de Sainte Marie-Madeleine, Sainte Marie-Madeleine (15–16ème siècle).jpg|miniatuur|Hertogin Maria van Bourgondië, vorstin van de Lage Landen]]
Toen [[Maria van Bourgondië (1457-1482)|Maria van Bourgondië]] erfgename van de Lage Landen was, werd haar hand door velen gezocht. De Franse koning [[Lodewijk XI van Frankrijk|Lodewijk XI]] hoopte op een huwelijk met zijn zoon Karel. Maar in 1477 trouwde Maria met de [[aartshertogdom Oostenrijk|Oostenrijkse]] aartshertog [[Keizer Maximiliaan I|Maximiliaan]]. Toen begin dat jaar haar vader [[Karel de Stoute]] was gesneuveld in de [[Slag bij Nancy]] tegen Lotharingen en Zwitserland, maakte [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] van de gelegenheid gebruik om grote delen van het rijk, waaronder Bourgondië zelf, in te lijven. Door het huwelijk kwamen de [[Bourgondische Nederlanden]] echter in [[Habsburg]]s bezit. Dit Habsburgse Bourgondië, dat wil zeggen: de Bourgondische Nederlanden en, vanaf 1493, ook [[Franche-Comté]], later gezamenlijk de [[Bourgondische Kreits]] van het [[Heilige Roomse Rijk]], verwierf in 1543 ook Gelre en Friesland, waarmee de [[Zeventien Provinciën]] thans onder één heerser kwamen.

Bourgondië zelf bleef in naam nog bestaan zoals vroeger Lotharingen, maar het zou geen belangrijke rol meer spelen; het werd gereduceerd tot de [[Provincies van Frankrijk|oude Franse provincie]], de huidige regio [[Bourgondië (regio)|Bourgogne]].

=== De Habsburgse Nederlanden (1482 - 1581/1795) ===
[[Bestand:Karte Haus Burgund 5.png|miniatuur|De verdeling van de Bourgondische erfenis tussen Frankrijk en Habsburg tot 1493]]
{{Zie hoofdartikel|Habsburgse tijd}}

==== Onder Maximiliaan van Oostenrijk (1482-1494) ====
[[Bestand:Bernhard Strigel 003.jpg|thumb|Keizer [[Maximiliaan I van het Heilige Roomse Rijk|Maximiliaan]] met zijn zoon [[Filips I van Castilië|Filips de Schone]], zijn vrouw [[Maria van Bourgondië (hertogin)|Maria van Bourgondië]] en zijn kleinkinderen [[Ferdinand I van het Heilige Roomse Rijk|Ferdinand I]], [[Karel V van het Heilige Roomse Rijk|Karel V]] en [[Eleonora van Habsburg|Eleonora]].]]

Toen op 25 maart 1482 de vijfentwintigjarige aartshertogin Maria van Bourgondië door een val van haar paard overleed, was het haar echtgenoot [[Keizer Maximiliaan I|Maximiliaan van Oostenrijk]] die het regentschap over de [[Nederlanden]] moest waarnemen voor hun vierjarige zoon [[Filips I van Castilië|Filips de Schone]]. In tegenstelling tot zijn overleden echtgenote was de toekomstige keizer van het Heilig Roomse Rijk nooit bijzonder populair geweest in de Lage Landen. Hij bezat niet voldoende politieke feeling voor wat daar leefde aan sociale krachten, sprak ook de taal niet. En iedereen voelde aan dat zijn ware motivatie erin bestond terug de Bourgondische staat van voor 1477 te herstellen, terwijl hij zich tegen Frankrijk verdedigde. Hij was dan ook erg begaan met het innen van gelden voor oorlogen en trad daarbij de privileges van de steden gewoon met de voeten.

De periode onder Maximiliaan als regent wordt gekenmerkt door krachtverhoudingen van drie partijen, die haaks op elkaar stonden: zijn eigen ambitie om Bourgondië te heroveren en later het Duitse Rijk naar het westen toe uit te breiden, de ambitie van de Franse koning om zijn rijk naar het oosten uit te breiden, en daartussen de ijver van de steden met hun eigen tweestrijd tussen patriciaat en ambachten of gilden, waarbij vooral deze laatsten hun politieke macht wensten te vergroten om ten behoeve van de handel de vrede te bestendigen. Dit leidde tot wisselende overhandse bondgenootschappen.

[[Bestand:County of Artois (topogaphy)-nl.png|thumb|Topografische kaart van Graafschap Artesië late 14e eeuw.]]
De [[Staten-Generaal]] die de Nederlanden hoorden te besturen, bleken niet bij machte de eenheid te bewaren, vanwege innerlijke verdeeldheid uit [[particularisme]]. Maximiliaan beloofde hen wel geen oorlog of vrede aan te zullen gaan zonder hun voorafgaande goedkeuring, maar intussen kregen zij nooit weet van zijn plannen. Dat wekte achterdocht, wrevel en [[Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan|uiteindelijk opstand]] (waarin overigens de Franse koning [[Lodewijk XI]] via opruiers mee de hand had) in verschillende steden in Vlaanderen en daarna ook in Holland, Brabant en Utrecht. Maximiliaan beantwoordde dit in de klassieke stijl met bruut militair geweld. De Staten wisten uiteindelijk, aangedreven door onderhandelaars uit Gent, de aartshertog te overhalen om op 23 december 1482 het [[Vrede van Atrecht (1482)|verdrag van Atrecht]] te ondertekenen, waarbij de vrede met Frankrijk gegarandeerd werd, en hij dus zijn ambitieuze plannen moest opbergen. De vrede was in het voordeel van de steden, die op die manier hun handel en nijverheid verder konden uitbreiden. Er brak toen een periode aan waarin de buitenlandpolitiek van Maximiliaan in feite gedicteerd werd door de machtige stad Gent, die zich gesteund wist door Lodewijk XI.

Maar na de dood van de Franse koning (30 Augustus 1483) verklaarde Maximiliaan de Vrede van Atrecht ongeldig, omdat deze onder bedreiging was afgedwongen, en terstond trad hij in actie om een alliantie te smeden waarmee hij weerwraak zou nemen en Bourgondië heroveren. Hij meldde al zijn gezanten alvast de toezegging van de staten van de Nederlanden, behalve Vlaanderen, "''dat hij weldra zou onderwerpen''". Dit bleek niet enkel grootspraak, want naarmate de particularistische politiek van de ‘Drie Leden’ in Vlaanderen machtiger werd, hadden de andere gewesten begrepen, dat zij dezelfde belangen hadden als Maximiliaan. En toen deze laatste met een getraind leger kwam opdagen, gaven één na één de versterkte plaatsen zich over. Gent moest van al zijn sedert 1477 verkregen privileges afzien en zich ertoe verbinden de hertog in het genot te laten van al de door hen betwiste rechten, voorrechten, domeinen en heerlijkheden. Filips verliet het Prinsenhof, en ging in Mechelen verblijf houden. Daarna richtte Maximiliaan zich op zijn taak in het Heilig Roomse Rijk. In juni 1486 keerde hij zegevierend als Rooms koning gekroond terug en deed zijn intrede in de steden. Die ontvingen hem nu met ongemeen praalvertoon, ‘''want het was iets nieuws en ongewoons, een koning tot heer te hebben''’. In juli kwam zijn oude vader, [[Keizer Frederik III (1415-1493)|Frederik III]] op familiebezoek en werd met evenveel praal ontvangen. Het was immers sedert [[Keizer Hendrik V|Hendrik V]] geleden dat nog een keizer de Lage Landen had bezocht. Hij kwam echter niet als hoofd van het Duitse Rijk, maar als hoofd van het Habsburgse huis om zijn verwanten te zien en zijn kleinzoon in de armen te drukken. Maximiliaan daarentegen was nog steeds verbitterd en wilde de hoon van de Vrede van Atrecht wreken. Zijn plan was om Frankrijk tussen twee legers te verpletteren en daarvoor sloot hij een overeenkomst met de hertog van Bretagne en vriendschapsverdragen met Orléans en Navarra. Vanaf de zomer 1486 traden de legers in beweging. Picardië en Artesië werden onder de voet gelopen. In augustus sloegen de Fransen terug en namen St-Omaars en Theruanen waarna ze een grote overwinning behaalden voor Béthune. De steden voelden intussen de druk van de toenemende belastingen om de oorlog te financieren en ondergingen de ongemakken van zich kazernerende legers, en ze begonnen zich weer tegen Maximiliaan te keren. Vooral de Vlamingen, die de Vrede van Atrecht als hun verwezenlijking hadden beschouwd, vergaven de vorst niet, dat hij die geschonden had. Brugge beschuldigde hem ervan, dat het zijn handel aan die van Antwerpen had moeten prijsgegeven. Gent kon de verbeurdverklaring van de privileges nog steeds niet verkroppen en sloot opnieuw een alliantie met Frankrijk, waarna het een soort Gents Gemenebest uitriep, met herstel van de oude vrijheden terwijl de ambachten hun eerder overwicht hervatten. Brabant bleef de kant van de vorst kiezen, omdat het geen nieuw concurrentievoordeel voor Brugge tegenover het opkomende [[Haven van Antwerpen|Antwerpen]] wenste.

Nadat de Gentse coalitie op 9 januari 1488 een geslaagde krijgstocht tegen Kortrijk voerde, kwam Maximiliaan met een klein leger naar Brugge 'om te onderhandelen'. Alleen hemzelf werd toegang verleend door de gewapende milities van de ambachten die de poorten bewaakten, waarna hij door een verbitterd en achterdochtig geworden volk van ambachtslieden werd vastgehouden om inderdaad te onderhandelen. Frankrijk stuurde bemiddelaars, en [[Karel VIII van Frankrijk|Karel VIII]] zette zelfs uiteindelijk zijn zegel op de bereikte overeenkomst van 12 mei 1488 nadat die ook door Brabant, Henegouwen, Zeeland en het Naamse was aanvaard, en waarin Maximiliaan de vredesbelofte herstelde en het groot privilege bevestigde. Drie dagen nadat de vrede in Henegouwen en Brabant plechtig was uitgeroepen, verbrak hij echter opnieuw die overeenkomst en kwam met een groot leger "op bevel van de keizer" Gent belegeren. Intussen kwamen vanuit het zuiden Franse troepen Gent ter hulp. En nadat Antwerpen zich aan de zijde van Maximiliaan schaarde, gevolgd door Henegouwen, terwijl Brussel en Leuven aan Gent trouw bleven, raakte het land in een tweestrijd tussen enerzijds degenen die de vrijheden aanhingen en anderzijds zij die de handels- en nijverheidsbelangen het hoogst aanschreven.

De onafhankelijkheidsgedachte won veld in de persoon van [[Filips van Kleef]] die Maximiliaan verweet de Nederlanden bij Oostenrijk te willen inlijven. Filips van Kleef kon het keizerlijk leger gemakkelijk weerstand bieden met de steun van de Vlaamse steden, en in september ook Brussel en Leuven, door de [[Hoekse en Kabeljauwse twisten|Hoeksen]], die weer de wapens opnamen, door de Luikenaars met [[Willem I van der Marck Lumey|Willem van der Marck]] en tenslotte, door [[Esquerdes]]' ruiterij en de door Karel VIII gezonden Franse huurlingen. Frederik noch Maximiliaan bezaten overigens de middelen om hun krijgstroepen lang onder de wapens te houden. Deze raakten ontmoedigd na een vergeefse veertiendaagse belegering van Gent, dat gewoontegetrouw als verdedigingsmiddel het omliggende onder water zette door zijn rivieren te doen overstromen. De terugtrekking nadat Frederik in oktober zelf uittrok, leverde op het platteland nog een aantal vernielende schermutselingen op, waarna in februari 1489 Maximiliaan zelf wegens andere politieke belangen de Nederlanden verliet, en de herovering van de gebieden overliet aan de stadhouder, hertog [[Albrecht van Saksen (1443-1500)|Albrecht van Saksen]]. In de periode die volgde geraakte de burgeroorlog in de Nederlanden ondergeschikt aan de grotere internationale politiek, en besloten de steden één na één hun poorten open te zetten voor deze Albrecht. De Franse koning had namelijk als opperleenheer van Vlaanderen bij het [[verdrag van Montil-lez-Tours]] van 30 oktober 1489 aan Maximiliaan toegezegd dat zij de Roomse koning als [[momboor]] zouden erkennen en hem 300.000 gouden kronen betalen, als boete en in ruil voor vrede. Filips van Kleef, die dit verdrag weigerde te tekenen, trok naar [[Sluis]], dat de weerstand tegen Albrechts pogingen tot bezetting dan ook zou blijven volhouden. Maar zijn ambitie om de grote oppositie tegen de 'momboor' te leiden was mislukt.

De laatste gewapende uitbarstingen van [[particularisme]] in Brugge en Gent luidden een nieuwe tijdsgeest in. Na de onderwerping van de meest ontembare stad in de Nederlanden eindigde het tijdvak van de gemeenteoproeren. De strijd, die meer dan een eeuw tussen de Staat en de gemeenten gevoerd werd, was een strijd tussen het middeleeuws grondbeginsel van particularistische zelfstandigheid en het nieuwere van [[Monarchie|monarchale]] centralisatie. Hij zou eindigen met het zegevieren van dit laatste.

==== Onder Filips de Schone (1494-1506) ====
Op 12 juni 1493 werd de jonge [[Margaretha van Oostenrijk (1480-1530)|Margareta van Oostenrijk]] overgedragen aan de gezanten van haar vader, om naar [[Mechelen (stad)|Mechelen]] te worden gebracht. De Blijde Inkomst in Leuven op 9 september 1494 van haar intussen meerderjarig geworden broer [[Filips I van Castilië|Filips de Schone]] luidde een nieuwe periode van vrede in voor de Nederlanden.
Hij zette er de centralisatiepolitiek van zijn voorgangers voort, onder meer door in 1504 te Mechelen definitief de [[Grote Raad van Mechelen|Grote Raad]] te vestigen. In alle steden werd de magistraat vervangen door de ‘commissarissen des vorsten’ en aldus aan de invloed van de ambachten onttrokken. Kenmerkend was vooral dat in de Nederlanden de buitenlandpolitiek van het vorige bewind door een nationale politiek werd vervangen. De [[Staten-Generaal van de Nederlanden|(Generale Staten of Provinciale) Staten]] bepaalden vanaf nu samen met de vorst de buitenlandpolitiek en er werd afgewogen wat ''voor de Nederlanden'' het gunstigst was, ook als dat tegen de Oostenrijkse belangen inging (zoals het handelsverdrag ''[[Magnus Intercursus]]'', dat op 24 februari 1496 tussen Engeland en de Nederlanden werd getekend).

Bij een op 5 november 1495 te Mechelen getekend verdrag, werd het door Maximiliaan gearrangeerd dubbel huwelijk van Filips met [[Johanna van Castilië]] en van haar broer, [[Juan van Oostenrijk|don Juan]], met Filips' zuster, Margaretha, besloten. Hiermee raakte het lot van de Nederlanden (tegen de zin van Filips) weer onherroepelijk verbonden met Oostenrijk.

Na het achtereenvolgens afsterven van haar broer, don Juan (1497), haar zuster Isabella (1498) en van diens zoon, don Miguel (1500), werd Johanna, in hetzelfde jaar waarin [[Keizer Karel V|Karel V]] ter wereld kwam, de erfgename van de Spaanse koninkrijken. Als mede-erfgenaam en toekomstig Rooms koning met een gezag dat tot aan de Middellandse Zee zou reiken, kon Filips de Schone nu niet anders meer dan zich van de voogdij van zijn ministers en van de Staten losmaken. Nu hij de toekomstige bezitter van de grootste der Europese mogendheden was geworden, moesten de belangen van de Nederlanden voortaan voor machtiger motieven wijken.

[[Bestand:Juana la Loca de Pradilla.jpg|miniatuur|Johanna met de lijkkist van haar man]]
Zijn politiek bleef niet meer nationaal, maar werd, zoals die van zijn vader, tot een dynastische politiek. Na de onverwachte dood van koningin [[Isabella I van Castilië]] op 26 november 1504 nam Filips de titel van koning van Castilië op en reisde op 10 januari 1506 af naar het zuiden, terwijl hij het bestuur van de Nederlanden overliet aan [[Willem van Croy]], heer van Chièvres en tevens zijn belangrijkste raadsheer. Zelf wou hij proberen de kuiperijen van zijn schoonvader Ferdinand het hoofd te bieden. Op 25 september overleed Filips onverwachts te Burgos...

==== Onder Margaretha van Oostenrijk (1506-1515) ====
[[Bestand:Margaretha van Oostenrijk.jpg|miniatuur|Standbeeld van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen]]
Onmiddellijk eiste Maximiliaan nu namens zijn minderjarige kleinzoon het regentschap op over de Nederlanden en stelde zijn dochter [[Margaretha van Oostenrijk (1480-1530)|Margaretha van Oostenrijk]] aan voor de feitelijke uitvoering ervan als landvoogdes. Zij zette grotendeels de dynastieke politiek van het Spaans-Habsburgse rijk voort, waarbij de Staten een ondergeschikte rol speelden. Na tweemaal weduwe te zijn geworden besloot zij op 27-jarige leeftijd om tot het einde van haar dagen de weduwekap te blijven dragen. Margaretha wist intussen zeer actief mee het politieke spel te bepalen. In haar vrije tijd stimuleerde ze de kunsten, nodigde dichters, miniaturisten, schilders en kunstsmeden uit in haar paleis tegenover het 'Bourgondisch hof' in Mechelen, dat weldra een toonbeeld van de verheven kunsten werd. Intussen werd wel links en rechts gepoogd haar in conflicten te betrekken, zoals de [[Gelderse Oorlogen]], die al in 1502 waren uitgebroken met voornamelijk [[Graafschap Holland|Holland]], [[graafschap Vlaanderen|Vlaanderen]] en [[hertogdom Brabant|Brabant]] onder leiding van de [[Habsburg]]se vorsten aan de ene kant en [[Hertogdom Gelre|Gelre]], [[Groningen (stad)|Groningen]] en de [[De Ommelanden|Ommelanden]] en [[Friesland onder de Saksen|Friesland]], onder leiding van [[Karel van Gelre]] aan de andere kant, of door een onverhoedse aanval op de grenzen van [[Hertogdom Luxemburg|Luxemburg]] vanwege de Luikse prinsbisschop.

Toen Maximiliaan aanstalten maakte militair tussen te komen, eisten de Staten opnieuw de vrede. Zij beweerden, dat de oorlog met Gelderland een private twist was, die uitsluitend Brabant aanging en probeerden passief verzet te plegen via hun controle op de geldkraan. Na een eerste aanmaning en een gebod op 24 Juni 1508 om ondanks de weigering van de steden de [[bede (belasting)|bede]] in Brabant te lichten, waarmee zij de weerstand wou breken, wierp Margaretha het over een andere boeg. Ondanks haar weerzin tegen Lodewijk XII (die ook Gelderland steunde) koos zij voor vredesonderhandelingen. Zij wist haar vader te overtuigen, dat het behoud van de Nederlanden die opoffering vergde. Bij de onderhandelingen middels de Franse kardinaal van Amboise betoonde Margaretha een diplomatiek talent dat nooit eerder bij Oostenrijkse besprekingen was gekend. De daarop gesloten [[vrede van Kamerijk (1508)|vrede van Kamerijk]] bleek over de hele lijn gunstig voor Oostenrijk en voor de Nederlanden, al was dit laatste vooral te danken aan [[Chièvres]], de opvoeder van de kleine Karel.

Het leek er intussen wel op dat Margaretha de smaak van de 'grote' politiek te pakken had, en de oude droom van haar vader en haar overleden broer voor het herwinnen van het hertogdom Bourgondië had overgenomen. In 1513 deed zij Maximiliaan mee in een alliantie stappen van de paus en de koningen van Aragon en Engeland tegen Frankrijk. De oorlogen die daarop volgden bleven weliswaar buiten het grondgebied van de Nederlanden, maar de kosten ervoor werden wel op de Staten verhaald. Margaretha leed een morele nederlaag vanwege de Franse koning die plots vrede met Engeland sloot en de zuster van Hendrik VIII huwde, de verloofde van haar voogdijkind [[Keizer Karel V|Karel]].

In december 1514 eisten de Staten-Generaal, aangespoord door minister Chièvres, die al eerder opruiing tegen Margaretha had bewerkstelligd en thans van de situatie misbruik maakte, de aanstelling van hun natuurlijke vorst, de nu vijftien geworden Karel. Maximiliaan liet zich door hen vrijkopen voor akkoord, en op 5 januari 1515 werd Karel plechtig voor de te Brussel vergaderde Staten ingehuldigd. Zonder zelfs te zijn geraadpleegd, zag Margaretha zich openlijk vernederd vóór de adel en de Staten het regentschap ontnomen worden. Zij besloot daarna enige tijd teruggetrokken te leven.

==== Onder Karel van Luxemburg (1515-1522) ====
[[Bestand:ID2043-0003-0-Brussel, Sint-Michiel en Sint-Goedelekathedraal-PM 50764.jpg|{{largethumb}}|In de Sint-Goedelkathedraal te Brussel liet Karel zich alvast tot koning kronen]]
Het jaar daarop overleed Karels grootvader, [[Ferdinand II van Aragon|Ferdinand]], en erfde zijn moeder Johanna de koninklijke titel van Spanje. Maar toen [[Keizer Karel V|Karel]] bericht kreeg dat zij vanwege haar geestelijke toestand niet in staat was te regeren, besloot hij zichzelf alvast in de [[Sint-Goedelekathedraal]] te Brussel openbaar tot koning te laten zalven en vertrok het jaar daarop naar Spanje om er zijn functie waar te nemen. Enige dagen vóór zijn vertrek naar Madrid had hij Maximiliaan melding gegeven van zijn kandidatuur voor het Duitse keizerschap. Het werd duidelijk dat Karel op zijn beurt de koers van de [[Monarchie|dynastieke staatkunde]] ging volgen en het lot van de Nederlanden aan het belang van de Habsburgse dynastie ondergeschikt maakte.

Hij deelde hoge ambten uit, zoals aan Chièvres, die admiraal en generaal-bevelhebber van de zeemacht tot opperschatmeester van Spanje werd, en bisschopszetels aan verwanten en medestanders van hem. Die gunsten, verbitterden de Spanjaarden en werden er aanleiding tot de opstand der ''Comuneros'', maar ze verzoenden de grote [[Nederlanden]]se heren met het nieuwe stelsel, waardoor zij toetraden tot de wereldpolitiek van hun vorst. Nu Chièvres zich daartoe bekende kon ook het contact met Margaretha weer vlotten. [[Mercurino di Gattinara|Gattinara]] werd grootkanselier en op 24 juni 1518 verkreeg Margaretha volmacht om in de Nederlanden alle regeringsakten te tekenen en ambtenaren aan te stellen.

Toen Maximiliaan op 12 Januari 1519 overleed, schaarden de hoge heren, Hendrik van Nassau, Antoon van Lalaing, Geeraard van Plaines, Jan van Marnix en zelfs de bisschop van Luik, zich eendrachtig achter de kandidatuur van Karel om keizer te worden. Zijn verkiezing op 28 juni, die in Brussel de 30e bekend was, werd aanleiding voor grootse feesten. Het volk deelde de vreugde en de fierheid van de adel.

==== Tweede ambtstermijn van Margaretha van Oostenrijk (1522-1530) ====
Karel vertrok in oktober 1520 na een hartverwarmend bezoek aan de Nederlanden naar Duitsland, nadat hij zijn eerste plakkaat tegen de [[Luther]]anen uitgevaardigd had. Daarop vingen vrijwel gelijktijdig de twee oorlogen aan die hij de rest van zijn leven zou voeren: die tegen de [[reformatie]] en die tegen [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]], beide op Nederlandense bodem.

[[Bestand:Marguerite d'Autriche.jpg|miniatuur|Margaretha van Oostenrijk]]
Doornik, dat door de Engelse koning veroverd en aan Frankrijk geschonken was, werd door Karel ingenomen, en het rechtsgebied van het Frans Parlement over Vlaanderen en Artesië liet hij op 2 januari 1522 opheffen. Daarmee werd het laatste spoor van het Franse opperleenheerschap uitgewist en werden de Bourgondische gebieden één aansluitend geheel over de oude grens van het [[verdrag van Verdun]] heen. Karel verliet in mei de Nederlanden voor de verdere strijd in het zuiden en liet [[Margaretha van Oostenrijk (1480-1530)|Margaretha]] verder de ruimste volmachten om de Nederlanden te besturen als een echte onderkoningin. Zij had het recht de ridders van de orde, al de raden en de Staten-Generaal bijeen te roepen, en over alle zaken te laten beraadslagen. Ze oefende het oppertoezicht uit over geldwezen, justitie, landwacht, gouverneurs en stedehouders, en was gemachtigd plakkaten en verordeningen uit te vaardigen ‘als wij zelf zouden doen en gebieden in eigen persoon'.

Zodra Karel op 7 februari 1522 alle Oostenrijkse domeinen van de Habsburgers aan zijn broer Ferdinand had afgestaan werden de Nederlanden in feite door Spanje op sleeptouw genomen. De zinnebeeldige onderhorigheid van de Lotharingense grondgebieden onder opperleenheerschappij van het Duitse Rijk veranderde daar weinig aan. Het was klaarblijkelijk de bedoeling van de Nederlanden een vooruitgeschoven Spaanse machtspost in het noorden van Europa te maken.

Maar Margaretha is Bourgondische gebleven, en kon het niet over haar hart krijgen de Nederlanden eenvoudig als aanhorigheid van Spanje te beschouwen. Zij volgde soms een koers die inging tegen die van haar neef Karel, zoals ze voorheen tegen Maximiliaan was ingegaan. Zo sloot zij tot grote verontwaardiging van Mendoça en de Castiliaanse ministers, in 1528, toen opnieuw oorlog uitbrak tussen Karel en Frans I, die nu Hendrik VIII tot bondgenoot had, een bijzonder bestand met Engeland om de handel der Nederlandense gewesten te vrijwaren. Zo ook tegenover de koning van Denemarken, [[Christiaan II van Denemarken|Christiaan II]], sedert 1514 echtgenoot van haar nicht Isabella, en in 1523 door [[Frederik I van Denemarken|Frederik van Holstein]] onttroond, waarna hij de wijk naar de Nederlanden had genomen om zich tot weerwraak toe te rusten. Margareta was enkel bedacht op het behoud van de vrede met Frederik, die aan de Hollandse schepen vrije doorvaart door de [[Sont]] verleende, en liet de door Christiaan uitgeruste kaperschepen niet aanleggen in de Nederlandense havens. Meer nog, toen Karel V in 1524 het voornemen uitte zijn schoonbroer ter hulp te komen en de keizerlijke opperleenheerschappij over de Noordse koninkrijken op te leggen, werkte zij die politiek hardnekkig tegen en sloot een vredesverdrag met Frederik en met de [[Hanze]]steden, die deze op zijn hand had.

[[Bestand:County of Flanders (topogaphy).png|miniatuur|Topografische kaart van het [[Graafschap Vlaanderen]] aan het einde van de 14e eeuw met de grens van het [[Heilige Roomse Rijk]] in het rood. ([[Rijks-Vlaanderen]] lag ten oosten van deze grens).]]
Onder haar regentschap werden ook Friesland - geteisterd door een verwoede strijd tussen [[Schieringers en Vetkopers]] -, evenals het vorstendom Utrecht voorgoed bij de Bourgondische gewesten gevoegd.<ref>P.-J. Blok, (1893): deel II, pp. 338 e. v.</ref> Daarmee was de Bourgondisch geworden [[Zuiderzee (water)|Zuiderzee]] bijna geheel door de Nederlanden omsloten. De door Margaretha onderhandelde [[Damesvrede van Kamerijk|vrede van Kamerijk]] werd ten slotte op 3 augustus 1529 door Frankrijk aangenomen, en bevestigde de veroveringen van de laatste jaren voorgoed. Dit zorgde er o.a. voor dat de Franse Koning, Frans I, zijn aanspraken op [[Kroon-Vlaanderen]] opgaf. Om de originele plannen van Filips de Goede en van Karel de Stoute te verwezenlijken bleven nu enkel nog Groningen, Drenthe en Gelderland te onderwerpen.

In de nacht van 30 november op 1 december 1530 overleed Margaretha echter in haar paleis te Mechelen. In haar testament stelde zij Karel tot haar enige erfgenaam aan, en wees er op het ogenblik, dat zij de Nederlanden voor eeuwig verliet, met fierheid op, dat deze niet alleen ongeschonden bleven, maar ook ‘merkelijk vergroot’ werden.

==== Onder Maria van Hongarije (1530-1558) ====
[[Bestand:HabsburgMaria.jpg|miniatuur|Maria van Hongarije]]
Na de dood van Margaretha vroeg Karel V zijn zuster [[Maria van Hongarije (1505-1558)|Maria van Hongarije]] het [[Lijst van landvoogden van de Nederlanden|landvoogdijschap over de Nederlanden]] op zich te nemen. Na een periode van twijfel om haar vrijheid op te geven besloot zij het als haar plicht tegenover de keizer om als opvolgster van haar tante de zware taak voort te zetten. Zij was geen hertogin van Bourgondië zoals deze laatste, en ze miste de geleerdheid, verfijning en kunstzin die Margaretha in de Lage Landen stimuleerde. Maar in de 25 jaar die volgden toonde Maria een opmerkelijk talent inzake praktisch politiek doorzicht en vooral krachtdadigheid. Zij liet zich bij de raadslieden overtuigen van een gunstig onthaal van Karels keuze, en verbaasde haar raadgevers door haar kundigheid op financieel en militair gebied, van vestingbouw tot legeroefeningen. Maria maakte zich spoedig ook alle takken van het bestuur eigen, en beschouwde het een eer om trouw te kunnen dienen. Wanneer zij het nodig achtte, liet zij echter de belangen van de keizer op die van haar onderdanen voorgaan, hetgeen haar uiteindelijk minder geliefd maakte bij het volk.

Nadat op 24 januari 1531 keizer Karel zich na bijna tien jaar persoonlijk te Brussel vertoonde om de nieuwe landvoogdes aan te stellen, werkte hij bijna permanent aan het opstellen van de drie bestuursraden die de regentes zouden blijven bijstaan. Hij stelde toen ook het [[Eeuwig Edict (1531)|Eeuwig Edict]] op dat de basis voor de wetgeving van de Nederlanden vormde. In oktober nam hij naar gewoonte afscheid van de Staten om hen de nieuwe toestand over te dragen. Persoonlijk het woord nemend vermaande hij hen, uit alle macht de [[ketterij]] te helpen bestrijden en bevestigde dat, zo iemand verwanten of vrienden had ‘''die Luyters waren, hy hem vyant soude syn''’. Hij vernieuwde het verschrikkelijke plakkaat van 1529 dat ketters met de doodstraf beboette. Zoals Karel wist, was zijn zuster zelf niet geheel afkerig van de [[Reformatie]], en vooral niet van de menselijke houding van verdraagzaamheid die het humanisme voordroeg. Maar ze kreeg de dubbele opdracht het keizerrijk te dienen en de Reformatie te bestrijden. Maria nam haar intrek niet in Mechelen maar in het oude paleis van de hertogen van Bourgondië in Brussel, dat hierdoor de hoofdplaats van de Nederlanden werd.

Het beleid van Maria van Hongarije werd al vroeg getest door het conflict tussen [[Christiaan van Denemarken]], die in Holland troepen samentrok, en diens mededinger [[Johan Adolf van Sleeswijk-Holstein-Gottorp|Frederik van Holstein]]. Toen Christiaan op 26 oktober 1531 met vijfentwintig bodems en 7000 soldaten de haven van Medemblik richting Noorse kust uitzeilde, schond hij daarmee de neutraliteit die de Nederlanden respecteerden en sloot Frederik onmiddellijk een verbond met [[Lubeck]], waardoor de [[Sont]] voor de Hollandse schepen gesloten werd. De eis van Holland om in de Nederlanden alle Deense en Hanzeschepen aan de ketting te leggen, en een Nederlandense oorlogsvloot uit te rusten, stuitte op het particularistisch verzet van de andere gewesten, die niet begrepen dat zij gemeenschappelijke belangen hadden. Vlaanderen en Antwerpen wensten zich buiten het conflict te houden, maar Maria koos onmiddellijk partij voor Holland, dat voor haar als gewest onlosmakelijk deel uitmaakte van de ene staat der Nederlanden, behorend tot dezelfde vorst. Toen daarna, als gevolg van het onderbreken van de handel, de prijzen enorm stegen nam de ontevredenheid toe, werd de landvoogdes door de ambachten verwenst en brak zelfs opstand uit in Brussel. Maar Maria gaf niet toe en het was na de dood van Frederik op 10 april 1533, dat zij gebruikmakend van de verwarring die daarbij in Denemarken ontstond, een [[(Verdrag van Gent (9 september 1533)|gunstig vredesverdrag]] in de wacht sleepte dat dertig jaar duurde. Een intussen in de Nederlanden uitgeruste vloot van 40 schepen kon onder admiraal [[Geeraard de Merckere]] rustig de Bourgondische vlag in de Sont voeren, omdat Lubeck daar nu geheel alleen stond.

Op 10 december 1536 aanvaardde [[Karel van Egmond]] de [[vrede van Grave]], waarbij hij Groningen en Drenthe aan Karel V afstond, en hem ook als zijn erfgenaam in het [[hertogdom Gelderland]] en in het [[graafschap Zutphen]] erkende. Dit betekende een nieuwe uitbreiding van het Nederlandense grondgebied.

Op 3 mei 1537 tekende [[Christiaan III van Denemarken|Christiaan III]] met Maria van Hongarije een driejarig bestand dat de vrede inleidde. Vanaf 1542 tonen de ontvangsten van de in de Sont gelichte ''Pfundzoll'', dat het verkeer van Hollandse schepen de tien volgende jaren vertienvoudigde. Van toen af nam de Hollandse koopvaardij in de noordse wateren voorgoed de plaats van de [[Hanze]] in.
In de oorlog met Frankrijk had Maria, naar Margaretha's voorbeeld in 1528, de neutraliteit van de [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] willen verklaren. Maar Karel V stond dat niet toe en zij moest zich in een oorlog verwikkelen die door iedereen, behalve door de edelen die de krijgsbenden aanvoerden, terecht verafschuwd werd en waarvoor er geen geld was. Na een vergeefse [[Beleg van Péronne|belegering van Péronne]] moest de [[graaf van Nassau]] de aftocht laten blazen, waardoor nieuwe veldtochten zich aandienden, terwijl de kas leeg was. Voor de onbetaald gebleven schuld moest de interest van 14 naar 20% verhoogd worden, waardoor er opstand begon te dreigen.
Maria wenste opnieuw over de neutraliteit van de Nederlanden te onderhandelen, en opnieuw weigerde Karel dit. Maar hij weigerde ook het ontslag dat zij hem aanbood. De houding van de op het einde van 1536 bijeengeroepen Statenvergadering was niet gunstig. De Vlamingen verklaarden ronduit, dat ‘''zij niet rijk genoeg waren om de keizer Frankrijk en Italië te helpen veroveren''’.

Toen echter [[Frans I van Frankrijk|Frans I]] Vlaanderen en Artesië ‘''in volle recht eigendom der kroon verklaard''’ had en op 16 maart 1537 de grens overstak, vergaderden acht dagen later de in aller ijl te Brussel bijeengeroepen Staten-Generaal. Maria en rekwestenmeester van de [[Geheime Raad]] [[Lodewijk van Schore]] drongen aan op de noodzaak om de overweldigers te verdrijven en deden ook beroep op de gehechtheid van de gewesten aan hun privileges. De keizer liet zijn onderdanen in het bezit van hun vrijheden, zo bepleitten ze, terwijl algemeen geweten was, dat Frans I de zijne in dienstbaarheid hield, ‘''zoals men wel kan vaststellen in de gewesten, die hij van het Bourgondisch huis in bezit houdt''’. Brabant verklaarde zich bereid tot de verdediging van de overweldigde gewesten bij te dragen, omdat al de provinciën ‘''makende een corpus, daer de keyserlicke majesteyt dat hoeft van es''’, één lichaam uitmaken, waar zijne keizerlijke majesteit het hoofd van is. De Staten besloten een maandelijkse belasting van 200.000 carolussen als soldij van een leger van 30.000 man te bewilligen. Gent alleen maakte bezwaar. Maar de door de landvoogdes en de Staten der Nederlanden getroffen verdedigingsmiddelen ontmoedigden de koning van Frankrijk dermate, dat hij enkel nog wat dorpen van Artesië en aan de Henegouwse grens in brand stak, en eind april afdroop om in Italië te gaan oorlogen. Er bleven nog slechts wat bezettingen in Picardië. Op 30 juli werd te [[Bomy]] (nabij Theruanen) een bestand voor de ganse noorderstreek getekend, op 16 november gevolgd door het [[bestand van Monçon]] en later 18 juni door [[Verdrag van Nizza (1538)|dat van Nizza]], waarmee een nieuw tijdvak van vrede aanbrak.

De tweede opdracht in de missie van Maria van Hongarije was de strijd tegen het opkomend lutherdom. In 1534 stelde zij voor de Staten vast dat er wel nog verborgen kernen van aanhangers waren, maar dat de ijveraars thans wegbleven en dat de nieuwe leer geen volgelingen meer won. Maar ongemerkt had zich een andere staatsgevaarlijke sekte in de Nederlanden genesteld. De [[anabaptisten]] predikten geweld om door het zwaard 'het rijk des Heren te stichten'. Een op 1 juni 1535 uitgevaardigd edict stelde de anabaptisten de facto buiten de wet, door ieder die hun leer aanhing met de dood te straffen.

'''''De Gentse Opstand'''''
{{Zie hoofdartikel|Gentse Opstand (1540)}}
[[Bestand:Stroppendragers.jpg|miniatuur|Stroppendragers gedurende het jaarlijks [[Festival van Gent]].]]
De levensduurte schiep niet enkel een voedingsbodem voor de godsdienstige [[sekte]]n, maar was ook hier en daar aanleiding voor opnieuw opduikend [[particularisme]]. In 's Hertogenbosch in 1525 en in Brussel in 1532 brak zelfs oproer uit geleid door de ambachten, die hun vroeger overwicht in het stadsbestuur wilden heroveren. De centralisatie van het bestuur had ertoe geleid dat commissarissen van hoger hand werden aangeduid om de gemeentelijke mandatarissen te kiezen. Hierdoor was de werkelijke macht van de ambachten en gilden erg geslonken. In Gent groeide een gelijkaardig oproer op 15 augustus 1539 uit tot een proletariërsoproer, [[Gentse Opstand (1540)|de Gentse Opstand]]. Toen ook het gemeen te Oudenaarde, Kortrijk, Ieper, Rijsel, Armentières en Geeraardsbergen een dreigende houding aannam, vreesde de landvoogdes dat de anabaptisten weer de kop zouden opsteken. Maar het proletariaat van de verschillende steden, bestaande uit gezellen, leerjongens en loonarbeiders, had nog geen eigen klassenbewustzijn en kon zich ook niet verenigen. Karel liet de toestand dus blauwblauw, totdat hij vernam dat de Gentenaren bewust zijn gezag trotseerden, hem 'natuurlijke vorst' in plaats van 'opperste vorst' noemden, en bovendien een poging tot inroeping van militaire hulp bij de koning van Frankrijk, Frans I, hadden ondernomen, zoals hun moedige voorvaderen tachtig jaar eerder hadden gedaan, besloot hij zijn gezag voorbeeldig tegenover de hele Nederlanden te bevestigen. Uit Spanje terugkerend (in feite op doortocht om zaken in het Duitse gebied te regelen) verscheen hij op 21 januari 1540 met een leger in Valencijn.

Na enkele dagen rust maakte Karel plots zijn bedoelingen kenbaar. Vergezeld van de koningin van Hongarije en een aantal Nederlandense heren met hun wapenknechten en van 5000 Duitse voetknechten trad hij op 14 februari, te midden van algemene verslagenheid, de stad binnen en verbleef er tot 12 mei in het [[Prinsenhof (Gent)|Prinsenhof]], waar hij geboren was. Daar regelde hij met ingehouden woede de '[[Karolijnse concessie]]' met afschaffing van alle Gentse privileges, en de voorwaarden waaraan de stad in de toekomst zou moeten voldoen. Niet alleen zouden de schepenen van Gent, evenals die van de andere steden in de Nederlanden, nu door de vorst aangesteld worden, maar ook werden alle zelfstandige organisaties en gestelde lichamen afgeschaft. De ‘collatie’ (grote gemeenteraad) werd vervangen door een vergadering van enkele door de [[baljuw]] en de schepenen aangewezen afgevaardigden van de parochiën, die bij stemmenmeerderheid besliste. De [[ambacht (handwerk)|ambacht]]en werden herleid tot nijverheidsgroepen, onderworpen aan het strenge toezicht van magistraten, hun [[deken (kerk)|deken]]s door ‘oversten’ vervangen, op hun beurt door de baljuw en de schepenen aangesteld.

Met deze opzienbarende nederlaag van Gent eindigde een tijdvak in de geschiedenis van de Nederlanden. De gemeentepolitiek en inmenging van de ambachten in de openbare zaken eindigde hier en verzet tegen het [[dynastie|monarchaal gezag]] kon enkel nog in de Statenvergaderingen worden geuit.

Maar de kooplieden, die altijd vrijheid van koopmanschap plegen te vragen en te Gent niet wilden wonen of verkeren ter wille van de buitensporige vrijheden van de poorters, kwamen er zich thans in groten getale vestigen. Verlost van de knellende banden der ambachten bereikte de nijverheid een hoge bloei. Gent groeide uit tot 'de grote markt van het Vlaams linnen', en toen de [[Terneuzense vaart]], aangevat in 1547, haar een uitweg naar zee schonk, beleefde de stad een nieuw tijdperk van groeiende welvaart.

'''''De Gelderse Kwestie'''''
{{Zie hoofdartikel|Gelderse Oorlogen}}
[[Bestand:Armorial Gelre Flemish Flag.jpg|miniatuur|Blad uit het [[Wapenboek Gelre]]]]
In 1540 dreigde er opnieuw oorlog voor de Nederlanden toen de koning van Frankrijk op 17 juli een bondgenootschap sloot met de nieuwe hertog van Gelderland, [[Willem V van Kleef|Willem van Kleef]], waardoor de oude [[Gelderse oorlogen|Gelderse kwestie]] weer in een kritieke fase trad. Zijn voorganger [[Karel van Egmond]] had bijna vijftig jaar lang Gelderland van de Bourgondische inpalming kunnen vrijwaren. Het was echter vooral de spanning tussen de twee grote mogendheden van de westelijke wereld, en bepaald het bondgenootschap met het huis Valois, dat Gelderland zo lang zijn onafhankelijkheid liet houden. Voor [[Frans I van Frankrijk|Frans I]] was het in zijn twisten met de keizer immers van onschatbare waarde, dat het hart van de Nederlanden in het noorden bedreigd werd, terwijl hijzelf ze in het zuiden kon aanvallen. Maria van Hongarije, de landvoogdes, vreesde dus voor een te duchten territoriale mogendheid aan de rand van de Nederlanden, nu Willem, die reeds erfgenaam was van de hertogdommen Kleef en Gulik en van de graafschappen Berg en Mark, ook Gelderland bij zijn erven voegde. Eind 1537 had zij hem laten weten, dat de keizer nooit van zijn rechten op Gelderland zou afzien. En om dit plechtig te bevestigen had zij enige dagen later de Grote Raad van Mechelen bevolen bij de lange lijst van Karels titels ook die van hertog van Gelderland en graaf van Zutphen te voegen. Toen Maria, na het overlijden van zijn vader op 7 februari 1539, Willem aanmaande om Gelderland te ontruimen, nadat zij er door verraad reeds meerdere steden had weten te bemachtigen, en toen Karel V daarop ook nog weigerde hem het verlof voor zijn vaderlijke erfenis te verlenen, kon Willem weinig anders dan gaan vechten. Hij rekende op steun van de protestantse vorsten van Duitsland, die de toenemende macht van de keizer met lede ogen aanzagen, en ook van [[Hendrik VIII]], die toen juist met Karel V overhoop lag, en natuurlijk van Frans I, die een nieuwe oorlog voorbereidde.

Toen dan op 6 januari 1540 de koning van Engeland te Greenwich trouwde met [[Anna van Kleef (1515-1557)|Anna van Kleef]], zuster van Willem, en die zelf op 4 juli van het volgend jaar zich verloofde met [[Johanna van Albret]], nicht van de Franse koning, werd de Gelderse kwestie een Europese kwestie. Ze legde de basis voor de diplomatieke kuiperijen en staatkundige en godsdienstige ijverzucht van de drie grote Staten in de westerse wereld.

[[Bestand:Locator Duchy of Guelders and County of Zutphen (1350).svg|miniatuur|Hertogdom Gelre]]
In 1542 was het dan zover. Toen Karel V voor de muren van Algiers een strijd tegen de Moren verloor, zag Frans I zijn kans schoon om tot de aanval over te gaan. Hij had zorgvuldig de bondgenootschappen voorbereid met Willem van Kleef, met de paltsgraaf, en de keurvorsten van Menz en van Saksen, van Denemarken, van Zweden, en Schotland. Hij had bovendien reeds de buit bij voorbaat verdeeld: de koning van Denemarken kreeg Holland en Friesland, de hertog van Kleef ontving Brabant, terwijl hij zelf Vlaanderen en Henegouwen zou houden. Maria had wel zelf al voorbereidingen genomen door de vestingen te laten herstellen en een leger in staat van paraatheid te brengen. In juli 1542 begonnen de vijandelijkheden en werden de Nederlanden op alle windstreken tegelijk aangevallen. Maar Maria had de noorder- en zuidergrenzen met troepen bezet onder de bevelen van Renatus van Nassau, prins van Oranje, van de hertog van Aarschot, van de graven van Buren en van Roeulx en deze hielden behoorlijk stand. Intussen was Karel V voorjaar 1543 ijlings onderweg met een troepenmacht van 26.000 Italianen, Spanjaarden en lansknechten, en begaf zich daarmee recht naar Gelderland om een definitief einde aan de Gelderse kwestie te stellen. Enkele dagen volstonden om Willem te bedwingen. Duren werd op 22 augustus belegerd en na twee dagen stormenderhand ingenomen.

[[Bestand:Espagnols.PNG|miniatuur|De Zeventien Provinciën (in rood de lijn van de latere afscheiding der Noordelijke Nederlanden van de Zuidelijke)]]
Op 7 september moest de verschrikte hertog zich onderwerpen. Met het [[verdrag van Venlo]] deed hij afstand van al zijn rechten op Gelderland en Zutphen. De vereniging van de Nederlanden was nu een feit. De inlijving van dat [[Gewest (Lage Landen)|gewest]], door Filips de Goede al beproefd en ooit door Karel de Stoute kortstondig verwezenlijkt, diende de veiligheid en de samenhang der [[Zeventien Provinciën|provinciën, vanaf nu zeventien in getal]]. De verovering van Gelderland vergrootte niet alleen hun grondgebied, maar vrijwaarde hen ook voortaan tegen aanvallen langs het noorden. Nadat ook [[Kamerijk en het Kamerijkse|Kamerijk]] was ingenomen trok Frans I zich terug, en erkende de neutraliteit van die aloude bisschopsstad. Ze bleef, evenals het Land van Luik, tot begin 17e eeuw onder het protectoraat van de Nederlanden. De in november opgerichte burcht daar zou voortaan de zuidergrens van de Bourgondische gewesten dekken, samen met de burchten van Mariembourg, Philippeville en Charlemont. In het hart van het land werd [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] door een systeem van vestingen omgeven, dat lang als een meesterwerk inzake krijgsbouw gold. Al deze grote verdedigingswerken leverden aan de Nederlanden de uitstraling van een moderne Staat. De oorlog zelf werd het jaar nadien in Lotharingen en in Frankrijk gevoerd en eindigde op 18 september 1544, met de [[Vrede van Crépy]].

[[Bestand:Spanish Netherlands.svg|miniatuur|De Habsburgse Nederlanden (oranje), het prinsbisdom [[prinsbisdom Luik|Luik]] (paars) en de rijksabdij [[Stavelot-Malmedy]] (roze), (situatie sinds 1548)]]
Vanaf dat jaar verbleef Karel V nu bijna ononderbroken in de Nederlanden. Hij liet zich in het noorden weerhouden door de protestanten en door de nieuwe oorlog van Frankrijk na de dood van Frans I. [[Hendrik II van Frankrijk]] richtte namelijk al zijn pijlen tegen de Nederlanden, zodat tegen het eind van het bewind van Karel V de Bourgondische gewesten het slagveld voor beide grote mogendheden werden. De daaraan verbonden beden (nauwelijks anderhalf miljoen pond per jaar gedurende het eerste deel van het bewind) liepen op tot zes miljoen in 1552, en tot zeven in 1555. Verpletterende leningen onder waarborg van de steden en provinciën putten het krediet der Nederlanden dusdanig uit, dat financiële crisissen niet ver weg meer waren, zelfs van het uiterst solvabele Antwerpen.

'''''Transactie van Augsburg: de Nederlanden staatkundig één geheel'''''<br />
Op 25 oktober 1548 werd de voor de Nederlanden zeer gunstige [[Transactie van Augsburg]], waarmee de Zeventien Provinciën door de [[Rijksdag]] als staatkundig geheel werden erkend en feitelijke onafhankelijkheid verkregen, aan de Statenvergadering voorgelegd en zonder meer aangenomen. Tot in 1552 werd de aan de [[Bourgondische Kreits]], waarvan de Nederlanden het grootste deel uitmaakten, opgelegde deelname in de rijkslasten (hooguit 80.000 gulden) zonder dat daar extra belastingen voor hoefden opgelegd te worden regelmatig betaald.
De aan de verschillende provinciale Staten voorgelegde en door hen aangenomen [[Pragmatieke Sanctie (1549)|Pragmatieke Sanctie]] die in 1549 voor de Bourgondische gewesten eenheid in het opvolgingsrecht bracht, zodat ze alle onder dezelfde vorst zouden blijven, vormde de natuurlijke bekroning van de staatkundige ontwikkeling van de Nederlanden die begin 12e eeuw was ingezet.

[[Bestand:Locator Burgundian Circle.svg|300px|thumb|De Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. Na de Transactie van Augsburg in 1555.]]
Maar de geschiedenis wacht niet. Op 26 september 1551 werd de oorlogsverklaring van de Franse koning aan Karel V te Brussel afgekondigd. Het bleek een gezamenlijke poging van Hendrik II en de protestantse vorsten om de macht van Karel V te doen wankelen. De Fransen richtten hun eerste aanvallen tegen Lotharingen, maar spoedig verlegde het front zich naar de grenzen van de Nederlanden, waar Luxemburg en Henegouwen belaagd werden. In 1553 veroverden de Keizerlijke troepen de steden Theruanen en Hesdin, die zij geheel verwoestten en verbrandden. Het jaar daarop trok de Franse koning vanuit Artesië door de Maasvallei en moest Mariembourg zich overgeven. Na Bouvignes te hebben bestormd en aan de vlammen prijsgegeven trok het Franse leger naar Dinant, dat spoedig de poorten opende. In Luik wachtten keizerlijke versterkingstroepen uit Duitsland, in Brussel had landvoogdes Maria van Hongarije de burgers bewapend. Meerdere steden en vestingen werden vernield totdat Hendrik II op 4 augustus eindelijk terugweek, nadat Karel troepenversterking van zijn zoon uit Spanje had gekregen. Maar zowel keizer als koning waren aan het eind van hun krachten en hun financies, en besloten tot onderhandelen.

Op 5 februari 1556 tekenden zij het op de ''statu quo'' gebaseerde vijfjarig [[bestand van Vaucelles]]. Vanaf die ondertekening behoorden de Nederlanden Karel niet meer toe.
Na het door Karel gearrangeerd huwelijk van zijn zoon [[Filips II van Spanje|Filips II]] met [[Maria I van Engeland|Maria Tudor]] op 25 juli 1554 in Londen, had hij deze reeds ontboden te Brussel op 8 september 1555. Op 25 oktober 1556 verscheen de keizer, nog in de rouw over zijn moeder, die kort te voren gestorven was, met de ene hand steunend op een stok, met de andere op de schouder van de prins van Oranje, voor de laatste maal vóór de Staten, namelijk om voor hen de heerschappij op zijn zoon over te dragen. Ook de landvoogdes bewoog de heren van de Staten tot weemoed, toen zij aankondigde haar broer te zullen volgen in zijn afzondering. Na de ondertekening van het bestand van Vaucelles te hebben bijgewoond vertrok Karel V op 14 september 1556, samen met zijn zusters Maria en Eleonora, vanuit [[Vlissingen]] naar [[Castilië]].

=== De Spaanse Nederlanden (1556-1715) ===
[[Bestand:Netherlands 1559-1608.jpg|thumb|Kaart van de [[Spaanse Nederlanden]] 1559-1609]]
{{Zie ook|Zie [[Spaanse tijd]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}
Reeds in 1549 was [[Filips II van Spanje|Filips II]] vanaf 17 maart een aantal maanden in de Nederlanden geweest, om er op uitnodiging van zijn vader met zijn toekomstige onderdanen te komen kennismaken. Op het eerste zicht had hij niets van een Spanjaard met zijn blonde haren en baard, blauwe ogen en blanke huid. Maar hij sprak geen woord Nederlands en slechts met moeite Frans. Stijf en ernstig hield hij zich in de buurt van de [[Fernando Álvarez de Toledo|hertog van Alva]] en de Castiliaanse heren die de reis met hem hadden gemaakt, en verfoeide merkbaar de vrijmoedigheid en ongedwongen houding van de bewoners. Hij stond toen even vreemd tegenover de Nederlanden als destijds zijn vader voor Spanje had gestaan. En voor zijn ‘''[[landen van herwaerts over]]''’ zou hij altijd een vreemdeling blijven.

De Habsburgse erfenis bestond uit twee takken, de ene met Ferdinand in Wenen, de andere met Filips in Madrid aan het hoofd. Nadat Filips in juni 1550 naar Duitsland vertrok om van oom [[Keizer Ferdinand I (1503-1564)|Ferdinand]] en de Rijksvorsten de titel van Rooms koning te verkrijgen, kwam hij van de [[Rijksdag]] van 7 maart 1551 enkel als erkend erfgenaam van de keizerlijke lenen in de Nederlanden terug, waarna hij naar Spanje weerkeerde. Na zijn huwelijk in Engeland kwam hij in 1555 naar Brussel om van de keizer de heerschappij over de Nederlanden in ontvangst te nemen. De vertegenwoordigers van de Staten waren ontgoocheld toen hij zich tot hen wendde om verschoning te vragen voor het feit dat hij hun talen niet sprak. In zijn naam liet hij Karels topadviseur en bisschop van Atrecht, [[Antoine Perrenot de Granvelle|Granvelle]], een toespraak vol beloften houden. Als [[Lijst van landvoogden van de Nederlanden|landvoogd]] werd [[Emanuel Filibert van Savoye (1528-1580)|Filibert van Savoye]] aangewezen.

Filips had waarschijnlijk al plannen om van de Nederlanden een apart koninkrijk te maken.
De koning sprak over zijn plannen echter enkel met Granvelle, Ruy Gomez, Bernardino de Mendoça en don Juan Manrique. Daarom eiste de Raad van State al op 18 november 1555, dat zaken die de [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] aanbelangden aan hun advies zouden onderworpen worden.

De Franse koning [[Hendrik II]] bereidde, met steun van de paus, openlijk een nieuwe oorlog voor. Om die te doorstaan, zou men de gewesten grote opofferingen moeten vragen. Want de ontzaglijke krijgsuitgaven van Karel V hadden het land al zware lasten en grote schulden opgelegd. De dreigende breuk van het [[bestand van Vaucelles]] had in de gewesten dan ook eerder ongenoegen dan angst opgewekt. Zij beseften immers, dat Frankrijk het niet zozeer op hen gemunt had, maar wel op Spanje, en vonden het ongehoord de grootste last van een oorlog die hen niet aanging te moeten dragen. De Staten-Generaal werden daarin gevolgd door de Raad en door de landvoogd zelf, waarop Filips zich verplicht zag bij de afzonderlijke provincies een beroep te doen op beden, en besloot om ook uit Spanje grote kapitalen aan te trekken. Hij had zich van de medewerking van Engeland verzekerd, dat op 7 juni 1557 Frankrijk de oorlog verklaarde. De eerste schermutselingen hadden plaats aan de grens van Artesië. Het leger met een totaal effectief van 56.000 man, waarover [[Filibert van Savoye]] op 15 juli het opperbevel kreeg, bestond uit Spaanse ''tercios'', Engelse korpsen, Duitse en Waalse huurlingen, en de Nederlandense ordonnanstroepen, aangevoerd door de grootste heren uit de gewesten, de prins van Oranje, de graaf van Egmond, de baron van Berlaymont, de hertog van Aarschot enz. Na een inval in Champagne, de verovering van Sint-Quintens, Noyon en Chauny, moest het leger alvorens Parijs aan te vallen winterkwartieren in het veroverd land, terwijl de koning naar middelen uitzag om zijn financiën te herstellen.

Spanje was in juni al zo goed als bankroet en de Staten-Generaal werden in augustus 1557 te Valencijn bijeengeroepen, vanwaar ze weldra naar Brussel gingen om zitting te houden tot in mei 1558. De koninklijke oproepingsbrief maakte geen geheim van de verschrikkelijke verlegenheid van de regering. Die bekende, dat de schatkist leeg was, dat er geen geld voor de soldij van de troepen en schier geen meer voor de bezoldiging van de officieren van justitie was. Van die bekentenis van onmacht maakten de gewesten gebruik om hun politieke inbreng te vergroten. Door Brabant aangevoerd besloten zij hun voorwaarden te stellen. Op 26 november en 17 december 1557 werden de hertog van Savoye twee lijvige bundels vertogen aangeboden. Daarin werd erop aangedrongen dat de troepen voortaan voor de twee derden uit inlanders zouden bestaan, de bewaking van de vestingen aan de Vliesridders of aan inlandse edelen werd toevertrouwd, dat de koninkrijken Spanje, Sicilië, Milaan en Napels, volgens hun belangrijkheid, bijdroegen tot de krijgsuitgaven. Brabant ging nog een stap verder door te protesteren tegen het betalen van de door de koning gemaakte schulden, terwijl Holland de godsdienstkwestie opwierp en beperking van de macht der kettermeesters overeenkomstig het canoniek recht vroeg. Filips antwoordde welwillend op de hem overgemaakte documenten, zonder zich evenwel tot iets te verbinden, en verkreeg een deel van de gevraagde financiën op voorwaarde dat die door de Staten werden beheerd. De burgemeester van Antwerpen Antoon van Straelen, werd als algemeen secretaris en opperintendant voor de krijgsuitgaven aangesteld. Gelukkig bracht de wapenstilstand van 17 oktober 1558 algemeen soelaas, - want ook de Franse schatkist was leeg - en leidde op 3 april tot het [[verdrag van Cateau-Cambrésis]].

[[Bestand:MargarethevonParma02.jpg|thumb|Margaretha van Parma door [[Anthonie Mor]]<ref>Portret in [http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Margaretha%20van%20Parma Digitaal Vrouwenlexicon]</ref>]]
Daarop oordeelde Filips dat zijn aanwezigheid in de Nederlanden niet meer noodzakelijk was en hij naar Spanje kon afreizen. Eerst diende hij echter nog de troepen af te danken en voorgoed het bewind over de Nederlanden te regelen. Terwijl de Provinciale Staten hierover nog onderhandelden werden hun afgevaardigden op 31 juli plots naar Gent geroepen. Op 7 augustus nam Filips plechtig afscheid, vroeg dat zij het verder afdanken van de troepen zouden regelen, en duidde zijn zuster [[Margaretha van Parma]] als landvoogdes van de Nederlanden aan. Aan haar zijde had Filips zijn vertrouwde topadviseur Granvelle benoemd, die ook al onder Karel V diende. Omdat zij hier geboren en getogen was tot haar tiende en ook de taal kende, leek Margeretha hem het meest geschikt en verleende hij haar "''zoveel macht als wijlen de koningin van Hongarije bezeten had''". Verder drong hij erop aan de katholieke eenheid in stand te houden, en stipt te waken over de uitvoering van de [[Plakkaat|edicten]] tegen de sekten, ‘''gezien, buiten de tegen God bedreven ondienst, de ervaring leert, dat verandering van godsdienst niet geschiedt zonder andere verandering in de Staat, en dat de armen, luiaards en landlopers zich daarvan dikwijls bedienen om de goederen der rijken te plunderen''’. Dit manifest, waarvan al de bewoordingen blijkbaar gewikt en gewogen waren, mag aldus Pirenne "''beschouwd worden als het eerste voorbeeld van de politiek van veinzerij, waartoe Philips II later zoo dikwijls zijne toevlucht zou nemen''".<ref>Pirenne (1908): Deel 3 Hoofdstuk I, p. 360</ref>

[[Bestand:Schepenhuis Mechelen.jpg|miniatuur|Het [[Schepenhuis (Mechelen)|schepenhuis]] te Mechelen, zetel van het parlement tussen 1473 en 1477 en van de Grote Raad tussen 1504 en 1609]]
Op sterk aandringen van de Staten stemde Filips erin toe binnen de drie à vier maanden de 3000 Spaanse troepen, die volgens hem de veiligheid in de Nederlanden dienden, terug te trekken. Deze toegeving deed hij om bij de Adel in de gunst te komen, die dit voorstel ondersteunde. Hij had om die reden al eerder de prins van Oranje, de graaf van Egmond en de heer van Glajon behouden in de aan de landvoogdes toegevoegde Raad van State, en het bewind der gewesten onder de invloedrijkste edelen verdeeld. Groot was dan ook zijn teleurstelling toen bleek, dat de hoge edelen voor zijn gunst geen tekenen van erkentelijkheid vertoonden, maar eerder van nog meer verzet, en dat maakte hij enige dagen later ook in heftige bewoordingen de prins van Oranje kenbaar. Dezelfde dag waarop hij het aanmanend schrijven van de Raad van State ontving, liet de koning een omzendbrief naar alle bisschoppen rondgaan, waarin hij in bijna herderlijke bewoordingen hun rechten in herinnering bracht, en aanraadde in het onderwijs enkel de gangbare [[catechismus]] te gebruiken, zij het wat ingekort en in het Nederlands en in het Frans vertaald.

En ook diezelfde dag kregen de [[Grote Raad van Mechelen]] en de justitieraden in de provinciën bevel de plakkaten in al hun gestrengheid toe te passen: niet alleen de [[wederdopers]], maar ook de [[lutheranen]] en de [[sacramentisten]] dienden vervolgd. Verder wenste hij met goedkeuring van de paus hervorming van het kerkwezen en in de Zuidelijke Nederlanden in [[Dowaai]] een tweede universiteit na [[Leuven]]. Door de bul die hij op 12 mei 1559 van Paulus IV verkreeg ontstonden naast de oude bisdommen veertien nieuwe diocesen: Namen, Sint-Omaars, Mechelen, Antwerpen, Gent, Brugge, Ieper, 's Hertogenbos, Roermond, Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen en Middelburg. In plaats van zes bisdommen voor drie miljoen zielen, waren er nu achttien. Door het verhogen van het aantal bisschoppen en het verkleinen van hun diocese, wilde Granvelle hen in staat stellen doelmatiger op de gelovigen in te werken, beter op de strenge instandhouding der orthodoxie te passen en hem daarmee te helpen in zijn strijd tegen het protestantisme. De koning zou, samen met de paus, de nieuwe bisschoppen benoemen en ze van zijn penningen laten leven in afwachting van toewijzing van hun inkomstenbronnen uit abdijen. Een aantal van hen waren gekende [[kettermeester]]s die met dit ambt beloond werden. [[Franciscus Sonnius]] had deze nieuwe indeling gemaakt, en werd bij de invoering alvast benoemd tot bisschop van Den Bosch. De nieuwe districten kwamen grotendeels met de grenzen der provinciën overeen en met de indeling der landstalen. Ze werden aan de stichten Reims en Keulen onttrokken en onder de drie aartsbisdommen [[Aartsbisdom Kamerijk|Kamerijk]], [[Aartsbisdom Utrecht (rooms-katholiek)|Utrecht]] en [[Aartsbisdom Mechelen|Mechelen]] geplaatst, waardoor de Nederlanden voortaan naast een politieke eenheid ook een geestelijke eenheid zouden vormen.

Op 25 augustus 1559 ging de vorst scheep te Vlissingen en zou nooit in de Lage Landen nog voet aan wal zetten.

Vanaf nu werden de lage 'Landen van herwaerts over' van op afstand bestuurd, hetzij vanuit Madrid, hetzij vanuit Wenen, door toedoen van landvoogden. Ze zouden behandeld worden als een strategisch wingewest, een vreemde bezitting, waarvan vorsten de titels en wapens voerden, maar waarover ze zich slechts bekommerden in zoverre de internationale politiek of hun dynastieke berekeningen de boventoon hielden.

==== Margaretha van Parma en Granvelle ====
[[Bestand:AartsbisdomMechelenBrussel.png|miniatuur|Aartsbisdom Mechelen-Brussel gesitueerd in het huidige België]]
Op 26 februari 1561 werd [[Antoine Perrenot de Granvelle|Granvelle]] tot [[aartsbisschop]] van [[Aartsbisdom Mechelen-Brussel|Mechelen]] benoemd. De onvrede die zowel het volk als de adel met de hervormingen van het kerkwezen had en met de hele politiek van Filips focuste zich vanaf nu op deze minister, die in geheim overleg met de koning de feitelijke macht van bij de [[landvoogd]]es weg hield. De heren van de [[Raad van State (historisch)|Raad van State]], die tot hiertoe nog hoffelijk jegens hem geweest waren, vonden het ogenblik gekomen om openlijk met hem te breken en zich bij de volksbeweging aan te sluiten. Op 23 juli 1561 boden de [[graaf van Egmond]] en de [[Willem van Oranje|Willem]], [[prins van Oranje]], de koning hun ontslag als raadsheren aan, daar zij naar eigen zeggen niet langer verantwoordelijk wilden zijn voor de gevolgen van de door de kardinaal getroffen maatregelen, waartegen zij zich niet konden verzetten, vermits zij van alle belangrijke zaken onkundig bleven. Hiermee werd de oppositie nog sterker, nu zij zich onder leiding stelde van het meest welvarend gewest Brabant, met zowel de economische (Antwerpen) als de politieke (Brussel) hoofdstad, en waar de meeste hoofden van de hoge adel lid van zijn Staten waren. Volgens de correspondentie van Granvelle aan Filips II waren het inderdaad "''de Staten van Brabant die in het land het verzet tegen de nieuwe bisdommen onderhouden''".

[[Bestand:LocationCanalGentTerneuzen.PNG|miniatuur|Kanaal Gent-Terneuzen]]
Granvelle speelde handig in op de communicatiestoornis die er van bij het begin tussen de Nederlanden en Filips was ontstaan, en vergrootte diens vrees voor een godsdienstoorlog. Hij trachtte de sterke invloed van Brabant te vernietigen, door verdeeldheid onder de edelen en onder de gewesten te zaaien. Zo adviseerde hij de koning om de mededinging tussen de Antwerpse en de Gentse haven, die sinds kort door het [[kanaal Gent-Terneuzen]] met de zee verbonden was, aan te wakkeren ‘''daar het onverschillig is naar welke van beide steden de winsten van de handel gaan, als ze maar in het land blijven''‘. De Brabantse Staten gaven nu nog meer tegengas en eisten de aanstelling van de prins van Oranje als ruwaard van Brabant. Bovendien zochten zij toenadering tot het Duitse Rijk, waarmee de Nederlanden via de [[Bourgondische Kreis]] in feite nog steeds in opperleenheerschap verbonden waren. Het huwelijk van Oranje met de Lutherse [[Anna van Saksen (1544-1577)|Anna van Saksen]], dat op 25 augustus 1561, tegen de blijken van ongenoegen van de koning in voltrokken werd, kenmerkte de nieuwe houding van de hoge adel.

Intussen was het volk eerder begaan met de gebeurtenissen in Frankrijk, waar na de slachting van Vassy op 2 maart 1562 de eerste [[godsdienstoorlog]] was uitgebroken. Massaal stroomden [[Hugenoten]] toe in de Nederlanden en werden er gedoogd. Granvelle vreesde dat zij ook hier aanstokers van nieuw verzet zouden worden en aan het eind van het jaar was de toestand dusdanig, dat de kardinaal de adel meedeelde dat hij vreesde dat alles verloren was, indien zij de wapens opnamen, omdat ook hier de godsdienstoorlog dan zou uitbreken. Maar de hoge adel had nog geen omwenteling in gedachten en rekende op de Duitse piste.

Margaretha van Parma, de landvoogdes, die de vernederende voogdij van de kardinaal beu was, begon tekenen van een gewijzigde houding te vertonen, nu deze laatste de hoge adel openlijk tegen zich kreeg. Zij had al eerder een vergadering van de Vliesridders bijeengeroepen die van haar, ondanks tegenwerpingen van Granvelle en van Viglius, de vergadering van de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] op 29 juni 1562 te Brussel verkreeg. En in januari 1563, toen hij haar met zijn ontslag dreigde, liet zij hem verstaan dat zij niet beter wenste dan hem te zien vertrekken. In dit klimaat konden de heren een nieuw verzoek tot terugtrekking van Granvelle aan de koning richten in een waar requisitorium tegen de kardinaal. Het waren Oranje, Egmond en Hoorn, verenigd in de [[Driemanschap ter verdediging van de vrijheden|Liga der Groten tegen Granvelle]], die het op 11 maart ondertekenden, nadat het met uitzondering van Aremberg en van Berlaymont, door al de Vliesridders en al de stadhouders der provinciën was goedgekeurd. Daarin bevestigden zij niet langer naast de kardinaal te willen zetelen.

De koning antwoordde pas een half jaar later, in de hoop dat de zaak vanzelf zou bekoelen, vroeg om een afgezant naar hem te sturen, en gaf zijn wens te kennen dat zij hun functie weer zouden opnemen. Naar Egmond stuurde hij een aparte brief om hem voor overleg uit te nodigen. Hierop stuurden de hoge edelen twee nieuwe brieven aan de koning via de landvoogdes. In de eerste volhardden zij in hun wens en in hun besluit niet naast Granvelle te zetelen. In de tweede werd verklaard dat die weigering hoofdzakelijk gesteund was op het onlangs uit Madrid gekomen uitdrukkelijk bevel, de Staten-Generaal niet bijeen te roepen, wat volgens hun oprechte overtuiging echter de enige manier was ‘om uit die rampspoed te geraken’. De dreiging werd acuut toen op verschillende plaatsen in Neder-Vlaanderen, te Doornijk, te Valencijn [[Calvinisme|calvinistisch]] oproer uitbrak. In augustus 1563 zond Margaretha Armenteros naar Madrid, belast met het vragen van het ontslag van de kardinaal. Eind februari keerde deze terug met de boodschap dat Granvelle enige tijd verlof kreeg en dat de heren hun posten moesten hervatten tot over hun klachten tegen de minister beslist was.

Margaretha stond haar minister toe zijn in de Nederlanden aangekomen broer Chantonay naar Bourgondië te vergezellen. Op 13 maart verliet hij Brussel om er nooit meer weer te keren.

==== Opkomst van calvinisme en geuzen ====
[[Bestand:The Low Countries.png|miniatuur|De [[Spaanse Nederlanden]] in de zestiende eeuw.]]
Het calvinisme liet zich als theocratie, in tegenstelling tot de lutheranen en de anabaptisten, actief in met de politiek, die het geheel aan het kerkwezen wilde onderwerpen. In tegenstelling tot het katholicisme beschouwde het [[God (christendom)|God]] als een Meester, niet als een Vader. In elk land waar het binnendrong, nam het tijdvak der [[godsdienstoorlog]]en een aanvang. Het verspreidde zich in de verhouding waarmee het kapitalisme in de maatschappij doordrong en volgde dat spoor. Brandpunten waren vooreerst de streken van de grote nijverheid: Doornijk, Valencijn en Rijsel, Hondschote en Armentières, het Oudenaardse, de havens van Holland en Zeeland, en tenslotte, in de economische hoofdstad der Nederlanden, te Antwerpen. Reeds in augustus 1560 had [[Margaretha van Parma]] een opstand verwacht, en schreef Granvelle aan de koning, dat de godsdienst in alle delen van het land verloren ging en dat het een wonder mocht heten, dat het Franse voorbeeld hier nog niet gevolgd werd. Margaretha bepaalde er zich toe te handelen ‘''zoveel de Staat en de stemming dier landen zulks dulden''’. Zij bemoedigde de ijverige magistraten en vernieuwde het edict tegen de rederijkers, maar verder durfde zij niet gaan. In 1561 ondervond de [[Europese heksenvervolging|ketterijbeteugeling]] overal openlijk verzet. Te Antwerpen werd geen enkele calvinist meer aangehouden.

Op 27 april 1562 brak in Valencijn al naar aanleiding van een vuurdood een ernstig oproer uit, dat evenwel door de burggraaf onderdrukt werd, en vervolgens was Doornijk aan de beurt. Ook daar beleden de calvinisten stoutmoedig hun geloof in het openbaar. Maar na de afkondiging van de [[vrede van Amboise]] (19 maart 1563) hernam in Frankrijk de rust en dit ontnam het calvinistisch oproer in de Nederlanden zijn elan. De hoge adel, die de oppositie gunstig gezind bleef, vermeed het vuur aan de lont te steken, maar hield integendeel de schone schijn op tegenover de landvoogdes. Margaretha had blijkbaar niet in de gaten dat zij in de plaats van Granvelle getreden waren om haar op hun beurt van de macht te houden, en intussen het programma van de oppositie uit te voeren. De ''consulta'' werden afgeschaft en de Raad van State in ere hersteld, waar de in ongenade gevallen Viglius en Berlaymont de zege van hun vijanden machteloos moesten aanzien. Viglius schrijft: ‘''Hier smeedt men een nieuwe republiek en een Raad van State, die het opperbeheer over alle zaken heeft. Ik weet niet of zulks zal kunnen samengaan met de macht en het gezag van Mevrouw de Landvoogdes en of Zijne Majesteit zelve daardoor niet zal beteugeld worden''’. Inderdaad eiste de hoge adel dat de [[Geheime Raad]] en de [[Financiële Raad]], die sedert hun oprichting door Karel V alleen van de landvoogdes afhingen, aan hem ondergeschikt werden. Zij regeerden via de Raad van State, die hun volkomen gunstig gezind was.

Intussen konden overal de stadhouders vrij hun gang gaan, vierde het [[nepotisme]] hoogtij, en emigreerde een toenemend aantal calvinisten naar Engeland, waar zij door [[Elizabeth I van Engeland|koningin Elizabeth]] gunstig onthaald werden en zelfs een stad kregen toegewezen, [[Norwich (Verenigd Koninkrijk)|Norwich]], waar zij hun nijvere kunsten mochten uitoefenen. Ook steden als Sandwich, Colchester, Maidstone, Hampton aan de oostkust werden overspoeld, zodat de [[lakennijverheid]] daar een hoge vlucht nam. De handelsvoorspoed der Bourgondische provinciën was Elizabeth al lang een doorn in het oog. In januari 1566 werd het aantal vluchtelingen richting Londen op 30.000 geschat. De uitwijking van calvinisten, die vooral in de nijverheidsstreken talrijk waren, verrijkte Engeland en verarmde de Nederlanden. Toen de Engelse koningin dan invoertaksen hief en de schending van de ''[[magnus intercursus]]'' door de vingers zag, besloot in 1563 de regering te Brussel tot een vriendschapsbreuk. De landvoogdes had intussen al de invoer van Britse koopwaren verboden als tegenmaatregel. Elisabeth van haar kant had die maatregel beantwoord door haar havens voor de Nederlandense schepen te sluiten en bovendien gedreigd, de stapelplaats voor Engels laken van Antwerpen naar [[Emden (Nedersaksen)|Emden]] te laten overbrengen. In 1564 werd na tussenkomst van Filips II de handelsovereenkomst hersteld, zij het in het voordeel van de Engelsen. Maar de vluchtelingenstroom bleef aanhouden.

'''''Brieven uit het bos van Segovia'''''

Om de algehele ondergang te vermijden moest men die uitwijking, waardoor de reeds geduchte macht van de tegenstrever dag aan dag versterkte, doen ophouden. Dat kon enkel door intrekking, of op zijn minst verzachting van de plakkaten, daar was iedereen het over eens, het volk, de adel, zelfs Granvelle, die voorzichtig een statuut als voor de christenen in Turkije voorstelde. Maar Filips, de [[Landsheer|Heer der Nederlanden]], ging dwars liggen. Na een vergadering van de Raad werd Egmond afgevaardigd naar Madrid met het verzoek voor afschaffing van de plakkaten, hervorming van de Raad van State, kortom 'nieuwe en grote middelen' zowel voor de hervorming van de Staat als voor godsdienstzaken. Maar op 30 april 1564 kwam hij van een kale reis terug in Brussel, zo bleek, al was hij in Madrid als een vorst ontvangen geweest. In de brieven van de koning stond te lezen dat de hervorming werd bestudeerd, maar dat hij liever honderdduizend levens offerde dan de plakkaten in te trekken. Enkel veroorloofde hij, dat de landvoogdes met de Staatsraden, een paar bisschoppen en enkele godgeleerden vergaderde, teneinde de middelen te beramen om het volk te onderwijzen, goede scholen te stichten, de [[ketter]]s doelmatiger te kastijden...

Die vergadering werd op 1 juni gehouden. De aanwezige heren van de Raad weigerden er hun gevoelen kenbaar te maken, ‘''daar de koning het hun niet gevraagd had''’. De andere leden waren voor het behoud van de plakkaten, mits die te verzachten.

Als antwoord op die raad volgden de beruchte [[Brieven uit het bos van Segovia]] van 17 en 20 oktober 1565, waarin Filips aan de landvoogdes zijn misnoegdheid uitdrukte over wat in de Nederlanden over de [[inquisitie]] de ronde deed, ‘''die nu meer dan ooit noodzakelijk was''’, en blijk gaf van een totaal gebrek aan inschatting van de situatie. Margaretha zat erg in haar maag met die brieven. Zelfs Viglius schrok van de verstoktheid van de koning en overwoog zijn ambt neer te leggen. De hoge adel gaf ongeremd lucht aan zijn verbittering. Alleen Oranje hield zich ijzig kalm te midden de uitbarsting van gramschap, en die bedaardheid van de ‘Zwijger’ was onheilspellender dan het woedend getier van zijn vrienden, al was de houding van het volk nog onheilspellender. Van in december gingen reeds opruiende pamfletten tegen de inquisitie en de koning rond. De bedroevende toestand van de nijverheid, in gevaar door de uitwijking van de werklieden, en vooral de buitengewone levensduurte van 1566, dreef de ontevredenheid op de spits. Door de koppigheid van de koning was er nu een link tussen de staatszaken en die van de religie. Oranje, die uiterlijk katholiek, maar heimelijk protestant leek, was in feite geen van beide, maar oordeelde als staatsman dat alleen een [[godsvrede]] de toestand nog kon redden. Maar zonder de toetreding der calvinisten tot Oranje's ontwerpen, bleven die dode letter. Want de [[Rijksdag]] vragen de Duitse godsvrede tot de Nederlanden uit te breiden, zou slechts voor de lutheranen gelden, die hier een minderheid waren. Pogingen van hem om beide protestantse gezindten tot elkaar te brengen ketsten af op de stijfhoofdigheid van de calvinisten.

'''''Smeekschrift der Edelen'''''

[[Bestand:Frans Hogenberg - Aanbieding van het Smeekschrift van de edelen.jpg|miniatuur|Aanbieding van het [[Smeekschrift der Edelen]], ( [[Frans Hogenberg]]).]]
De lagere adel en de hogere burgerij, wier zonen in Genève afstudeerden, hadden van begin 1565 een beweging in het leven geroepen met als doel om voor de calvinisten, waar de meesten toe behoorden, naar het model voor de [[hugenoten]] een regeling in te voeren. Dit mondde in juli uit in een plan beraamd in geheime samenkomsten te Spa, dat toen reeds een badstad was, dat erin voorzag heel de adel der gewesten te verenigen in een ‘edel gezelschap’, in een ‘[[Eedverbond der edelen|eedverbond]]’ tegen de inquisitie, in de aard van dat der hugenoten. De eed was zodanig opgesteld dat iedereen er zich wel kon in vinden, ook niet-calvinisten. Elke uitdrukking, die de katholieken kon kwetsen, werd zorgvuldig vermeden. Zendelingen vertrokken onmiddellijk om leden te ronselen en met succes: abten, kanunniken en lagere edelen, waaronder vooral de aanvoerders van de ordonnanstroepen, traden toe. Zij zochten een bekwame hoofdman, maar Oranje hield die boot nog af. Op 5 april 1566 boden zij onder leiding van [[Hendrik van Brederode (1531-1568)|Hendrik van Brederode]] hun petitie, het ''[[Smeekschrift der Edelen|Smeekschrift]]'', een verzoekschrift om verzachting van de [[Plakkaat|geloofsplakkaten]] en beperking van de Inquisitie aan de landvoogdes aan, waarop [[Karel van Berlaymont]] zich tegen de landvoogdes - niet zonder enig sarcasme - uitliet met: ''Ce ne sont que des gueux'' (''Het zijn maar bedelaars''). Hij wilde daarmee duidelijk maken dat zij zich niet hoefde in te laten met de in het Eedverbond der Edelen verenigde [[aristocratie]].

'''''Opkomst van de Geuzen'''''

[[Bestand:Emblem of the Geuzen.jpg|miniatuur|Traditioneel embleem van de Geuzen met: 'Leve de Geuzen'.]]
's Avonds bracht een gastmaal de ondertekenaars in het paleis van Kuilenberg bijeen en de meesten verschenen er met Turkse baard en bedelnap en buidel. Die avond werd voor het eerst de [[Geuzennaam|kreet]] "''Vive les geus!''" gescandeerd, die nog lang in de Lage Landen zou naklinken, waar alle misnoegden nu deze '[[Geuzen (Tachtigjarige Oorlog)|Geuzen]]' begroetten. Maar de euforie was van korte duur. Onder al degenen die 'Vive les gues' hadden geroepen waren de enen ''staatsgeuzen'', de anderen ''godsdienstgeuzen''. De katholieken onder hen wensten hervorming van de staat, de calvinisten afschaffing ervan en om te beginnen godsdienstvrijheid en oorlog tegen de 'roomse afgoderij'.

Toen Margaretha de verzachting van de plakkaten al toepaste, terwijl haar gezanten, de [[baron van Montigny]] en de markgraaf van Bergen zich met tegenzin op weg begaven naar Spanje, interpreteerden de geuzen dit als een vrijbrief. In groten getale kwamen ze overal openlijk de straat op om luidkeels hun geloofsbelijdenis te betuigen. Waar zij drie jaar eerder nog onbekend waren, doken zij nu veeltallig in meerdere gewesten op: in Friesland, in Gelderland, en zelfs in het Land van Luik. Slechts in het Naamse, in Luxemburg en in de landbouwende streken van Henegouwen en van Artesië waren er geen calvinisten. De landvoogdes had echter nooit beweerd dat de openbare eredienst van de Hervorming werd toegelaten. Het door de Geheime Raad opgestelde en aan de Staten der provinciën voorgelegde ontwerp bepaalde alleen dat de ketters met rust werden gelaten ‘''zolang zij geen ergernis zullen verwekken''’. En dat beantwoordde alleszins aan de wens van de meerderheid te lande. De oppositie echter vergleed nu van het nationale terrein naar het godsdienstige. Niet meer de adel, maar de [[consistorie]]s bepaalden het verder verloop. Tal van katholieken die het eedverbond ondertekend hadden merkten op dat ‘''het verbond enkel diende gericht tegen het behoud der inquisitie en tegen de afschaffing der privileges van het land''’ en verlieten het gezelschap der geuzen, inziend dat zij meer wilden dan men hun had laten verstaan, om hen aan te lokken.

Begin juni trad de calvinistische groep van de adel openlijk met zijn hoofdmissie op de voorgrond: het zegevieren van de Hervorming. De consistories, die zich omhulden met namen als die van de [[rederijkerskamer]]s, zoals ‘de Knop’ te Armentières, ‘de Roos’ te Rijsel, ‘de Wijngaard’ te Antwerpen, ‘de Arend’ te Valencijn, ‘het Zwaard’ te Gent stonden in betrekking met buitenlandse consistories, wisselden predikanten uit en ontvingen er vanuit Genève, Frankrijk en Engeland.
Als tegenreactie werd een katholieke partij gevormd onder de edelen, met Mansfeld, Aarschot, Berlaymont, Arenberg, Meghem en Noircarmes aan het hoofd.

'''''Beeldenstorm'''''

[[Bestand:Dirck van Delen - Beeldenstorm in een kerk.jpg|miniatuur|''[[Beeldenstorm]] in een kerk'', (1630, [[Dirck van Delen]])]]
Op 11 augustus ontketende zich het [[Beeldenstorm|oproer der beeldenstormers]] om te beginnen in de nijverheidsstreek van Hondschooten en Armentières, waar de Hervorming al vaker onlusten onder de werkliedenbevolking gestookt had. Alle zowel Vlaamse als Waalse dorpen kwamen vervolgens aan de beurt: Houplines, Frelinghien, Erquinghem, Fleurbaix, Chapelle-Grenier, Chapelle d'Armentières, Maisnil, Radinghem, Beaucamps enz. De 14e waren ze bezig te Poperinge, de 15e te Ieper, terwijl andere benden de abdijen der Duinen, van Phalempin, van Veurne, van Meesen, van Loos, Marquette, Vormezele en Eversham in brand staken. Van dan af zette de beweging zich in snelle vaart voort. Zij bereikte Oudenaarde de 18e, Antwerpen de 20e, Gent de 22e, Doornijk de 23e, Edingen de 27e, om vervolgens over te slaan naar het Noorden met Zeeland, Holland en Friesland, waar de 6e september Leeuwarden werd overweldigd. En dat alles zonder ergens de minste weerstand te ondervinden.

De landvoogdes benoemde [[Peter Ernst I graaf von Mansveld-Vorderort|Graaf Pieter Ernst van Mansfeld]] tot stadhouder van Brussel, en stelde zich onder zijn bescherming, maar stond verder machteloos. De aanvoerders van de ordonnanstroepen waren in de macht van het Eedverbond, en Duitse huurlingentroepen werven zou onmiddellijk een burgeroorlog hebben veroorzaakt. Gelukkig waren te Brussel zopas koninklijke brieven toegekomen, waarin Filips II in het afschaffen van de inquisitie, het verzachten der plakkaten en algemene amnestie toestemde. Daarmee kon zij antwoorden op het Verzoekschrift van de Eedgenoten.

Maar die namen nu niet langer genoegen met de vorstelijke amnestie en het afschaffen van de inquisitie. De calvinisten eisten de verzekering, dat hun predicatiën niet meer zouden verboden worden. Margaretha wist met hen uiteindelijk wel een overeenkomst te onderhandelen die neerkwam op de feitelijke [[Godsvrede|godsdienstvrede]] in de Nederlanden. De consistories zouden zelf toezien op het stoppen van de vernielingen. Restte enkel nog een modus vivendi uit te werken voor het samenleven van katholieken en protestanten in de Nederlanden. Daarmee beijverden zich Oranje te Antwerpen, Egmond in Vlaanderen, Hoogstraten te Mechelen, Hoorn te Doornijk enz. Op 25 augustus werd een plakkaat uitgevaardigd dat de plunderaars en vernielers buiten de wet stelde. Oranje liet er verscheidene terecht stellen te Antwerpen, anderen werden ter dood gebracht in Vlaanderen en in het Doornijkse.

'''''Beschuldiging van hoogverraad en opsplitsing in twee kampen'''''

Margaretha kon echter niet dulden, dat het calvinisme op gelijke voet werd gesteld met de 'rechtgelovigheid'. Reeds op 6 september schreef zij, dat men zich beijverde “''twee godsdiensten naast elkander te stellen''” en voegde er terecht aan toe, dat zij zulks nooit beloofd had. Het is dan ook niet te verwonderen, dat men haar thans haar vroegere gunstelingen, Oranje, Egmond, Hoorn en Hoogstraten zag beschuldigen, “''zich, met woord en daad, tegen God en tegen de koning gekeerd te hebben''”. Voortaan zou zij nog alleen steun zoeken bij de katholieke adel. De trouw katholiek gebleven Mansfeld werd haar [[geheimraad]]. Rond hem schaarden zich dus de Berlaymonts, de Aarschots de Noircarmes, de Meghems die zich bij de eerste tekenen van godsdienstige beweging met de regering verzoenden. Daarmee splitste de adel zich dus in twee vijandige partijen op en het hele land, dat vroeger eensgezind dezelfde politieke eisen stelde, werd nu in twee kampen opgedeeld.

In Vlaanderen deed Egmond al het mogelijke om niemand op de tenen te trappen, maar misnoegde daarmee iedereen. Hij zag zich verplicht zijn toevlucht tot halve maatregelen en kleingeestige redmiddelen te nemen. De hervorming van het bestuur en de bijeenroeping van de Staten-Generaal, waar hij belang aan hechtte, liet nu blijkbaar iedereen koud en zijn populariteit zonk weg. In januari 1567 kwam hij weer naar de Raad van State. Enkele dagen later vergde Margaretha van de ambtenaars een nieuwe eed van “volstrekte gehoorzaamheid” aan den vorst. Egmond onderwierp zich, terwijl Oranje, Hoorn, Hoogstraten en Brederode weigerden zich te binden door een belofte van “onbeperkte” gehoorzaamheid. Margaretha's boute aanpak stond borg voor het vertrouwen dat het bestuur herwonnen had na de angsten van de Beeldenstorm. De regering was gaan beseffen dat het in feite slechts lokale minderheden van dwepers waren geweest die voor een boel kabaal hadden weten te zorgen, maar dat de meerderheid te lande rust en vrede wenste, nu een algemene opstand uitbleef, evenals trouwens een inval van hugenoten of een tussenkomst van Duitse troepen. Zijzelf had intussen in Duitsland verschillende regimenten gelicht en ze als bezetting en voor ordehandhaving naar de belangrijkste steden gezonden. Alleen Doornijk en Valencijn, waar de nieuwe leer zich het eerst had genesteld, weigerden ze toe te laten en bleven in contact met de Franse hugenoten. In december kwam Noircarmes dit 'Nederlands Genève' belegeren, waarmee bleek dat de regering er niet voor terugschrikte de godsdienstoorlog aan te gaan, die haar vroeger zozeer verontrustte.

'''''De Geuzen binden de strijd aan met de overheid'''''

De hervormden hadden drie miljoen gulden veil gehad om van de koning vrijheid van eredienst te bekomen. Daarmee begonnen zij nu zelf soldaten uit te rusten. De [[calvinistische synode]] nodigde Oranje uit zich aan het hoofd ervan te stellen. Maar hij hield de boot nog af, omdat hij besefte dat een opstand zonder hulp vanuit Duitsland ten dode was opgeschreven. Hij probeerde voort calvinisten en lutheranen met elkaar te verzoenen, maar vruchteloos.

[[Bestand:Lannoy vuecroy.JPG|miniatuur|Landschap van Lannoy (Charles Cröy, 1623)]]
[[Lodewijk van Nassau]] wierf huurlingen in Duitsland en gewapende benden rukten op om Valencijn te ontzetten. Op 27 en 29 december 1566 werden er twee door de bezetting van Rijsel en door de troepen van Noircarmes te [[Slag bij Wattrelos|Wattrelos]], en te [[Lannoy]] in de pan gehakt. Op 2 januari 1567 voerde Noircarmes bij verrassing een bezetting van Doornijk uit. Begin februari zond Hendrik van Brederode in naam van de aan het eedverbond trouw gebleven edelen een protest tegen het schenden van de overeenkomst van 23 augustus, en smeekte de landvoogdes om te verhinderen, dat het bloed van het arme volk zou vergoten worden. Tegelijkertijd schreef hij de belegerden van Valencijn, dat hulp van Oranje, van Hoorn en van andere voorname personages op komst was.

[[Jan van Marnix]], heer van Toulouse, had te Oosterweel een kamp opgeslagen in een vergeefse poging het eiland Walcheren in te nemen. Op 13 maart werd hij daar door de troepen van [[Filips van Lannoy]] aangevallen. Van op de wallen van Antwerpen sloeg men [[Slag bij Oosterweel|dit gevecht]] gade en dadelijk grepen de calvinisten daar naar de wapens om hun geloofsbroeders bij te staan. Oranje echter, rond wie zich de lutheranen schaarden, verzette zich. Want ook in dit hachelijk moment bleef de rede hem leiden. Hij besefte dat, indien hij zich voor de calvinisten zou verklaren, dit de breuk met de Duitse vorsten zou betekenen, van wie hij de redding der Nederlanden verwachtte. Te midden zware doodsbedreigingen bleef hij onwrikbaar en hield de stadspoorten gesloten. Toulouse sneuvelde in het zicht van de wallen.

'''''Willem van Oranje'''''

[[Bestand:Antonio Moro - Willem I van Nassau.jpg|miniatuur|[[Willem van Oranje]] (Willem de Zwijger), de invloedrijkste edelman in de Nederlanden.]]
De opstand was bedwongen. Oranje's houding ontnam de verdedigers van Valencijn hun laatste hoop, de stad gaf zich op 24 maart over aan Noircarmes. Op 31 mei werd de Waalse protestantse theoloog [[Guido de Brès|Guy de Brès]] er opgehangen.

In het noorden was Brederode door graaf van Meghem uit Vianen verdreven en naar Emden gevlucht, na vergeefs Margaretha, op [[Lamoraal van Egmont|Egmonts]] bemiddeling, om vergiffenis te hebben gesmeekt. De graven van [[Filips van Montmorency|Hoorn]] en van Hoogstraten legden de eed aan Philips II af. Oranje daarentegen stuurde een eerbiedige brief aan de vorst en verliet op 11 april de stad Antwerpen, om zich in het graafschap Nassau in veiligheid te stellen.

De wegen zagen zwart van de vluchtelingen nadat de opstand was bedwongen. In april verliet een derde van de bevolking van 's Hertogenbosch de stad. Op 5 mei trok een grote menigte arme en rijke Brabanders en Walen met vrouw en kind langs Delfzijl naar [[Emden (Nedersaksen)|Emden]]. In Emden en Keulen telde men zoveel vluchtelingen, dat er soms tot dertig in eenzelfde huis moesten verblijven. Honderden ontscheepten naar Engeland.

Margaretha en Mansfeld bleven nederig onder de zege die ze hadden behaald. Ze beseften dat de adel met voorzichtigheid moest worden behandeld, en dat de uitwijking gestopt moest worden die ‘dit land van handel, nijverheid en scheepvaart verarmt’. De beden die zij aan Filips richtte, en waaraan Granvelle en zelfs de paus de hunne toevoegden om tot menselijkheid op te roepen, ketsten af op een harnas van gramschap. Als katholiek koning had hij op de ziel van zijn vader gezworen de hoon, door de beeldenstormers God aangedaan, bloedig te zullen wreken. Als koning van Spanje besloot hij een einde te stellen aan de zelfstandigheid der Nederlanden en ze onder zijn absolutisme te doen bukken.

==== De tijd onder Alva ====
[[Bestand:Detail of a portrait of Fernando Alvarez de Toledo by Antonio Moro.jpeg|miniatuur|Hertog van Alva]]
[[Bestand:El Camino Español.PNG|miniatuur|De ''Spaanse weg'', een route die gebruikt werd om via gebieden in handen van de [[Habsburg]]ers (paars, groen en oranje) manschappen te vervoeren naar de Nederlanden. Voor gebieden die niet in de handen van de Habsburgers waren, werden verdragen gesloten om doorgang te krijgen.]]
Op 30 december 1566 gaf de landsheer de [[hertog van Alva]] opdracht de Spaanse regimenten die in Lombardije verzameld waren naar de Nederlanden te voeren, al had Margaretha reeds in het voorjaar met eigen middelen het oproer kunnen stoppen. De onderrichtingen die hij zijn luitenant meegaf, maakten hem tot feitelijke landvoogd der Nederlanden. Bij zijn aankomst zou de landvoogdes enkel nog schijngezag kunnen uitoefenen. In haar verontwaardiging hierover bood zij het ontslag aan, dat Filips weigerde. Het programma dat hij haar ten uitvoer oplegde was niet min: de stedelijke privileges intrekken, - op de kosten van de inwoners - vestingen bouwen te Antwerpen, te Valencijn, Vlissingen, Amsterdam en Maastricht, de stedelijke magistraten door koninklijke ambtenaars vervangen, belastingen heffen zonder de toestemming der Staten, en last but not least, de inlandse troepen afdanken.

Intussen was het Spaanse leger op mars om via de [[Spaanse weg]] langzaam door het Vrijgraafschap en Lotharingen te trekken. Met het nieuws hiervan sloeg iedereen in de provinciën de schrik reeds om het hart. Allerwegen ijlden verdachten naar Frankrijk, Engeland, hertogdom Kleef, Oost-Friesland en Keulen. Op 9 augustus 1567 stapte de voorhoede van Alva's ''tercios'' Brussel binnen...

Voorlopig leek [[Fernando Álvarez de Toledo]], de hertog van Alva, geneigd om gehoor te geven aan Margaretha's vertogen, en de weg der verzoening in te slaan. Hij ontving Egmond en Hoorne op schijnbaar welwillende wijze, evenals de jonge graaf van Buren, oudste zoon van Oranje, die te Leuven studeerde. Oranje zelf had de hertog een vriendelijke brief geschreven ‘''pour luy dire la bienvenue''’. Maar daarna veranderde de goedwillendheid.

'''''Raad van Beroerten'''''

De eerste daad van Alva was in 1567 het instellen van een ‘[[Raad van Beroerten]]’. Dit was een soort militaire onderzoeksrechtbank die moest nagaan wat en hoe en door wie er ondernomen was vlak voor en ten tijde van de 'beroerten', de schermutselingen in de Nederlanden waaronder de Beeldenstorm van 1566-67. Zij kreeg tevens recht om te vonnissen. Dit initiatief stond los van alles, maar was wettelijk op basis van majesteitsschennis. In deze raad liet Alva behalve Noircarmes en Berlaymont, plaatsvervangende presidenten, een vijftal bekende Nederlandense juristen zetelen benevens zijn werktuigen, de Spanjaard [[Juan de Vargas]], en de kleurloze Spaanse Nederlander [[Luis del Rio]]. In totaal zijn een duizendtal mensen door de raad gedoodvonnist. Het tienvoud werd verbannen.

De niets vermoedende graven van Egmond en Hoorne werden reeds gevat op een feestmaaltijd door Fernando, bastaard van Toledo, aangericht op 9 september, nog voor de raad voor het eerst vergaderde. Ook burgemeester Van Stralen van Antwerpen, een van de vertrouwde medestanders van Oranje, en de secretarissen van de graaf, Backerzeele en Van Loo, werden die dag in verzekerde bewaring gesteld en hun belangrijkste papieren ontnomen. Daarna werden zij in het Gravensteen in Gent opgesloten. Alva was begin oktober tot opvolger van de landvoogdes benoemd. Omdat dit alles achter haar rug gebeurde, besloot zij na vruchteloos protest en waarschuwingen voor burgeroorlog het land te verlaten en maakte zich klaar om naar haar landgoed in Italië te reizen. In december verliet Margeratha van Parma het aankomend strijdtoneel, na nog eens uitdrukkelijk aan de toezegging van de twee gunsten door de koning te herinneren: het algemeen pardon en de bijeenroeping van de Staten-Generaal. Maar de hertog lapte dit aan zijn militaire laars.

De 'Bloedraad', zoals het volk de Raad van Beroerten noemde, werkte in versneld tempo door en na de verhoren van de graven werden andere en nog weer andere verdachten opgepakt, verhoord, gevonnist. In januari werd ook de gevluchte Oranje gedagvaard. Daarna volgde een reeks vonnissen tegen Marnix, Brederode en andere edelen, die met verbeurdverklaring van hun goederen voor eeuwig verbannen werden. Graaf van Buren, prins [[Filips Willem van Oranje]] (zoon van Willem) werd met schending van de universiteitsprivileges opgepakt en via [[Brussel (stad)|Brussel]] naar Spanje gevoerd. Na vruchteloos protest greep Oranje, die al sinds mei naar [[Dillenburg (stad)|Dillenburg]] was uitgeweken, uiteindelijk naar de wapens. Hij rekende daarbij op binnen- en buitenlandse steun voor een inval in de Nederlanden.

'''''Eerste verzetsleger van Oranje'''''

Na het ronselen van mensen en middelen zette op 23 april 1568 Willem van Oranje met een bevrijdingsleger van huurlingen [[Oranjes eerste invasie|de aanval]] in. Twee dagen later mislukte in de [[Slag bij Dalheim]] de aanval op de Spaanse legers in het centrum van het land. De heer van Villers werd er verslagen, een voorval dat door sommigen als eerste aanzet tot de [[Tachtigjarige Oorlog]] beschouwd wordt. Het plan was in de voorzomer van 1568 van verschillende kanten tegelijk de inval in de Nederlanden in te zetten. In het noorden zou [[Lodewijk van Nassau]] over de Eems binnendringen om over Groningen en Friesland naar Holland te komen, in Gelre zou de graaf van Hoogstraten met een voorhoede Roermond trachten te bezetten om de weg over de Maas te banen voor het grote leger van Oranje zelf, dat over de rivier in het hart van het land, Brabant, zou binnendringen om met de hulp van de bevolking Alva te verdrijven. Voorts had Oranje zich in contact gesteld met de Watergeuzen en aan Sonoy en anderen commissie verstrekt. Zij zouden aan de Eemsmonding en op de kust de onderneming van graaf Lodewijk steunen. In het zuidwesten zouden Hugenoten onder de heer van Cocqueville een aanslag op Artesië wagen, terwijl van de zeekant ook op hulp van de naar Engeland uitgeweken calvinisten werd gerekend.

'''''Veroordeling en vonnis van Oranje, Egmont en Hoorn'''''

[[Bestand:Egmont & hoorne.png|{{Largethumb}}|Standbeeld van Egmont en Horne te Brussel]]
De bekentenissen, afgedwongen van onder meer de gevangen genomen Villers, maakten Oranje's plannen voor Alva duidelijk en inspireerden hem tot een terreurcampagne om het zuiden te ontmoedigen in opstand te komen. Versneld werden de processen tegen de opstandige edelen uitgevoerd en de vonnissen voltrokken, aangewakkerd door wraak voor het verlies van de [[Slag bij Heiligerlee (1568)|slag bij Heiligerlee]] (23 mei 1568). [[Lamoraal van Egmont|Van Egmond]] en [[Filips van Montmorency|Hoorne]] werden in Brussel op 5 juni 1568 naar het openbaar [[schavot]] geleid en [[onthoofding van Egmont en Horne|onthoofd]], en stierven waardig als katholieken na ontvangst van de laatste sacramenten. Twee broers van [[Willem van Bronckhorst-Batenburg (1556-1573)|Willem van Batenburg]], Dirk en Gijsbert, zijn tegelijkertijd met hen berecht. [[Fernando Álvarez de Toledo|Alva]] liet ook de een maand eerder bij de (tweede) [[slag bij Dalheim]] gevangengenomen [[Jean de Villiers de L'Isle-Adam|Jan van Villers]], Pierre d’Andelot, Jan van Blois van Treslong, Filips van Wingle, [[Jacob van Ilpendam]], secretaris van Brederode, en Artus, zijn kamerling, onthoofden. Een golf van angst en ontzetting ging door het volk.

'''''Aanzet tot een Tachtigjarige Oorlog'''''

Na de veroordeling bij verstek van Willem van Oranje en in beslagname van diens goederen, vertrok Alva nu noordwaarts. Bij dat nieuws brak graaf Lodewijk het beleg van Groningen op, maar werd op 21 juli bij [[Slag bij Jemmingen|Jemmingen]] door de geregelde troepen van Alva ingehaald en verslagen. Zelf ontkwam hij ternauwernood al zwemmend de Eems over en sloot zich daarna bij zijn broer aan. Zijn ervaring bewees dat op steun van het volk in het noorden van de Nederlanden niet gerekend moest worden. In het zuiden waren bij Artesië ook de Hugenoten uiteengedreven en hun aanvoerder aangehouden. Omdat verder van de woeste watergeuzen weinig goeds te verwachten was, bleef in feite Oranje's leger geïsoleerd over. Hij verwachtte meer steun in Brabant, waar hij eerst een propagandaoorlog via pamfletten liet organiseren. Hij had gehoopt eerst het hem gunstig gezinde Luik te kunnen inpalmen, maar de schrik zat er te diep in en de poorten werden niet geopend.

Half september rukte hij dan met 13 à 14000 man Duitsers, Walen en uitgewekenen, van de Rijn naar de Maas en kwam weldra in de omgeving van Maastricht. Zijn troepen bleken evenwel reeds in het begin tuchteloos en plunderden onderweg dorpen en kloosters. ‘''Is dat het leger van de prins of een vlucht wilde ganzen?''’ riep de verbaasde hertog uit, toen hij het bericht vernam dat het Oranje was die op 7 oktober 1568 bij [[Stokkem]] de Maas overstak. Oranje drong Brabant binnen tot bij Tongeren, dat hij bezette, waarmee hij de stad [[Maastricht]] bedreigde. Alva stelde zich op een heuvel op, waarna Oranje afzag van een aanval (zie [[Slag op het Lanakerveld]]). Hierna liet hij Oranje verder naar het westen doorstoten, in de hoop daar een slag te kunnen leveren. Maar Alva wist van zijn geldgebrek en paste een tactiek van geringe schijnaanvallen en terugtrekking toe om tijd te winnen en de legerbenden af te matten. Alleen aan de [[Gete]] leverde hij [[Slag bij Geldenaken|op 20 oktober ernstig slag]], die Oranje verloor, en waarbij Hoogstraten ernstig gewond raakte en De Hames en andere edelen sneuvelden. Bovendien liet nu Alva onderweg windmolens afbreken en dorpen platbranden en alle mogelijke mondvoorraden meenemen. De muiterij en plunderingen die ondanks de Oranje ter hulp gekomen hugenoten bij zijn legerbenden uitbraken, noopten hem bij het naderen van de winter van 1568-69 de hele campagne af te blazen. Een terugtocht over de Maas werd hem door de bisschop geweigerd, en met de troepen van Alva op de hielen moest hij nu richting Franse grens. Na de ontbinding van zijn troepen daar trok hij met een twaalfhonderdtal ruiters die zich bereid hadden verklaard hem te volgen, vergezeld van zijn twee broers Lodewijk en Hendrik, die ook bijna gans berooid waren, westwaarts om zich bij de Hugenoten te voegen in [[Gascogne]]. De onderneming op de Nederlanden was volledig mislukt en Alva scheen zich voorgoed heer en meester van de door oorlog en geweld geteisterde gewesten te mogen beschouwen.

Tussen 1567 en 1573 [[migratiestroom in de Nederlanden#Eerste migratiegolf|vluchtten zo'n 50.000 mensen]] uit hoofdzakelijk de Zuidelijke Nederlanden.

'''''Een propagandaoorlog'''''

[[Bestand:Willem II van der Marck Lumey.jpg|miniatuur|[[Willem II van der Marck Lumey]] (1542-1578), leider van de watergeuzen.]]
De calvinistische strijd was nu gedempt tot aanval en verweer met pen en papier. Op 14 april 1572 deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva.<ref>[http://www.peterkamminga.nl/attachments/061_Willem%20van%20Oranje%20roept%20op%20tot%20verzet%201572%20opdracht.pdf Willem van Oranje roept op tot verzet]</ref> Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen.

Oranje liet nog steeds talloze brieven en opruiende pamfletten in de Nederlanden rondgaan. ‘Verantwoordingen’ van Hoorne en Van Stralen volgden op de zijne. Na de zwaarden werden nu in beide kampen de pennen geslepen. Jacob van Wesembeke, vroeger pensionaris van Antwerpen, thans eveneens naar Duitsland uitgeweken te Wezel, was de verantwoordelijke voor het beroemd geworden pamflet ‘''La description de l'estat, succès et occurences, advenues au Pais-Bas au faict de la religion''’, dat weldra in het Nederlands werd vertaald. Het gaf een omstandig verhaal van wat in 1566 gebeurde. Ook de scherpe aanval op de katholieke Kerk van de vurige calvinist [[Marnix van St. Aldegonde]] in zijn ‘''Byenkorf der H. Roomsche Kercke''’, als antwoord op een aanval van een Frans theoloog tegen de Hervorming, stelde met venijnige spot en bijtend sarcasme in felle haat de gebreken van de katholieke Kerk aan de kaak. Bij de vluchtelingen zelf bleef nog steeds een belangrijk verschil van invalshoek bestaan tussen de ‘[[rekkelijken]]’ van Emden, meestal uit Holland, Friesland en Groningen afkomstig, die van aansluiting tot de Augsburgse Confessie niet afkerig waren gebleven, en de ‘[[preciesen]]’, overwegend uit het zuiden van de Nederlanden afkomstige ballingen in de Paltz, die met Dathenus e.a. aan het hoofd, van de Lutheranen niet wilden weten en de als luthers beschouwde Oranje op dit punt wantrouwden.

Alleen de watergeuzen bleven nog onder de wapens. Zij enterden onder de vlag van 'Oranje, Blanje, Bleu' bij voortduring handelsschepen, maakten de ladingen buit, en de Noordzee onveilig. Ze overvielen nu en dan dorpen aan de kust, of aan de zeekant gelegen kerken en kloosters en verkochten hun buit in Engeland of Oost-Friesland, Hamburg of Bremen.

'''''De grootse plannen van Alva'''''

Vanuit de grote mogendheden was er weinig steun voor Oranje. Alleen begon Engeland zich stilaan tegen Spanje te roeren, toen Filips, op aansturing van Rome, leek aanstalten te maken om nu Alva ook het Brits koninkrijk weer te zwaard tot het katholieke geloof te laten brengen en Mary Tudor te bevrijden.

[[Bestand:Ruy Gómez de Silva Príncipe de Éboli.jpg|miniatuur|Ruy Gómez de Silva voert de Spaanse oppositie tegen Alva]]
Maar aan het Spaanse hof zelf kwam er oppositie bij monde van [[Ruy Gómez de Silva|Ruy Gomez]] na de hoogmoed van Alva, (die zich in Antwerpen een standbeeld had laten maken gegoten uit het brons van de bij Jemmingen buitgemaakte kanonnen) en ook klonk de overtuiging steeds luider, dat in de Nederlanden nu algemene amnestie moest verleend worden. Toen bovendien Granvelle en de paus zelf zich achter die idee schaarden, besloot Filips om Alva daar inderdaad mee te belasten. Het koninklijk besluit ging vergezeld van een pauselijke bul, waarbij ieder die tot de Kerk terugkeerde vergiffenis voor al het misdrevene verkreeg. Maar het werd pas in juli 1569 door Alva te lande afgekondigd.

Op 26 maart 1569 had hij de Staten-Generaal bijeengeroepen, omdat over de voortzetting van een negenjarige bede van de Nederlanden aan de Spaanse kroon moest beslist worden. Hij wilde dit in de vorm van [[tiende penning]] en honderdsten invoeren. De leden mochten niet onderling overleggen zoals onder Karel V de gewoonte was geweest, en toen hij merkte dat hij er met de verzamelde Staten niet uitkwam, begon hij met de provinciën afzonderlijk te overleggen. Hij dreigde de steden van Vlaanderen, Henegouwen, Brabant en de stad Utrecht, die weerstand bleven bieden, met verwoesting en plundering. Na concessies en dan weer andere weigeringen, nu van Holland, terwijl in Brabant en Vlaanderen allerlei voorwaarden werden gemaakt, die alles ten slotte geheel op losse schroeven zetten, begon de zaak op de lange baan te geraken. Uiteindelijk werd een voorlopige regeling voor twee jaar goed gekeurd. De regeling van de belastingen bleef echter een heikel punt. Het systeem van de beden liet immers de Staten toe telkens voorwaarden te stellen, waardoor ze inspraak in het beleid omtrent hun gebied behielden, wat zou wegvallen bij een permanente belastingsregeling.

Alva had een plan van [[Joachim Hoppers|Hopperus]] in gedachten om, onder pauselijke en keizerlijke goedkeuring, van de Zeventien Provinciën één koninkrijk der Nederlanden te maken met Brussel als hoofdstad. Het was altijd al een ideaal van de Bourgondische vorsten geweest om de verschillende [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] tot één geheel in een ondeelbare monarchie te verenigen. Het Spaanse plan voorzag in een vaste vertegenwoordiging door een Staten-Generaal, samengesteld uit drie leden: geestelijkheid, adel, en de steden en landen. Aan de privilegiën en gewoonten zou niet geraakt worden en ieder gewest zou zijn oude lasten blijven dragen. Een later toevoegsel van Viglius was een ontwerp tot verheffing van de in de troebelen verarmde Nederlandense adel, door oprichting van een dertigtal ‘[[Commanderij (ridderorden)|commanderies]]’ om gekoppeld aan een behoorlijk inkomen aan verschillende edelen van beproefde trouw te worden toegekend. Sommige Spaanse staatslieden, zoals [[Erasso]], lieten zich uit voor volkomen loslating van de Nederlanden, omdat zij eerder last dan voordeel voor de monarchie betekenden.

Maar Alva dacht met de nauwe verbintenis nog verder te gaan. Hij viseerde ook de aangrenzende delen van het Duitse Rijk. Dit plan bleef geen geheim. Oost-Friesland, Gulik, Munster, Keulen, Aken, Trier ondervonden reeds hoe de geduchte Spanjaard hard aandrong op uitlevering van gevluchte calvinisten en het onderdrukken van de ketterij. Zelfs Dillenburg en de Paltz, tot Hessen en Saksen toe voelden zich bedreigd.

De plannen tegen Engeland vonden geen voortgang, ook omdat Alva er ernstig over dacht om nu zijn actieve taak in de Nederlanden als voltooid te beschouwen. Wel liet hij de juristen van de Raad van Beroerten een ontwerp van [[strafrecht]] maken dat als basis zou dienen voor de voortreffelijke [[Criminele Ordonnantiën]] van juli 1570, om in het vooruitzicht van het nieuwe koninkrijk overal het oude strafrecht op één lijn te brengen. In de zomer van 1570 werden door de Brusselse regering de handelsbetrekkingen tussen Spanje en Engeland weer in evenwicht gebracht, in het belang van de handel van de Nederlanden.

Maar het wantrouwen van de bevolking en de adel zat diep en het nieuwe plan werd met achterdocht benaderd. Er kwam een terugval tot de vorige periode en de hele carrousel met opbod van ketterijmaatregelen enerzijds en oproer anderzijds ging weer draaien. De betrekkingen, die velen in den lande nog heimelijk met Oranje en andere uitgewekenen onderhielden, stookten het vuurtje van ontevredenheid voortdurend aan. De inquisitie beleefde weer hoogdagen, en toen in mei 1570 vier pastoors wegens ketterij te 's Gravenhage levend werden verbrand, maakte de ‘amnestie’ in deze omstandigheden nog weinig indruk. Intussen was een ondergronds netwerk ontstaan dat via agenten contact hield met Oranje in het buitenland. Deze was nog steeds op zoek naar financiële middelen om weer troepen te verzamelen en spijsde zijn kas zelfs deels met de buit van de watergeuzen, de woeste piraten aan wie hij de Waalse edelman en heer van Dolhain, [[Adriaan van Bergen]], in september 1569 als admiraal had toegewezen.

==== Nederlandse Opstand (1567-81)====
{{Zie hoofdartikel|Nederlandse Opstand}}
[[Bestand:Descriptio Germaniae inferioris Nederlanden 1573.png|miniatuur|Kaart van [[Abraham Ortelius]] uit 1573, één van de oudste kaarten met daarop de Nederlanden]]
[[Bestand:Capture of Brielle, April 1 1572 (Frans Hogenberg).jpg|miniatuur|[[Inname van Den Briel]], 1 april 1572 (Frans Hogenberg).]]
De [[Inname van Den Briel]] in maart 1572 door de watergeuzen gebeurde min of meer toevallig, en zonder medeweten van Oranje. Maar het incident stak het vuur aan de lont voor de verdere opstand. Op Walcheren werd geweigerd de beschermingstroepen die Alva naar Vlissingen stuurde te ontvangen, maar men liet er wel de geuzen toe, weldra gevolgd door een aantal ballingen uit Engeland. Uit Rotterdam, Delft en het Westland begaven veel aanhangers van de prins zich naar Den Briel. Ook Franse en Engelse vrijwilligers. In Vlaanderen, tot bij Eeklo, doken ze spoedig in benden op, overal in de omtrek plunderend en brandend. Ook de Geuzen uit Den Briel plunderden heinde en verre in de omtrek, daarbij vooral kerken en priesters aanvallend. Maar ondanks officieuze hulp vanuit Engeland en van Franse Hugenoten drong de opstand nog niet verder dan de naburige Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden door. Aanhangers van Oranje waren in de Hollandse en andere steden nog weinig talrijk. Op 16 juni vergaderden de Staten zelfs in Den Haag vanwege de overlast van de Geuzen. [[Lodewijk van Nassau|Graaf Lodewijk]], die tot dan met Frankrijk, Duitsland en Engeland geheime onderhandelingen had gevoerd met als doel na een uitgelokte algemene opstand tegen Spanje de Nederlanden onder elkaar te verdelen, had eind mei Parijs verlaten. De 24e verraste hij met een inderhaast samengetrokken hugenootse voorhoede [[Bergen (België)|Bergen]], hoofdstad van Henegouwen, nadat de dag tevoren zijn vrienden Famars en Marquette in [[Valenciennes]] de macht hadden gegrepen.

'''''Tweede verzetsleger van Oranje'''''<br />
[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1572a.png|miniatuur|Invallen van de geuzen en de Oranjes]]
Valenciennes werd spoedig heroverd en op 3 juni sloeg Alva's zoon, [[don Frederik]] reeds met een weldra tot 20 000 man aangegroeid leger het beleg voor Bergen. Op 7 juli trok de prins uiteindelijk in een [[Oranjes tweede invasie|tweede poging]] met 24 000 man bij Duisburg de Rijn over en enkele dagen later kwam de Franse edelman De Genlis met zowat 7500 Hugenoten in Henegouwen opzetten op weg naar Bergen. Maar bij St. Ghislain werden zijn troepen uiteengejaagd en hijzelf gevangen genomen en ter dood gebracht. Uit de documenten die ze bij zich hadden en hun bekentenissen werd voor Alva de samenhang van het plan duidelijk van Oranje, die intussen met zijn tweede veldtocht de Maas over stak. Op 23 juli overviel zijn legerbende al plunderend en brandend Roermond. Daarna trok die op dezelfde wijze Brabant door, maar raakte daar vast omdat beloofde hulp uit Frankrijk uitbleef. De reden was dat de aanvoerder van het Hugenotenleger, Coligny, zelf was omgebracht in de [[Bartholomeusnacht]]. Toen Lodewijk uiteindelijk het [[beleg van Bergen]] opgaf leek het hele plan van Oranje in duigen gevallen. Eind september trok hij met zijn onbetaalde, plunderende, muitende benden weer naar de Maas en ontbond zijn leger te Roermond. Met een zestigtal ruiters besloot hij zich daarop naar Holland te begeven, waar onder invloed van de watergeuzen de kans op strijd nog het hoogst was. In veel steden waren zij door de burgerij, die vreesde voor de [[Tiende Penning#Tiende Penning van Alva|10e penning]], binnengelaten al waren magistraten met geweld daartoe gedwongen of hadden de vlucht genomen naar de steden met reguliere legerbezetting. Voor Holland waren dat Amsterdam en Utrecht, voor het noorden Groningen en Leeuwarden, voor het Gelderse Nijmegen en Arnhem, en voor het Zeeuwse Bergen op Zoom en Antwerpen.

Op een [[Eerste Vrije Statenvergadering|inderhaast bijeengeroepen vergadering]] van edelen en steden van Holland te Dordrecht op 19 juli 1572 verscheen weldra ook de afgevaardigde van Oranje, Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde, met een brief waarin de prins drie maand geldelijke steun vroeg voor zijn leger in ruil voor beloofde veiligheid voor de zich hierbij aansluitende steden. De vergadering aanvaardde en erkende opnieuw de in 1568 afgezette en veroordeelde stadhouder, de prins van Oranje, als haar beschermer en hoofd. Ze stelde hem aan als 'soeverein admiraal' over de vloot met [[Willem II van der Marck Lumey|Lumey]] als zijn vertegenwoordiger, dit alles gekoppeld aan een garantie op godsdienstvrijheid. Niet enkel calvinisten maakten immers deel uit van de vergadering. Graaf Lodewijk van Nassau werd benoemd tot commandant van de [[Geuzen (Tachtigjarige Oorlog)|watergeuzen]]. Op verzoek van de prins werden in augustus door de Staten nieuwe leden van de Rekenkamer aangewezen evenals rentmeesters, ontvangers en drie commissarissen voor de oorlog. Verder werd een nominatie voor nieuwe leden van het naar Utrecht uitgeweken [[Hof van Holland]] samengesteld, waaruit de prins zou kiezen. Dit nieuwe Hof zou te Delft gevestigd blijven, totdat het (vijf jaar later) weer naar Den Haag kon verhuizen. In oktober zette de prins te [[Enkhuizen]] voet aan wal.

'''''Geuzenvloot vernietigd en bloedbaden in Naarden, Zutphen en Haarlem'''''<br />
[[Bestand:Massacre of Naarden (1572) - Bloedbad van Naarden (Frans Hogenberg).jpg|miniatuur|[[Bloedbad van Naarden]] in 1572.]]
Intussen was het [[Leger van Vlaanderen|reguliere leger van de Spaanse Nederlanden]] onder Alva's zoon, don Frederik, een opmars naar de opstandige steden begonnen om de opstand te breken. Zutphen, Deventer, Zwolle en Kampen kregen garnizoenen te ontvangen, omdat die steden een eventuele hulpinvasie van Duitse troepen voor Oranje zouden moeten tegenhouden. [[Bloedbad van Zutphen|Zutphen]] werd op 16 november stormenderhand ingenomen, nadat graaf van den Bergh bij de komst van het leger de vlucht naar Holland had genomen. [[Bloedbad van Naarden|Naarden]], dat zich probeerde te verzetten, werd zowat geheel uitgemoord. Daarna was Haarlem aan de beurt. Even leek het erop dat Alva de door het ijs ingesloten geuzenvloot op de Zuiderzee zonder moeite in handen zou krijgen, maar een plotse dooi redde hen. Aanstonds borgen zij hun schepen in de havens van de Hollandse kust tot het voorjaar. Het [[Beleg van Haarlem (1572-1573)|beleg van Haarlem]] dat op 11 december werd ingezet duurde een half jaar. Pogingen van ontzet door Lumey en daarna opnieuw op 2 januari door Filips de Coninck eindigden op zware nederlagen. In mei werden de na de strenge winter weer opduikende Hollandse schepen door de scheepsmacht van [[Maximilien de Hénin-Liétard|Boussu]] uit Amsterdam in een formele [[Slag op de Zuiderzee|zeeslag op het IJsselmeer]] overwonnen. De vloot van de geuzen werd daarbij zo goed als geheel vernietigd. Er heerste daarop in het noorden een klimaat van algehele verwarring en chaos. Bovendien nam de spanning tussen de katholieken en de calvinisten in het opstandelingenkamp zienderogen toe. In het algemeen draaide dit erop uit dat de calvinisten in de steden de macht in handen wisten te krijgen, de regenten die ze niet vertrouwden afzetten, kerken en kloosters in beslag namen, en de openbare katholieke eredienst verboden, waarop talloze katholieken de plaats moesten ontruimen, vaak richting zuiden.

Een leger van 5000 man dat Oranje bij Leiden begin juli had weten bijeen te krijgen werd kort daarna bij het Manpad weer uiteengeslagen. Op 12 juli gaf Haarlem zich over. Ripperda, Lancelot van Brederode en andere officieren, deels voormalige Watergeuzen, werden onthoofd. Daarmee leek de opstand voorlopig bedwongen. Maar het langdurige en moeilijke beleg had ook de kracht van het Spaanse leger ten zeerste aangetast.

'''''Nijpend geldgebrek in beide kampen'''''<br />
De Engelse koningin Elizabeth bleek, na Alva's overwinningen en de vele mislukkingen van Oranje, niet geneigd haar vanouds dubbelzinnige houding ten gunste van de Geuzen te doen doorslaan. Ook van de Duitse vorsten bleek de laatste jaren weinig hoop op steun te verwachten. Enkel Frankrijk, oude vijand van het Bourgondisch-Habsburgse huis in Europa, leek de prins nog steeds hoop op hulp te geven. Niet alleen Oranje kampte met voortdurend geldgebrek voor zijn veldtochten, ook voor het reguliere leger van de Nederlanden was nijpend gebrek aan financiële voeding ontstaan. De zendingen uit Spanje waren vrijwel geheel opgehouden en ook in de Nederlanden, zelfs te Antwerpen, was na het langdurige oorlogen en andere rampen geen geld meer te krijgen.

In tegenstelling tot de burgerij, die vrede wenste, wilden de teruggekeerde ballingen, de predikanten, in het algemeen de calvinisten, nog altijd betrekkelijk klein in aantal maar door de gebeurtenissen van het laatste jaar in het bezit van regeringsmacht in de Hollandse steden, nog steeds Oranje steunen in zijn strijd tegen Spanje. In april of mei 1573 ging hij uiteindelijk openlijk over tot die Kerk.

'''''Alva neemt ontslag'''''<br />
[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1573.png|miniatuur|[[De Nederlandse Opstand]] in 1573]]
Alva had na al zijn negatieve ervaringen met de Nederlanden het landvoogdijschap al meerdere malen willen neerleggen en toen [[Medina-Celi]] eindelijk door Filips was afgevaardigd om het van Alva over te nemen, vond die dat Alva eerst maar eens orde op zaken moest stellen in het opstandige noorden en de opstand daar geheel onderdrukken. Daarna kon een nieuw stelsel van regering worden ingevoerd, wat uiting gaf aan de gezindte om aan de grieven van de Nederlanders tegemoet te komen. Vanuit Spanje kwam de wens om de Nederlanden voortaan met zachtheid in plaats van met geweld te benaderen. Maar het plan in die zin om een jonge aartshertog, [[Ernst van Oostenrijk (1553-1595)|Ernst van Oostenrijk]], zoon van de Keizer, met een dochter van Filips II te huwen en dan de landvoogdij in de Nederlanden te geven mislukte, toen in de zomer van 1573 Ruy Gomez, Alva's grootste tegenstander, die dit plan in overeenstemming met Hopperus bevorderde, stierf. Alva geraakte daarop steeds meer in verlegenheid. Niet alleen de problemen met de troepen, en de taaie opstand van het gewest van Holland en Zeeland, maar ook het wantrouwen van de regering in Spanje verbitterde hem tenslotte. Toen hij nogmaals ernstig op ontslag aandrong werd het hem op 19 oktober eindelijk toegekend. Don [[Luis de Requesens y Zuñiga]], gouverneur van Milaan, werd uiteindelijk als definitief opvolger aangeduid.

===== Onder het bestuur van Requesens (1573-1576) =====
[[Bestand:Luis de Requesens.jpg|miniatuur|Luis de Requesens y Zúñiga]]
In 1574 schafte [[Luis de Zúñiga y Requesens|Requesens]] als nieuwe landvoogd over de Nederlanden de [[Tiende Penning]] en de [[Raad van Beroerten]] af en bood een 'Generaal Pardon' aan, aan alle opstandelingen die afzagen van de opstand.
Daarop gaf de in hechtenis zittende [[Filips van Marnix van Sint-Aldegonde|Marnix]] de prins schriftelijke aanbevelingen om zijn strijd op te geven aangezien nu Alva weg was en op de natuurlijke clementie van de koning kon worden gerekend. Maar het Hof van Holland wees die optie van de hand, in samenspraak met de prins. Haat en wantrouwen waren bij hen zo diep geworteld dat van verzoening en vrede geen sprake kon zijn, ondanks ononderbroken pogingen daartoe van Requesens in 1574. Op 29 januari hadden de geuzen onder [[Lodewijk van Boisot|Louis de Boisot]] de Spaanse vloot, die van Antwerpen uit Middelburg moest ontzetten, bij [[Slag bij Reimerswaal|Riemerswaal]] vernietigd. Daarop had de prins een raad samengesteld uit vertegenwoordigers van de steden Middelburg en Zierikzee, waar hij ook Veere en Vlissingen aan toevoegde, die naast de admiraal en een vertegenwoordiger van Holland het dagelijks bestuur en het leiden van de krijgszaken zou waarnemen. Zoals in Holland was deze raad uit vertrouwde vrienden van de prins en aanhangers van het calvinisme gevormd. Zuid-Beveland en Tholen zou men eveneens proberen in te nemen. Maar het [[Beleg van Leiden (1573-1574)|beleg van Leiden]] door het gros van het Spaanse leger, dat onder [[Francisco de Valdez]] naar het Rijnland was gezonden, bracht deze stad langzaam maar zeker in het nauw.

'''''Derde opstandelingenleger van Oranje'''''<br />
[[Bestand:Slag op de Moockerheijde.jpg|miniatuur|Slag op de Moockerheijde]]
Intussen werd in februari 1574 de bevolking van de Maasstreek voor de [[Oranjes derde invasie|derde keer]] getroffen door opnieuw een ongeordend plunderend en brandschattend Oranjeleger, dit keer onder leiding van graaf [[Lodewijk van Nassau]], die vergezeld van zijn broer Hendrik en de jonge hertog Christoffel van de Palts probeerde noordwaarts te trekken richting Leiden. Kerken en kloosters moesten het opnieuw ontgelden. Maar Maastricht en ook het noordelijker Roermond waren goed verdedigd door [[Leger van Vlaanderen|de reguliere troepen]] en bij een treffen begin maart moest het 'Nassauleger' al enkele belangrijke nederlagen incasseren. Daarna trok het opstandelingenleger snel verder richting Nijmegen tot bij Bommel, waar de prins van Oranje zijn troepen had samengetrokken. Maar op 14 april bracht d'Avila hen [[Slag op de Mookerheide|bij Mook]] een verpletterende nederlaag toe, waarbij de Nassause veldheer met hertog Christoffel en zijn broer Hendrik sneuvelden, terwijl hun bevrijdingsleger uiteengejaagd werd. Na het nieuws van de slag op de Mookersheide keerde een verbitterde prins die nu ook zijn twee broers had verloren, ijlings naar Holland, waar de reguliere troepen intussen opnieuw hun schansen rond Leiden hadden ingenomen.

In mei 1574 riep Requesens in Brussel de Staten-Generaal bijeen voor geldelijke steun voor de troepenmacht. De vergadering liep echter al spoedig weer vast op hevig verzet van de gewesten, die meer begaan waren met de bandeloosheid van de troepen en de verwoestingen op het platteland dan van de overwinning bij Mook. Zij verlangden de komst van de koning, terugkeer tot de toestand onder Karel V, vrede met Holland en Zeeland en verwijdering van de vreemde huurlingen. Onderhandelingen met de afzonderlijke gewesten leidden ertoe dat Henegouwen, Artesië en Namen toegaven. Maar dit bleek een druppel op een hete plaat, toen Brabant en Vlaanderen weigerden en de overige gewesten dit voorbeeld volgden. Openlijk aanstoken en uitvergroten van de verschillen door de opstandelingen van Holland en Zeeland maakte de toestand des te bedenkelijker. Dit leidde er als vanzelf toe dat de nooit geheel afgebroken onderhandelingen met de prins weer moesten worden aangevat, wat diens politieke positie uiteraard versterkte. Men vond zelfs dat aan de ketters toegevingen op gebied van het nijpende punt van de godsdienstvrijheid moesten worden gedaan.<br />
Leoninus, een oude vriend van de prins, werd naar Holland gestuurd als afgevaardigde van Requesens om te bemiddelen.

'''''Leids ontzet'''''<br />
[[Bestand:Leiden ontzet 1574.jpg|miniatuur|Leiden ontzet (1574).]]

Ook in de overwegend katholieke maar [[Beleg van Leiden (1573-1574)|belegerde stad Leiden]] gingen steeds meer stemmen op om met 'de vijand' te onderhandelen. De katholieken rekenden op het algemeen pardon en lachten de beloofde hulp voor ontzet door de calvinistische Willem van Oranje weg. Het [[Beleg van Haarlem (1572-1573)|beleg van Haarlem]] had bij herhaling het bewijs geleverd, hoe weinig de geuzen te velde tegenover de zuiderlingen betekenden. In augustus 1574 werd een wanhopige poging gedaan om het leger weg te jagen door de sluizen te openen. Maar Valdez hield de dijken om Leiden bezet en de vloed kon niet verder over de landscheiding doordringen. Stad en omgeving en de wegen naar Haarlem, Utrecht en 's-Gravenhage bleven droog. Daarop werd de afgetobde prins van Oranje ziek en men vreesde zelfs voor zijn leven, zodat het bericht van zijn overlijden al werd rondgstrooid. Toen hij echter van enkele afgevaardigden uit Leiden vernam dat de stad nog stand hield, vatte hij weer moed. Na een noordwesterstorm op 29 september steeg het waterpeil dusdanig dat de platbodems van de geuzen langzaam noordwaarts konden doorvaren.
Op 2 oktober wapperden de Oranjevlaggen nog steeds op de stadstorens ten teken dat Leiden ondanks alle ellende, tot de pest toe, bleef standhouden. Op 3 oktober merkte een alert weesjongetje op dat de belegeringsmacht in stilte haar stellingen had verlaten. De geuzen konden nu vrij doorvaren en de stad ontzetten.

De volgende dag kwam de prins zelf uit Delft naar Leiden en bleef er tien dagen te midden van de zwaar geteisterde burgerij, die hem als haar redder vereerde en hem alles liet regelen. Daarbij bracht hij de vroedschap van de stadsregering van 40 terug op 16 en stelde zelf nieuwe burgemeesters en schepenen aan: zij die onbetrouwbaar bevonden waren werden afgezet. Als beloning voor haar trouw kreeg de stad op 8 februari 1575 een hogeschool. Het ontzet was een keerpunt in de geschiedenis geweest. Indien de stad haar weerstand had opgegeven, was heel Holland teruggevallen in handen van de landvoogd. Maar Amsterdam aarzelde nog zich voor de prins te verklaren. En de geleden oorlogsschade was erg hoog. In november herhaalde Oranje zijn dreigement om naar Duitsland te vertrekken, als men hem niet de middelen verschafte om zijn oorlog voort te zetten en men zijn gezag niet hoog hield. Op 12 november erkenden de [[Staten van Holland]] hem officieel als hoogste gezagsdrager. Zo werd hij voor deze periode de facto de soevereine heer van Holland en Zeeland, al bleef zijn titel nog altijd ‘gouverneur’. Voor de koning en buiten de Staten om ondernam hij niets van belang, zodat een verband van gedeelde verantwoordelijkheid voor de genomen maatregelen tussen hem en de onderdanen in stand bleef.

'''''Onderhandelingen in Breda leveren alleen Willem van Oranje meer macht'''''<br />
Maar ook voor Requesens werd de financiële toestand hachelijk, net als voor de Spaanse regering. Hij had reeds verschillende muiterijen moeten de kop indrukken, zoals vlak na het Leidens ontzet. De economische toestand in de Nederlanden stagneerde al geruime tijd en na de verwoestingen door de [[Nederlandse Opstand|burgeroorlog]] kwamen er nog nauwelijks opbrengsten voor de schatkist uit voort. De inkomsten van de regering van Filips II uit al zijn landen samen bedroegen toen 10 miljoen kronen. Leger en vloot in de Nederlanden alleen al kwamen in de tijd van Requesens geregeld op 8½ miljoen kronen te staan, wat op een verlies van 2 miljoen neerkwam, terwijl bij Alva's vertrek er reeds 6 miljoen achterstand aan soldij was. Dit verklaarde ook de [[Spaanse Furie (Mechelen)|Spaanse furie]] die nog voor het Leids ontzet was losgebroken. Gelijkaardige taferelen speelden zich in Mechelen, Brugge, Gent en elders af. De Meierij van Den Bosch was niet alleen door Duitse, maar ook door Spaanse en Italiaanse troepen leeggeplunderd.

De landvoogd vermocht, wegens geldgebrek, daar weinig aan te doen. In Vlaanderen en Brabant begonnen burgers en boeren zich al te wapenen om eigenmachtig tegen plunderaars op te kunnen treden. De toestand in de Nederlanden was in een neerwaartse spiraal aan het geraken. De Staten weigerden geld aan de landvoogd teneinde hun eigen macht te vrijwaren, maar door geldgebrek kon de landvoogd het leger niet meer onder controle houden en werden de Staten door muitende soldaten geplunderd. Armoede en werkloosheid namen toe, zowel in de steden als op het platteland maakten horden bedelaars Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en Artesië onveilig. Kloosters op het platteland werden aangerand evenals afgelegen boerenwoningen. Zelfs dorpen werden bedreigd. In de nasleep van wat gebeurd was kon een algemene opstand onder het moegetergde landvolk niet lang meer uitblijven. De vierjarige [[sluiting van de Schelde]] door de Zeeuwse geuzen, de roverijen door Hollanders en Zeeuwen op de Vlaamse kust, belemmering van de handel door allerlei verbodsmaatregelen aan beide kanten, de plundertochten, thans ook vanuit Holland in Brabant, deden zowel de armoede en ellende in de steden en op het platteland in de getrouwe gewesten stijgen als de algemene ontevredenheid.

Voorjaar 1575 werden te Breda opnieuw ernstige onderhandelingen geopend, waarbij voor Requesens naast Rasseghem en Leoninus twee bekende Nederlandense rechtsgeleerden, Sasbout en Suys, opdoken, terwijl voor de prins en de zijnen diens getrouwen: Marnix, Paulus Buys, Willem van Zuylen van Nyevelt en nog enkele anderen optraden. Maar de verregaande toegevingen die Requesens daarop wel wilde doen werden zoals gewoonlijk niet door de koning onderschreven en de onderhandelingen werden vroegtijdig door de landvoogd afgebroken, ook al omdat de prins geen gelegenheid onverlet liet om de afgevaardigden van de trouwe Staten tegen hem op te hitsen. Daarop werd in juni een Unie tussen Holland en Zeeland besproken, zij het na heel wat gehaspel over de verdere bevoegdheden, waarbij Willem van Oranje steeds meer regeringsvolmachten had geëist, die hij in deze unie ook verkreeg, theoretisch voor de duur van de oorlogstoestand. Hij mocht desnoods ook het bestuur van de steden veranderen. De Staten en verder de ‘officieren, magistraten, schutteryen ende gemeenten in alle steden en vlekken’ zouden hem de eed van gehoorzaamheid doen, terwijl een landraad hem zou terzijde staan. Deze werd, niet geheel naar de zin van de prins, in augustus ingericht, maar kreeg slechts beperkte macht, omdat de Staten zelf invloed op allerlei zaken wilden behouden. Een meningsverschil tussen de prins en de Staten verhinderde een definitieve regeling en tegen het najaar was de landraad alweer afgeschaft. Daarmee was Oranje feitelijk nog meer soeverein dan te voren.

'''''Wreedheden van Sonoy op de West-Friese katholieken'''''<br />
[[Bestand:Diederik Sonoy.jpg|miniatuur|Diederik Sonoy]]
Voorjaar 1575 werd de strijd die tijdens de onderhandelingen was opgeschort weer in volle hevigheid voortgezet. De stadhouder van Utrecht en Gelderland, [[Gilles van Berlaymont|Hiërges]], die thans ook met het bewind over Holland en Zeeland was belast, deed in april met een aanzienlijke macht van Haarlem een uitval op Kennemerland om geuzenleider [[Diederik Sonoy|Sonoy]] uit het noorden te verdrijven. Verbitterd door de tegenstand van katholieke boeren in West-Friesland tegen zijn maatregelen en naar aanleiding van geruchten over plannen tot brandstichting in allerlei belangrijke dorpen een samenzwering onder hen vermoedend, maakte deze laatste zich als dweepziek calvinist schuldig aan [[Martelaren van Alkmaar|schandelijke wreedheden]] die niet moesten onderdoen voor die van de inquisitie. Sonoy's ‘Bloedraad’, die van Alva in wreedheid overtreffend, geraakte nooit meer uit de herinnering van de vervolgde West-Friese katholieken.

Hiërges trok evenwel door Utrecht naar de Betuwe en veroverde Buren, waarna hij Oudewater bestormde en zich vervolgens voor Schoonhoven legerde, dat eveneens nog in augustus viel. Een aanval, door Requesens zelf geleid, scheidde op 28 september bijna geheel Zeeland van Zuid-Holland, zoals dit door de verovering van Haarlem van het noorden was gescheiden. 1500 elitesoldaten onder Ulloa trokken daarbij onversaagd langs een smalle voorde over de verraderlijke ondiepten van het Zijpe, midden tussen de schepen van Louis de Boisot door, tussen St. Filipsland en Duiveland, waar Charles de Boisot bij hun aankomst werd doodgeschoten, terwijl zijn benden de vlucht namen. Het behoud van Zierikzee was voor de opstandelingen van belang, nadat Bommenede was gevallen.

'''''Dreigend staatsbankroet'''''<br />
Maar Filips zag, als gevolg van de zware onkosten van de Nederlandense oorlog, die hem al ruim 42 miljoen dukaten had gekost nadat hij in de laatste jaren grootschalige verkoop en verpanding van staatsdomeinen had bevolen, evenals van nog beschikbare inkomsten uit zijn Spaanse Rijk aan bankiers te Genua, Antwerpen, Augsburg en elders, geen andere uitkomst uit de stijgende financiële nood meer dan een formeel staatsbankroet. De bankiers stelden steeds hogere eisen. In het binnenland was geen geld meer te krijgen en de renten van de staatsschuld alleen al, thans 34 miljoen dukaten, verslonden a rato van ruim 2 miljoen meer dan twaalf procent van de volledige staatsinkomsten van de Spaanse monarchie.

Op 1 september 1575 schorste een ‘''decreto''’ alle betaling aan de schuldeisers van de staat met een hevige financiële crisis als gevolg. Vrezend voor het nog grotere kwaad van algemene militaire muiterij stemden één na één de Nederlandense provincieën in met het betalen van een lening voor een totaal van 1,2 miljoen gulden, om de soldij tijdig uit te betalen, zoals Requesens aan de gewesten had gevraagd onder dreiging ze anders zware garnizoenen te zullen sturen. Dit werkte als een hete adem in de nek van Holland en Zeeland en de prins begon weer naar buitenlandse troepenhulp uit te zien.

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1576a.png|miniatuur|[[De Nederlandse Opstand]] in 1576 (tot november)]]
Bevreesd voor Franse heerschappij in Holland en Zeeland, had [[Elizabeth I van Engeland|koningin Elizabeth]] reeds eerder een gezant naar de prins en een andere naar Requesens gezonden om bemiddeling aan te bieden om de mislukte onderhandelingen van Breda weer te doen hervatten. Elizabeth bleef op dubbelzinnige wijze met beide partijen onderhandelen. Van Oranje verlangde zij Walcheren te mogen beheren.

Op 4 maart 1576, terwijl beide partijen in Londen nog onderhandelden, overleed te [[Brussel (stad)|Brussel]] onverwacht Requesens.

===== Onder Don Juan van Oostenrijk (1576-1578) =====
Het generale pardon had veel calvinistische ballingen, die niets liever wensten dan aansluiting bij de prins en verdrijving van de Spanjaarden, naar Vlaanderen en Brabant teruggebracht. Te Brussel was de bevolking vijandig geworden door geruchten in gang gezet door de geheime oproeracties van de Oranje-aanhangers van een voorgenomen aanval van de Spaanse troepen. In augustus 1576 nam de gisting toe, vooral in Brabant en Vlaanderen, die het meest door het muitende krijgsvolk bedreigd werden.

'''''Machtsgreep van Oranje'''''<br />
De jonge baron [[Willem van Horne (1550-1580)|Willem van Heeze]], petekind van Oranje, werd eind augustus kolonel van door de Staten van Brabant in dienst genomen Duitse en Waalse verdedigingstroepen. Spoedig daarna werd hij gouverneur van Brussel en stelde zich in verbinding met invloedrijke burgers en overtuigde aanhangers van de prins: Hendrik De Bloeyere, advocaat Liesveld, De Backere... Bedoeling was hen met de prins zelf betrekkingen en onderhandelingen te laten aanknopen. Op 4 september namen de samenzweerders plots onder leiding van Heeze's luitenant [[De Glimes]] de hele [[Raad van State]] in hechtenis. De prins, die achter dit complot zat, schreef ook in Gent de invloedrijke schepen Jan van Hembyze aan om zich bij hem aan te sluiten, evenals andere voorname edelen uit Brabant, Vlaanderen en Henegouwen. Zelf bleef hij alsnog te [[Middelburg]], uit vrees om, door een al te snel optreden in het zuiden de afgunst van de edelen te wekken.

In Gent kreeg hij onmiddellijk gevolg, met een verzoek om beschermingstroepen. De prins zond hun een achttal vendels onder kolonel Van den Tympel, die door de prinsgezinde van de Kéthulle, heer Ryhove, en diens broer, heer van Assche, onder volksgejuich door de poorten werden binnengelaten. De tijdens de militaire [[coup]] in Antwerpen verblijvende [[De Roda]] verklaarde intussen zichzelf als enig niet geijzeld lid van de Raad tot bestuurder van het land voor zolang deze gijzeling aansleepte, die overigens algemeen werd afgekeurd, ook in Vlaanderen en Henegouwen. En de Staten van Brabant loochenden elk aandeel in de gewelddaad. Omdat de opstandelingen de wind tegen kregen lieten zij na Viglius ook Sasbout vrij, maar de trouwe aanhangers van Spanje, Berlaymont en Mansfeld hielden ze gevangen, terwijl Del Rio nog strenger werd behandeld. Nu had het land een noodregering die de Staten-Generaal kon bijeenroepen. Oranje zelf wou die als platform gebruiken om zijn ideeën over de toekomst van de Nederlanden uiteen te zetten en indien mogelijk door te drukken. Maar de meeste provinciën wensten daar niet in mee te gaan.

Op 22 september riep de deels herstelde Raad van State op verzoek van de [[Staten van Brabant]] en op aandrang van Oranje de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] bijeen, iets wat normaal enkel op initiatief van de koning mogelijk was. De afgevaardigden van Brabant, Vlaanderen en Henegouwen vergaderden drie dagen later reeds in Brussel, maar de anderen lieten verstek gaan. De in hoedanigheid van Staten-Generaal optredende leden benoemden de [[George van Lalaing|graaf van Lalaing (Rennenberg)]] tot bevelhebber van de krijgsmacht onder bestuur van de krijgszaken door Aerschot. Op 17 oktober werd in een schrijven aan de koning de toestand verduidelijkt en diplomatieke gezantschappen waren daartoe ook reeds naar Engeland, Frankrijk, Duitsland en Rome gestuurd. Op 27 september hadden de Staten zich al schriftelijk tot Oranje gewend om hem en de [[Staten van Holland]] en [[Staten van Zeeland|Zeeland]] voor onderhandelingen uit te nodigen en Gent als trefpunt voor die vergadering te kiezen, waarop hij gretig instemde. De Staten-Generaal hadden bezwaar tegen dit onrustig oord waar bovendien Oranje reeds zijn troepen had, maar bij het bericht dat de door de koning aangewezen [[Juan I van Oostenrijk|Don Juan]] als nieuwe landvoogd op weg was, besloot men haast te maken en werden afgevaardigden gestuurd. De onderhandelingen begonnen op 19 oktober 1576 en verliepen vrij vlot. Men was het eens over de noodzakelijke verwijdering van de muitende Spanjaarden, de handhaving van de oude privilegiën enz. Maar inzake erkenning als landvoogd van Don Juan, en op het punt van de godsdienst, geraakten de onderhandelingen in de knel, omdat Holland en Zeeland geen katholieke eredienst op hun grondgebied wilden toelaten. Dit punt werd naar een volgende vergadering van de Staten-Generaal verschoven. De punten waar men het wel over eens was werden op 28 oktober afgerond en alvast ter goedkeuring aan de staten overgedragen.

'''''Spaanse Furie in Antwerpen'''''<br />
Op 4 november 1576 had te Antwerpen een [[Spaanse Furie (Antwerpen)|Spaanse plundering van Antwerpen]] plaats. Vanuit de citadel werd de stad beschoten, waarna het Spaans garnizoen uit Aalst zich daar bijvoegde. De troepen der Staten, in totaal 8000 man, werden na hevige straatgevechten overmeesterd, de jonge Egmond en anderen gevangengenomen, terwijl Champagney en [[Karel Filips van Croÿ|Havré]] zich ternauwernood op de schepen van de prins in de Schelde konden redden, waarna muitende soldaten zich zelf voor hun achterstallige soldij betaalden met drie dagen moorden en plunderen.

'''''Pacificatie van Gent'''''<br />
[[Bestand:Pacificatiezaal Stadhuis Gent 21-07-2010 14-55-48.jpg|miniatuur|Pacificatiezaal Stadhuis Gent]]
De zogenaamde [[Pacificatie van Gent]] waartoe de bijeengeroepen [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] op 8 november 1576 besloten, kwam neer op een overeenkomst tussen de [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] van de Nederlanden om zich aaneen te sluiten in een zogeheten ''Generale Unie''. Dit politieke succes van Willem van Oranje was mogelijk dankzij de Spaanse Furie waardoor onder alle gezindten in de Lage Landen plots een sterk anti-Spaanse stemming was ontstaan. Gent werd thans door aanhangers van Oranje overgenomen. Met deze Pacificatie van Gent sloten de Staten van Brabant, Vlaanderen, Artesië en Henegouwen een overeenkomst met de Staten van Holland en Zeeland, en namen de Prins van Oranje aan als hun [[stadhouder]]. De erkenning van de koning van Spanje als soeverein stond niet ter discussie, maar Willem van Oranje zou als regeringsleider in de Nederlanden fungeren naast de landvoogd. En alleen iemand die de Pacificatie onderschreef, mocht van de Staten Requesens opvolgen. Intussen was [[Juan I van Oostenrijk]] al door [[Filips II van Spanje|Filips II]] aangewezen.
Als reactie op de Spaanse Furie en aangemoedigd door een in uiterste beroering gebrachte bevolking hadden de Staten-Generaal de Pacificatie van Gent goedgekeurd, waarbij ook Antwerpen zich aansloot. Deze stad werd na het uitroepen van de [[Antwerpse Republiek]] in 1577 de volgende negen jaar de haard van het calvinistisch verzet.

'''''Aankomst van de nieuwe landvoogd'''''<br />
[[Bestand:John of Austria portrait.jpg|miniatuur|Don Juan]]
Intussen was de nieuwe landvoogd op 3 november 1576 net iets te laat in Luxemburg aangekomen. Daar ontving hij gezanten uit Brussel om hem van de recente toestand op de hoogte te brengen en tegelijk zijn plannen mee te delen. In een instructiebrief van de koning die hij op het laatste moment had ontvangen, bleek dat deze nu aan zowat alle vroegere eisen vanuit de Nederlanden tegemoet wou komen, inclusief het algemeen pardon. Alleen en uitzonderlijk voor Willem van Oranje zou dit niet gelden. Maar intussen moest hij in Luxemburg verblijf houden, terwijl de prins in Brussel zijn paleis liet opknappen. Het aanbod van de Roda om zich aan het hoofd van alles tezamen tienduizend man, de Duitse huurtroepen meegerekend, naar Brussel te begeven wees hij af. Het druiste in tegen zijn plan om vrede in de Nederlanden te brengen, en daarna naar Engeland te gaan om de door Elizabeth gevangen gehouden Maria Tudor te bevrijden en te huwen, en in dat land als voorvechter van het katholiek geloof op te treden. Hij verklaarde dat hij zelfs bereid was tot het regelen van de terugtrekking van de Spaanse troepen, maar de Staten-Generaal wilden nu nog meer. Hij moest de Pacificatie van Gent erkennen, die ook in de ogen van de koning regelrecht tegen de Spaanse en religieuze belangen inging. Bovendien was het ondenkbaar dat hij de rebelse Oranje een officiële functie zou verlenen.

De onderhandelingen van de Staten-Generaal met de nieuwe landvoogd werden door deze laatste met alle middelen in de war gestuurd, maar toch besloten de onderhandelaars om voort te doen en verplaatsten daarvoor de locatie van Brussel naar Namen, waarheen Don Juan eveneens werd uitgenodigd. Intussen bleef te Brussel een vertegenwoordiging actief, waar Oranje meteen vertegenwoordigers van Holland en Zeeland naartoe zond. Maar in Namen liepen de besprekingen vast, toen Don Juan moest vernemen dat Brussel zich nu ook op 7 januari 1577 middels de [[Unie van Brussel]] bij de Pacificatie van Gent aansloot. Don Juan kon niet anders meer dan de Pacificatie te aanvaarden. Maar ook de rebellen moesten toegevingen doen en aanvaarden dat de Staten op de handhaving van het katholicisme zouden toezien. Dit en de terugtrekking van de Duitse en Spaanse troepen werd op 22 februari vastgelegd in het [[Eeuwig Edict (1577)|Eeuwig Edict]] van Marche.

De macht van het huis van Oranje nam zienderogen toe naarmate meer gewesten Willem steunden, zoals Groningen en Friesland intussen deden, waarna hij ook Utrecht voor zich opeiste, zich baserend op een oude Unie van Holland en Utrecht van 1534 en zijn eigen vroegere aanstelling die van voor de terdoodveroordeling dateerde. Het zou dan ook nog enkele maanden tot na zijn intrede in Utrecht van augustus aanslepen, vooraleer de Staten-Generaal en de Raad van State in oktober het stadhouderschap van Willem officieel erkenden. Eind maart ontruimden de Spaanse soldaten alvast de [[citadel van Antwerpen]] en die van de andere steden en in april verlieten zij het land, na ontvangst van de hun in het Edict door de regering toegezegde soldij. Don Juan van Oostenrijk mocht Brussel niet binnen, zolang er Spaanse troepen te lande waren en had zijn intrek voorlopig in Leuven genomen.

'''''Unie van Brussel'''''<br />
Op 6 april ondertekende [[Filips II van Spanje|Filips II]] de [[Unie van Brussel]], het vredesverdrag van alle gewesten van de Lage Landen na onderhandelingen tussen [[Willem van Oranje]] en aartshertog [[Matthias van het Heilige Roomse Rijk|Matthias van Oostenrijk]], die intussen door de Staten voor formele benoeming als landvoogd was aangezocht. Op 1 mei 1577 deed Don Juan dan eindelijk zijn intrede in de hoofdstad Brussel en bracht de ratificatie van het Edict door de koning mee, die hij aan de Staten overhandigde. In een schrijven aan de koning wees hij er echter op, dat zolang de Nederlandeners volgens hun privilegiën werden geregeerd er geen verzet te duchten was, maar dat diezelfde privilegiën tenslotte de vorstelijke macht geheel aan banden legden zodat de landvoogd een marionet in hun handen werd, en bijgevolg hij zijn ambt terug ter beschikking wenste te stellen. Dit was geen taak voor een man, meende hij; een vrouw zou die beter kunnen vervullen. Zijn ambitie lag immers verder en reikte naar Engeland, maar zonder Spaanse troepen kon hij dit niet waar maken. En handig laveren was deze vurige kemphaan met zijn instelling van een late middeleeuwse ridder ook niet gegeven. Maar de koning aanvaardde zijn ontslag niet. Eerst moest hij maar zorgen voor vrede met Holland en Zeeland, en liefst zo, dat de prins het land verliet en diens oudste zoon zijn plaats in de Nederlanden innam.

Onderhandelingen met de prins, die namens de landvoogd was aangezocht door de diplomaat Leoninus, liepen algauw vast. Ze leidden alleen maar tot ergernis en opbod van eisen, waaronder overlevering van Amsterdam, Utrecht en zijn eigen stad Breda, en uiteraard godsdienstvrijheid in de hele Nederlanden. Daarmee week Oranje af van het Eeuwig Edict. Vooral wat Holland en Zeeland aanging wilde hij namelijk geen handhaving van het katholicisme. Daarop ried de landvoogd de koning eind mei aan het nutteloos gebleken pad van vrede en zachtmoedigheid te verlaten en wederom de door hem voorgestelde weg van de oorlog te volgen, aangezien de prins van Oranje immers voort ging zich in Holland en Zeeland te bewapenen en zijn gezag in het hele noorden uit te breiden. Op 11 juli verliet Don Juan Brussel, waar hij rond zijn paleis al door [[Orangisme (Republiek)|Oranjeaanhangers]] bedreigd werd, om zich in Mechelen te vestigen. Maar ook daar bereikten hem berichten van mogelijke aanslagen, van plannen om hem aan de prins van Oranje over te leveren, van geheime samenwerking tussen deze laatste en de Staten-Generaal, die inderdaad niet uit de lucht gegrepen waren.

Op 24 juli 1577 verenigde hij zich met de Duitse troepen, deed een verrassingsaanval op de stad [[Namen (stad)|Namen]] en liet tegelijk [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] aanvallen, waarmee aan de [[Unie van Brussel]] een einde kwam. Het broze vertrouwen en het weinige krediet dat hij daarvoor had weten op te bouwen werd nu in één klap weggevaagd. In alle citadels, behalve in Namen en Luxemburg, werden zijn troepen aan de deur gezet. Na deze aanval erkenden de gewesten Don Juan niet langer als hun landvoogd en vroegen [[Matthias van het Heilige Roomse Rijk|Matthias van Oostenrijk]] zijn plaats in te nemen (wat door Filips II werd afgewezen).
Vervolgens besloten de Staten-Generaal tot de voor de protestanten tolerantere [[Unie van Brussel#tweede Unie|tweede Unie van Brussel]]. De prins maakte van de verontwaardiging over de uitval van Don Juan gebruik om Gelderland te overhalen. En de koningin van Engeland toonde nu openlijk steun voor Oranje door haar agent William Davison, overtuigd tegenstander van Spanje, naar Brussel te zenden, die zich niet onbetuigd liet om Oranje in een gunstig daglicht te stellen bij de Brusselse bevolking om bij de Staten-Generaal diens hulp te laten inroepen.

De gewapende burgerij van Brussel beheerste nu de Staten-Generaal. Op haar aandringen namen die Staten op 6 september bij meerderheid van stemmen het besluit om de prins naar Brussel te ontbieden en hem te verzoeken zich aan het hoofd van het land te stellen ter verdediging tegen de Spaanse tirannie en tot het herstellen van orde en rust. De overwegend katholieke burgerij van Brussel had wel als voorwaarde gesteld: de vrije uitoefening van het geloof ook in Holland en Zeeland. Dit lag moeilijk voor de prins en hij begaf zich eerst naar Antwerpen, waar een sterke calvinistische fractie de macht had en werd alvast daar feestelijk binnengehaald. De aarzeling van de prins leidde in Brussel tot het sturen van gezanten naar Namen om alsnog met de landvoogd te overleggen. Omdat deze zich tussen wal en schip bevond door het uitblijven van de aan zijn broer gevraagde Spaanse troepen, besloot hij aan de gestelde eisen toe te geven. Toen de afgevaardigden van Zeeland en Holland zagen dat de overeenkomst met de landvoogd bekrachtigd zou worden, spoorden zij de prins aan zich naar Brussel te begeven. De vooravond van de ondertekening op 23 september arriveerde deze met een privéleger van 300 man uit Antwerpen en werd nu ook in Brussel door zijn sympathisanten feestelijk binnengehaald.

Daar slaagde hij erin om de Raad van State de nietigverklaring van de eerder aan de landvoogd gedane overeenkomst te laten uitspreken, op basis van procedurefouten. Toen dit op 8 oktober aan Don Juan werd gemeld met de clausule dat hij niet meer als landvoogd werd erkend, was dit zo goed als een oorlogsverklaring. Intussen was Oranje de machtigste man in de Raad van State geworden en werd voorlopig als ‘ruwaard’ van het Brabants gewest erkend, zolang er geen landvoogd zou zijn, onder voorwaarde van goedkeuring van deze promotie door de Staten van de bijzondere gewesten, en van handhaving van de vrede en de katholieke godsdienst. Zijn tegenstrever, [[Filips III van Croÿ|Aerschot]], die in september tot stadhouder van Vlaanderen was benoemd, zat intussen in Gent om de Staten van dit gewest te bewegen hun goedkeuring op de 'verheffing' van Oranje te weigeren. Het gelukte hem ook een besluit in die zin door te drukken en tevens de erkenning van de inmiddels aangezochte Matthias van Oostenrijk als landvoogd door te zetten.

Daarop werd onder de Gentse bevolking op 28 oktober een oproer georganiseerd door Oranjegezinde 'patriotten', zoals dat in Brussel was gebeurd, en volgde ook daar een reorganisatie van de macht die zelfs zo ver ging dat onder leiding van de radicale calvinisten [[Jan van Hembyze]] en [[François van Ryhove]] de macht over [[Graafschap Vlaanderen|Vlaanderen]] werd gegrepen door het uitroepen van de [[Gentse Republiek]]. Op aandringen van de Staten-Generaal moest de daarbij gevangengenomen Aerschot wel weer worden vrijgelaten, maar het wantrouwen van velen tegen Oranje werd er zeer door aangewakkerd. De hoge adel met Egmond, Lalaing, en zelfs Van Heeze begonnen zich steeds meer van de prins af te wenden, afkerig als men was van de meer en meer op de voorgrond tredende calvinistische democratie waarmee de Prins zo nauw verbonden bleek. Zij vonden daarin bondgenoten bij de geestelijkheid, die beducht was voor de toenemende ketterij onder de bevolking, bij wie het calvinisme door terugkeer van de ballingen sinds 1566 al maar groter was geworden. Tenslotte vreesden ook de patricische regeringsgeslachten bij het toenemen van de democratische beweging voor hun heerschappij in de steden. Deze drie elementen samen droegen bij tot de opkomende oppositie tegen Oranje die gepaard ging met verdeling van de Staten-Generaal in twee kampen.

===== Onder Matthias van Oostenrijk (1578) =====
[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1576-1577.png|miniatuur|Toestand vanaf november 1576 tot en met 1577 met de Unies van Brussel]]
Op 8 december 1577 verklaarden de Staten-Generaal don Juan tot landsvijand en verzochten [[Keizer Matthias|aartshertog Matthias]] ten voorlopige titel als landvoogd aan te treden tot goedkeuring door de koning. Op 18 januari 1578 deed de nieuwe landvoogd zijn Blijde Intrede te Brussel en benoemde daarop prompt de prins tot zijn luitenant-generaal. Maar met de onervaren aartshertog, spottend zijn ‘griffier’ genoemd, was Oranje het feitelijke hoofd van de regering op basis van de [[Unie van Brussel#tweede Unie|hernieuwde Unie van Brussel]] die ook voordeliger was voor de protestanten. Vanaf nu zou hij de Nederlanden verenigd op de grondslag van de Pacificatie leiden in hun strijd tegen de Spanjaarden die inmiddels opnieuw was uitgebroken.

De geesten waren echter niet rijp voor tolerantie. In Holland en Zeeland wilden de meest ruimdenkenden de katholieken wel gewetensvrijheid toestaan, en hetzelfde gold ten aanzien van de calvinisten in de andere gewesten, maar volledige godsdienstvrijheid bleek er in de praktijk onhaalbaar. Bovendien werd in het noorden al wie katholiek was van heulen met Spanje verdacht. In de loop van 1577 was het calvinisme er overal in de Nederlanden sterk op vooruitgegaan. Ook in Vlaanderen en Brabant keerden, waar de troepen van de prins zegevierden, meteen calvinistische ballingen uit de jaren 1566-67 terug zoals ze in 1572 in Holland waren teruggekeerd, of doken op uit hun schuilplaatsen, eventueel een katholiek masker nu afwerpend. Met name in Gent haalden zij zelfs weldra de overhand op de bevolking. Ook in Friesland begon het nu sterk door te dringen en in Amsterdam kon de katholieke meerderheid er nog nauwelijks weerstand aan bieden, evenals in Groningen en de Ommelanden.

[[Bestand:Kaart nord pas de calais.svg|thumb|400px|[[Zuid-Vlaanderen]] en [[Valencijn]] in de [[Departement]]en en [[arrondissement]]en in de regio [[Nord-Pas-de-Calais]]]]
Voorjaar 1578 wijzigde [[George van Lalaing|Rennenberg]], zelf evenwel katholiek blijvend, in veel Friese steden de regering, liet toe dat de katholieke leden van het Spaansgezinde Friese Hof gevangen werden gezet en nam de bisschop van Leeuwarden in hechtenis, terwijl zijn garnizoenen overal de nieuwe toestand handhaafden. In Utrecht echter werd volgens de overeenkomst met de Prins van februari 1577 de hervormde leer nog uitdrukkelijk geweerd en bleven de rechten van de hier gevestigde aartsbisschop onaangetast. Ook in Gelderland maakte de nieuwe leer weinig vordering, ondanks de teruggekeerde graven [[Floris van Pallandt (1539-1598)|Floris van Culemborg]] in de Betuwe en [[Willem van den Bergh]] in de Achterhoek. Opvallend genoeg kon het calvinisme nu ook in [[Graafschap Artesië|Artesië]], [[Zuid-Vlaanderen]] en [[Valencijn]], waar het ooit als eerste doordrong, niet meer op grote aanhang bogen sedert de radicale uitroeiingen door Lamoraal van Egmond, Noircarmes en Alva.

Het punt van samenwerking in de Nederlanden tussen katholieken en calvinisten was dus nog steeds niet opgelost en een poging daartoe via de Raad van State in het voorjaar van 1578 mislukte wegens hevig protest en had een nog grotere polarisatie tot gevolg. Oranje, die dit bijtijds had willen voorkomen, kon niet anders meer dan de steeds neteliger wordende kwestie op haar beloop te laten. Hij voelde dat zijn 'Pacificatie' als grondslag van samenwerking tussen de gewesten zou komen te vervallen vanwege de religieuze verschillen.

Intussen rees de prangende vraag wat men tegenover de aanzienlijke troepenmacht zou kunnen stellen, waarmee don Juan vanuit het zuiden de Nederlandense gewesten bedreigde. In Holland en Zeeland waren nog 45 vendels voetvolk en 30 grote schepen over, waarmee Amsterdam geblokkeerd en Utrecht in het oog gehouden werden, terwijl tevens in Vlaanderen enkele vestingen waren bezet. Tegen don Juan waren dus alleen de troepen van de Staten-Generaal beschikbaar, Duitsers en Walen, in totaal 50 vendels voetvolk en 1500 ruiters, aangevoerd door [[Maximilien de Hénin-Liétard|Boussu]], Egmond junior en andere edelen. Ze vormden een weinig samenhangend geheel in de omtrek van Namen aan de Maas gelegerd, slecht betaald, onvoldoende gevoed en dientengevolge onbetrouwbaar. Holland en Zeeland deelden volgens de vigerende bepalingen omtrent de quotisatie voor weinig meer dan 14% (11% voor Holland en 3% voor Zeeland) in de gezamenlijke kosten. Vlaanderen, dat voor 33%, en Brabant, dat voor 25% aangetekend stond, beklaagden zich dan ook niet ten onrechte over hun veel te hoge taxatie en beriepen zich op de noodzaak om ook nog voor zichzelf te moeten zorgen. Zo ook Artesië en Henegouwen, die beide op ongeveer 5,5% stonden en zelfs het Sticht, dat vanouds niet meer dan 2% had te betalen.

Engeland werd aangezocht en in een verdrag van 7 januari werd in 1578 besloten dat Elisabeth met Don Juan zou trachten te bemiddelen, en dat indien dit mislukte (wat ook gebeurde), zij de graaf van Leicester met 5000 man voetvolk en 1000 ruiters zou sturen en een ton goud als voorschot geven, mits Vlissingen, Middelburg, Brugge en Grevelingen haar in pand werden gegeven. Het werd uiteindelijk [[Johan Casimir van Palts-Lautern|Johan Casimir]], hertog van de Paltz en hevig calvinist, die aan het hoofd kwam te staan van 4000 Schotten en een paar honderd ruiters versterkt door een aantal hugenoten. Van zijn kant beschikte Don Juan behalve over zijn Duitse en Waalse troepen in Luxemburg en de citadel van Namen eindelijk de laatste dagen van december ook nog over de beloofde 3000 Spanjaarden, pas uit Italië gekomen. Een versterking die hem door de Franse katholieken werd gezonden vermeerderde zijn leger met 4000 man. Ondanks het bericht dat de koning eindelijk in zijn terugtrekking toestemde en opnieuw [[Margaretha van Parma]] als landvoogdes benoemde, maakte Don Juan zich nu klaar voor de oorlog in de Nederlanden. Haar zoon, de later zo beroemde [[Alexander Farnese|Alexander]], ging haar voor en meldde zich bij don Juan.

''''' Slag bij Gembloers en de gevolgen'''''<br />
[[Bestand:Batalla de Gembloux 1578.jpg|miniatuur|Slag bij Gembloers]]
Deze vaardigde een manifest uit dat hij de Nederlanden in de geest van de keizer zou besturen en de privilegiën wilde handhaven, mits men de godsdienst en de gehoorzaamheid aan de koning ongerept liet. Hij beloofde tucht onder zijn soldaten en genade voor de steden die de poorten openden. Daarop rukte hij met ongeveer 16 000 man naar de Maas, drong het leger van de Staten terug en joeg het op 31 januari 1578 [[Slag bij Gembloers|bij Gembloux]] geheel uiteen. Deze smadelijke nederlaag toonde de onbekwaamheid van de leiders van het [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Statenleger]] en leidde ertoe dat [[Filips van Lalaing (1537-1582)|Filips van Lalaing]] en verschillende van zijn kolonels, die tijdens de slag op een bruiloftsfeest te Brussel waren, van verraad werden beschuldigd. Zowat heel Zuid-Brabant, tot Leuven en Diest toe, viel de overwinnaar spoedig in handen en Brussel wist zich ternauwernood te redden. Oranje nam samen met Mathias en de hele Staten-Generaal de wijk naar Antwerpen. In Brabant en Vlaanderen heerste de grootste verwarring, terwijl in Gent en Brussel anarchie heerste. In Gent waren onder leiding van de radicale calvinisten [[Jan van Hembyze]] en [[François van Ryhove]] zelfs plunderingen begonnen in de abdijen en kerken. Hetzelfde gebeurde daarna in Brugge, Kortrijk en elders. Heel Vlaanderen viel dat voorjaar opnieuw ten prooi aan het ongebreideld calvinistisch terrorisme. Dit verhoogde bij de meeste Vlamingen hun afkeer van de '[[patriotten]]' van Oranje en deed de katholieken in het kamp van Don Juan belanden, waar zij op uiteindelijke orde en rust hoopten. De Staten-Generaal bleken immers onmachtig die te bewaren.

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1577-1578.png|miniatuur|Toestand van 24 juli 1577 tot eind 1578.]]
Oranje poogde nu met tegengas via zijn vertogen de calvinistische ijver te bedaren, maar het lid was daar al lang van de ketel. Doordat de ontevredenheid van de katholieken over zijn leiding steeds ernstiger begon te worden zag hij zijn aanzien bedreigd. Zijn positie tussen de twee partijen in, die zich ooit door zijn toedoen hadden gevormd, werd steeds hachelijker. Ondanks zijn maatregelen om de gevolgen van de nederlaag te verzachten keerde het gevoel van veiligheid onder zijn hoede niet terug. Hij deed opnieuw beroep op het buitenland. Daar ontstonden de nodige intriges tussen Engeland, Duitsland en Frankrijk die elk hun belangen ten aanzien van de toestand in de Nederlanden beoogden. Elizabeth wees op een bepaling in het met haar gesloten verdrag, waarbij onderhandelingen buiten haar om met een vreemde vorst verboden werden. [[Frans van Anjou|Anjou]] zag daarmee zijn hoop om als beschermheer van de Nederlanden op te treden vervagen, maar in Henegouwen had hij steun van de hoge adel, waaronder de invloedrijke [[Filips van Lalaing (1537-1582)|graaf van Lalaing]], stadhouder van het [[Gewest (Lage Landen)|gewest]] zelf, die besloot op eigen kracht met Frankrijk te onderhandelen.

Krachtig gesteund door [[François de la Noue|La Noue]] en andere hugenotenaanvoerders begon Anjou in het noorden van Frankrijk troepen te verzamelen. Op 12 juli vertoonde hij zich plots in de Henegouwse hoofdstad Bergen, door Lalaing met open armen ontvangen en weldra door zijn troepen gevolgd. Die waren tot een 15 000 man aangegroeid en trachtten aanstonds de Spanjaarden een paar kleine vestingen te ontrukken. Ongeveer tegelijkertijd dook eveneens de behartiger van de Engelse belangen, hertog Johan Casimir, in de Nederlanden op, vergezeld van een met Engels geld geworven, bijna uitsluitend protestants zelfs calvinistisch leger. Hij viel langs de Rijn begin juli Zutphen binnen, waar zijn benden in de omtrek aanstonds deerlijk huishielden. De volgende maand trok ook dit leger naar Brabant, op zijn doortocht ten nadele van de goede gezindheid van de bevolking opnieuw rovend en plunderend. Vooral kerken en kloosters moesten het opnieuw ontgelden.

De calvinisten in Vlaanderen begroetten zijn komst met gejuich. In augustus leed Don Juan [[Slag bij Rijmenam|bij Rijmenam]] een nederlaag tegen het leger van de Staten dat nu zowat uit 40 000 man bestond en trok zich weer in het Naamse terug. Maar de legerkoorts, die in het kamp bij Namen veel slachtoffers maakte, spaarde ook de veldheer niet. Voor Don Juan was de Slag bij Gemboers de laatste grote zege. Hij overleed op 1 oktober 1578. Prins [[Alexander Farnese|Alexander van Parma]] was door de landvoogd op zijn sterfbed met het opperbevel en de voorlopige landvoogdij in zijn plaats belast, en werd in november door de koning in die positie bevestigd.

===== De Unie van Atrecht (6 januari 1579) =====
[[Bestand:Vaenius - Alexander Farnese.png|miniatuur|Nieuwe landvoogd Alexander Farnese, hertog van Parma. ''[[Otto van Veen]]'']]
Sedert hun nederlaag in de slag bij Gembloers legerden de verslagen Waalse troepen van de Staten-Generaal op de grens van Vlaanderen en Henegouwen. Vanwege verwaarlozing en slechte betaling waren in het zuidelijk deel van Vlaanderen de troepen van de [[Floris van Montmorency|heer van Montigny]], de jongere broer van Lalaing, in augustus beginnen muiten en onrust veroorzaken. Tegenover deze katholieke soldaten stelden zich thans de Gentse calvinistische onder aanvoering van Ryhove, en weldra brak in Vlaanderen een ware guerrilla uit. Dit dreef beide kerkelijke partijen dusdanig uiteen, dat zij zich aan de vermaningen van de Staten-Generaal niet meer stoorden. De Gentse calvinisten vonden Willem van Oranje niet voldoende rechtlijnig en beschouwden eerder de Engelse aanvoerder Johan Casimir als hun natuurlijke beschermheer. Ze traden openlijk in verzet tegen de regering en weigerden de katholieken in Gent nog godsdienstvrijheid te verlenen. Ryhove liet zelfs twee in discrediet geraakte politici, raadsheer Hessele en de baljuw Visch, om het leven brengen, tot grote verontwaardiging overal te lande. Maar naar de vermaningen van Willem van Oranje, die poogde de Nederlanden uit de gevaarzone van een algemene godsdienstoorlog te halen, werd niet meer geluisterd.

[[Bestand:Malcontenten.Menen.jpg|miniatuur|Inname van [[Menen]] door de malcontenten in 1578]]
Op 1 oktober 1578 nam Montigny, die zich aan het hoofd van de troepen stelde in plaats ze tot hun plicht te manen, de vesting van Menen in, waarmee onder luid gejuich van de aanhangers van het Spaanse regime de [[burgeroorlog]] werd ingeluid. Ook een deel van Anjou's leger sloot zich bij deze '[[Malcontenten]]' aan, zoals het leger van Montigny genoemd werd. Ze werden nu bevoorraad door bevelhebber La Motte in Grevelingen, die lang in het geheim met Don Juan had onderhandeld. Bovendien sloten in Henegouwen en Artesië de katholieken de rangen tegen de calvinistische beweging in Vlaanderen. Onder invloed van adel en geestelijkheid in het zuiden van de Nederlanden die eerder bij de koning wilden blijven aanleunen, rees bij [[George van Lalaing]] het plan om zich aan het hoofd te laten stellen van een katholieke confederatie van [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]], [[Graafschap Artesië|Artesië]], [[Zuid-Vlaanderen]] en [[Graafschap Namen|Namen]], en hij zond zelf een deel van de nog bij hem gebleven troepen naar Montigny. <br />
In Atrecht werd het kleine aantal ijverzuchtige calvinisten dat daar in maart het bestuur over de stad had bemachtigd om er een democratie naar Gents voorbeeld in te stellen weer door de katholieke Spaansgezinden aan de kant geschoven. Als gevolg trokken nu Artesië en Henegouwen aan één lijn tegenover de Staten-Generaal, die zij verraad aan de Pacificatie en geheim verzet tegen het katholicisme verweten. Zo vormde zich hier een tegengewicht voor de tendens in het noorden tot calvinistische aansluiting die al in 1576 door Willem van Oranje was ingezet en daar thans onder zijn broer [[Jan VI van Nassau-Dillenburg|Jan van Nassau]] leek door te gaan.

[[Bestand:Arras RA.jpg|miniatuur|De typisch Vlaamse Grote Markt (''Grand'Place'') in [[Atrecht]].]]
Het was [[Johan Casimir van Palts-Lautern|Johan Cassimir]], zich beklagend over de geringe steun vanwege de Staten, die zich zonder vlag of wimpel aan het hoofd stelde van zijn calvinistische geloofsgenoten en hun opkomende protestbeweging in Vlaanderen, wier belangen hij door de regering en door Oranje zelf verraden achtte. Toen ook Hembyze en de zijnen openlijk met het gezag van de aartshertog, de Prins en de Staten gingen spotten, begon Vlaanderen zich de facto van de Staten-Generaal af te scheiden. De Engelse koningin Elisabeth zond wel haar gezant Davison om de Gentenaren en Cassimir tot rede te brengen, maar toen deze laatste zich terugtrok, lokte dat in Gent een reactie van de altijd al zeer aan de prins gehechte Ryhove tegen de felle Calvinisten van Hembyze uit. Oranje, die zich eerst nog niet in de stad durfde te wagen, kwam naar Dendermonde om er met Ryhove orde op zaken te stellen, maar verscheen begin december dan toch in Gent. Erg tegen de zin van Hembyse en de zijnen, wilde hij algemene religievrede voor heel Vlaanderen doordrukken en knoopte daartoe ook met Montigny en de zijnen onderhandelingen aan.

[[Bestand:France Flanders language-nl.svg|miniatuur|Historische regressie van het Vlaams in het uiterste zuidwesten van de Nederlanden]]
Maar La Motte had in overleg met [[Alexander Farnese]] al geheime overeenkomsten gesloten met de bevelhebbers van steden in de omtrek: [[Sint-Omaars]], [[Sint-Winoksbergen]], [[Hesdin]], [[Ariën-aan-de-Leie|Ariën]], [[Béthune]], [[Atrecht]], [[Kortrijk]], [[Rijsels-Vlaanderen|Rijsel]], en spoedig ook met officieren van Montigny, die zelf nog niet meteen tot onderwerping aan de koning geneigd was. Hij was bezig met zijn eigen plan om de katholieke Walen van Henegouwen en Artesië in een alliantie samen te brengen, desnoods onder opperste leiding van Anjou, op grond van de Pacificatie maar bepaald tegenover de gedoodverfde calvinistische neigingen van de landsregering. Toen echter Anjou op 23 december een mislukte poging deed om Bergen te bezetten, geraakte deze in diskrediet en moest naar Condé terugkeren. In Gent was van zijn kant Cassimir niet tegen de prins van Oranje opgewassen, en moest daar ook het veld ruimen.

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1579.png|miniatuur|De Unie van Atrecht (in blauw) met daarop de Unie van Utrecht (in oranje)]]
De prins van Parma bereidde intussen in het kamp van Visé aan de Maas een aanval op Maastricht voor. Maar eerst wilde hij zeker zijn van het succes van de onderhandelingen met Henegouwen en Artesië. Eind december had Montigny met La Motte afgesproken, zich openlijk aan het gezag van de koning te zullen onderwerpen. Zijn broer Lalaing en ook Heeze, die zich door Oranje in de steek gelaten voelde, sloten zich samen met nog andere edelen daarbij aan. Door hun toedoen kwam op 6 januari 1579 te Atrecht het lang begeerde verbond tussen Henegouwen, Artesië, Rijsel, Dowaai en Orchies tot stand, de [[Unie van Atrecht]] genoemd. Deze gewesten en steden verklaarden daarin ter handhaving van de Pacificatie, te midden van de toenemende verwarring met ondermijning van het katholieke geloof en schending der privilegiën, genoodzaakt te zijn zich weer onder gezag van de koning te stellen, indien de Staten-Generaal niet binnen een maand op basis van dit verdrag met hen wilden meewerken met het oog op vrede met de landsheer. Tegelijk werd ook een vredespact met de Malcontenten gesloten. De Unie van Atrecht droeg in het zuiden van de Nederlanden de algemene goedkeuring weg, omdat zij een garantie op orde en vrede verschafte op basis waarvan handel en economie zich eindelijk weer konden herstellen. Dit inspireerde ook de gewesten die nog aan Mathias en de Staten-Generaal onderhorig waren.

===== De Unie van Utrecht (23 januari 1579) =====
Maar ook in het noorden hadden sommigen zich intussen niet onledig gelaten met pogingen tot het vormen van een eigen unie, daar echter met het oog op definitieve ''losmaking'' van het koninklijk gezag. Er was in die geest intussen al de [[Hollandse identiteit#Late Middeleeuwen en vroege 16e eeuw|confederatie van Holland en Zeeland]]. Deze wenste in het zuidoosten een buffer van gelijkgezinde gewesten die bij hen aansloten. [[Utrecht (stad)|Utrecht]] was al eerder tot de as Holland-Zeeland toegetreden en [[Jan VI van Nassau-Dillenburg|Jan van Nassau]], die trouw de ideeën van Willem van Oranje in het noorden vertegenwoordigde, behalve dan voor de steun uit Frankrijk, zag mogelijkheid om [[Groningen (provincie)|Groningen]] en [[Friesland]] tot zulk samenwerkingsverband te bewegen, aangezien het calvinisme daar alsmaar meer aanhang genoot. Ook op Drenthe en Overijssel rekende hij. In het noorden deed de stadhouder [[George van Lalaing|graaf Rennenberg]] veel om de invloed van de Staten te bevorderen. Die had intussen ook al [[Kampen (Overijssel)|Kampen]] veroverd. Alleen was er nog weerstand van [[Deventer]]. En [[Hertogdom Gelre|Gelderland]] beloofde eveneens moeilijkheden, al toonde de benoeming van Jan tot stadhouder door de Staten van dit gewest al in maart 1578 de sterke invloed van Oranje aan.

[[Bestand:Deventer taken by Dutch forces in 1578 - Deventer door de Staten genomen, 1578 (Frans Hogenberg).jpg|right|miniatuur|Rennenberg, rechts te paard afgebeeld, neemt Deventer in.]]
Het belang van de ‘goede correspondentie’ tussen deze gewesten was al meermaals op de landdagen in Gelderland zowel als bij de Staten van de andere gewesten ter sprake gebracht. Half juni werden de eerste voorstellen bij de [[Gelderse landdag]] ook tegelijk in Utrecht en [[Overijsel]] aanhangig gemaakt. Er waren zeer gewichtige bezwaren van de kant van de katholieke hoge geestelijkheid. Deze beriep zich op de [[Pacificatie van Gent|Pacificatie]] en de [[Unie van Brussel]], die beide de heerschappij van het katholicisme buiten Holland en Zeeland handhaafden, en wilde van geen nieuwe Unie zoals de prins bedoelde weten. Een deel van de burgerij te Utrecht scheidde zich in de zomer van 1578 al af. En een ander deel verenigde zich onder pastoor [[Hubert Duifhuis|Huibert Duifhuis]] tot de ‘gemeente van Sint Jacob’, die in de Utrechtse Sint Jacobskerk de dienst naar de protestantse ritus inrichtte, zonder daarom onmiddellijk bij de calvinisten aan te sluiten. Deze namen in augustus een verlaten kloosterkerk in bezit. Ook in Gelderland wilden de geestelijkheid, de machtige adel en de patriciërs van de religievrede niet weten, ongerust als zij waren over de manier waarop Johan van Nassau, die in mei er het stadhouderschap had aanvaard, te werk ging. Deze bevorderde de calvinistische prediking en had in november toegestaan dat calvinisten in [[Tiel]] een kerk in bezit namen en op de wijze van een [[beeldenstorm]] 'zuiverden', en in Nijmegen zelfs monniken verjoegen om ook daar een kerk in te palmen, zoals in veel dorpen in de [[Betuwe]] gebeurde. De graaf antwoordde ontwijkend op de vertogen van de Gelderse Staten.

Maar naast de katholieke weerstand was er ook die van de andere provinciën, die in een te nauwe alliantie met Holland en Zeeland een bedreiging voor hun [[Gewest (Lage Landen)|gewestelijke]] zelfstandigheid zagen. Zij vreesden dat met de onvermijdelijke oorlog met de koning die er zat aan te komen de last daarvan op hen als 'voormuur' van de opstandige gewesten zou terecht komen. Gelderland beklaagde er zich verder over, dat Holland de Oud-Gelderse steden [[Zaltbommel (stad)|Bommel]] en [[Buren (stad)|Buren]], die met dat gewest tegen Spanje hadden gestreden, scheen te willen inlijven en de adel was beducht voor verlies aan invloed. Het [[Alteratie (Amsterdam)|voorbeeld van Amsterdam]], waar drie maanden na de inlijving de katholieke regering voor een calvinistische had moeten wijken, was voor hen illustrerend. En tenslotte aanzag men de Nieuwe Unie als uitdrukkelijke afzondering van de zuidelijke gewesten en dus ontrouw aan de reeds met hen gesloten verdragen. In Overijsel had Deventer nog altijd koninklijk garnizoen en die vesting werd met wapengeweld door Rennenberg in november 1578 bedwongen. Ook Groningen voelde zich weinig geneigd tot nauwere binding aan het heerszuchtige Holland.

Graaf Johan van Nassau wist in juni 1578 de bezwaren te weerleggen in een voorstel tot ‘''Naerder Unie ende Confederatie''’ in de Staten van Holland ter sprake gebracht. Alhoewel zoals verwacht met sympathie begroet, stuitte het ook daar nog op weerstand van bepaalde steden. Maar op 29 augustus verklaarde een meerderheid er zich toe bereid. Het nieuwe concept werd naar Gelderland gestuurd en daar ging men onmiddellijk op door. Begin september maakte graaf Johan de zaak opnieuw bij Gelderland aanhangig in de door hem samengeroepen buitengewone vergadering der [[Staten van Gelderland|Staten van dit gewest]], waar ook een vijftal afgevaardigden van Holland, o.a. de pensionaris van Rotterdam, [[Johan van Oldenbarnevelt]], verschenen. Hoewel hij Arnhem door zijn troepen had laten bezetten om de Staten te intimideren vond zijn plan weinig steun en bleven de beraadslagingen ook ditmaal ‘''onvruchtbaerlyc''’. Heftige scheldpartijen en twisten tussen de katholieken en de calvinistisch geworden [[Floris van Pallandt (1539-1598)|graaf van Culemborg]] hadden er plaats, die zich net als graaf Johan zelf hevige hatelijkheden aan hun adres veroorloofde, waarna deze dreigend de raadzaal verliet. In de tijd die volgde werden weerbarstige magistraten vervangen. Maar ook in de andere provinciën en in Holland zelf bleef men uitgebreid discussiëren, zonder komaf.

Toen echter de zaken in Henegouwen en Artesië op een verzoening daar met Spanje bleken te zullen uitlopen, werd op aandrang van de prins overal het Unie-plan opnieuw aangevat. Holland en Zeeland waren spoedig gewonnen en tegen het einde van de maand werd een conventie georganiseerd van gedeputeerden uit verschillende gewesten. Op 6 december werd het plan voorlopig door de hier verschenen gedeputeerden van Holland, Zeeland en Friesland met de [[Staten van Utrecht]] getekend, en men besloot op 10 januari voor een definitieve beslissing weer bijeen te komen. Stadhouder Rennenberg benevens de Ommelanden en het thans weer handelbare Gent betuigden hun instemming, maar de stad Groningen, Drenthe en Lingen bleven weigeren, terwijl Overijsel in de [[Beleg van Deventer (1578)|belegering van Deventer]] aanleiding vond om zich te verontschuldigen.

Gelderland bleef de grootste dwarsligger en de hele maand december stond vooral hier onophoudelijk de zaak op de agenda. Toen op 10 januari 1579 de conferentie te Utrecht bijeenkwam, was men in Gelderland even te voren eindelijk besloten - zij het bij nipte meerderheid van stemmen - om enkele gedeputeerden te zenden om de uitslag te vernemen. Er bleken nog steeds allerlei bezwaren. Enkele leden van het kapittel in Utrecht hadden zelfs een samenzwering tegen de Unie-plannen op touw gezet, maar werden gevangen genomen. [[Middelburg (Zeeland)|Middelburg]] en [[Goes]] in Zeeland verzetten zicht eveneens, vanwege het verlies van hun rechten. Friesland riep de barre winter in om geen afgezanten te sturen, maar hier had de [[Alexander Farnese|prins van Parma]] zijn aanhang. Ook de toenemende lauwheid van Rennenberg na diens reis naar het zuiden eind 1578, waar hij genoeg had gezien om aan het succes van de opstand te twijfelen, en door zijn verwanten in Henegouwen tegen de prins van Oranje opgezet, leverde hier weerwerk. In de stad Groningen broedden katholieken op plannen om de Staatse regering opnieuw door een Spaansgezinde te vervangen. En zelfs de prins van Oranje zelf was weinig met de plannen in hun huidige vorm ingenomen, omdat die teveel afweken van zijn oorspronkelijk ontwerp. Maar Johan wist ze door te drijven en in deze vorm te laten goedkeuren.

[[Bestand:Unie van Utrecht.jpg|miniatuur|Laatste pagina van de Unie van Utrecht met handtekeningen van ondertekenaars van het verdrag.]]
Op 23 januari 1579 werd dan de [[Unie van Utrecht (1579)|Unie van Utrecht]] getekend door de graaf als stadhouder van Gelderland vanwege dit gewest, en de gezanten van Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden. De Unie zou steden mogen versterken en nieuwe vestingen aanleggen, de bezettingen in de steden evalueren en zelf bepalen en financieren, waarbij de soldaten aan Unie, stad en provincie de eed moesten afleggen, en alle inwoners van 18 tot 60 jaar werden ingeschreven voor oproeping ter verdediging van het gebied. Op godsdienstgebied zouden Holland en Zeeland kunnen handelen naar eigen goeddunken, terwijl in de andere gewesten moest worden toegezien op een regeling die orde en rust garandeerde. De stadhouders benevens alle magistraten en hoofdambtenaren van provincie, stad of lid, ook alle schutterijen en gilden, moesten de eed op de Unie afleggen, terwijl volgens het laatste artikel 26 de stadhouders en de voornaamste leden en steden der gewesten haar plechtig zouden bezegelen en doen ondertekenen.

Maar al had Willem van Oranje door het calvinistisch doopsel van zijn dochter ''Catharina Belgica'' te Antwerpen in juli 1578 een duidelijke voorkeur laten blijken, toch duurde het nog geruime tijd vooraleer hij op 3 mei 1579 de Unie van Utrecht tekende. In het voorjaar had hij eerst nog een poging ondernomen tot [[Generale Unie]], die echter mislukt was. Rennenberg tekende een maand later, met toevoeging van een clausule dat de rechten van de aartshertog Matthias door de Unie niet tekort zou worden gedaan.

===== Strijd tussen de prins van Oranje en de prins van Parma (1579-1581)=====
In 1579 bestonden er in de Nederlanden dus naast de [[Unie van Brussel|Pacificatie en de Unie]] nu nog twee onderscheiden Unies, kiemen van twee afzonderlijke staatsverbanden.
Na een zoveelste oproer in Gent, waarbij katholieke priesters en de eredienst het moesten ontgelden, bekloegen de [[malcontenten]] zich bij [[Valentin van Pardieu|La Motte]] over de niet-naleving van de Pacificatie en toonden zich bereid met hem samen te werken. Daarom tekende [[Floris van Montmorency|Montigny]] de verklaring van La Motte om de troepen terug onder koninklijk gezag te plaatsen. Op 17 mei 1579 tekenden dan de Staten van Henegouwen en Artesië benevens die van Rijsel, Dowaai en [[Oorschie]] in de [[abdij van Sint-Vaast]] te Atrecht het verdrag van ‘reconciliatie’ met de koning. Dit bepaalde, dat met behoud van het katholicisme en van het koninklijk gezag de privilegiën zouden worden gehandhaafd, de Pacificatie met de Unie van Brussel en het [[Eeuwig Edict (1577)|Eeuwig Edict]] bevestigd, de vreemde soldaten zouden vertrekken om door een [[Leger van Vlaanderen|nationaal leger]] vervangen te worden, de citadellen en andere vestingen zouden aan ingeborenen worden overgedragen. En na zes maanden zou een prins van den bloede als landvoogd optreden.

Hun voorbeeld werd in de loop van het jaar door de steden Mechelen en Nijvel in Brabant, en Aalst, Geeraertsbergen, Bourbourg en Belle in Vlaanderen gevolgd.
Hoewel de bestuurders van [[graafschap Vlaanderen|Vlaamse]] en [[hertogdom Brabant|Brabantse]] steden eerst nog de kant van de noordelijke [[Unie van Utrecht (geschiedenis)|Unie van Utrecht]] kozen, was nu de scheuring van de Nederlanden begonnen, met een revolutionair noordelijk deel dat naar onafhankelijkheid van Spanje streefde en een reactionair zuidelijk dat trouw aan de koning en het katholicisme wilde blijven zweren. Dit luidde de feitelijke scheiding in van deze gewesten en steden ten opzichte van de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] en de overige die zich door hun aansluiting bij de Unie van Utrecht bereid hadden verklaard de opstand voort te zetten.

De hevige onenigheden tussen calvinisten en roomsgezinden hadden voorlopig de vrees voor een algemene opstand in de Nederlanden tegen het Spaanse gezag doen wijken. [[Alexander Farnese]] wist de gehechtheid der Nederlandeners aan hun privilegiën en hun zelfbestuur beleidvol in aanmerking te nemen. Daardoor genoot hij zelfs in het noorden heel wat aanhang, al bleven de rebellen er voorlopig heer en meester. Farnese had een praktische kijk op de toestand en wist met diplomatieke geraffineerdheid enerzijds en volleerd krijgsmanschap anderzijds de gehate prins van Oranje één na één zijn stellingen te doen verlaten. En als hij volledige politieke vrijheid vanwege de koning had genoten en over de nodige middelen mogen beschikken, zou hij spoedig de Nederlandse Opstand geheel hebben bedwongen. Maar daarin werd door hij de koning belemmerd.

Op 23 februari 1579 leverde [[Parma's negen jaren|de nieuwe veldheer]] bij het Antwerpse Borgerhout slag tegen de [[Staatsen]] en van daar trok hij langs [[Visé]], waar hij zijn troepen legerde, naar [[Maastricht]] om deze stad vanaf 12 maart tot 1 juli te belegeren en in te nemen. Het jaar daarop was [[Kortrijk]] aan de beurt waar hij het Staatse Leger onder leiding van [[La Noue]] versloeg.

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1580.png|miniatuur|Rennenbergs verraad opende een nieuw noordelijk front; de overwegend protestantse [[Unie van Utrecht (1579)|Unie van Utrecht]] verloor met hem een belangrijke katholieke bondgenoot.]]
Ondertussen had ook [[George van Lalaing]] (graaf van Rennenberg), door de Staatsen tot stadhouder van Friesland en Groningen, Drenthe en Overijssel benoemd, maar door zijn adellijke verwanten in het zuidelijke Henegouwen voortdurend aangezocht tot trouw aan de koning, en zelf nog steeds katholiek, definitief deze laatste kaart getrokken. Hij was daartoe grotendeels door Alexander Farnese bewerkt, en beïnvloed door de noordelijke katholieken en talrijke koningsgezinden te Groningen, aan het hoofd van wie hij op 3 maart 1580 zich publiekelijk voor onderwerping aan het koninklijk gezag uitsprak. Dit werd in het noorden, met name bij de calvinisten, aangevoeld als het [[verraad van Rennenberg]]. Men vreesde immers voor een verder domino-effect. Het was namelijk geen geheim, dat niet alleen te Groningen, maar even goed in Friesland, Drenthe en Overijsel, zeer veel katholieken al sinds lang vurig uitkeken naar de komst van de door de prins van Parma telkens beloofde troepen, die hen onder hun oude stadhouder [[Caspar de Robles]] zouden komen verlossen van het juk der calvinisten.

In Zwolle en Deventer, Twente en Salland kwamen inderdaad talloze verbitterde koningsgezinden, de ‘Desperaten’, in opstand tegen de plunderingen van de Staatse benden. En een eindelijk door Alexander Farnese afgezonden leger onder de gevreesde Duitse ''condottiere'' [[Maarten Schenk van Nydeggen]] kwam hen via Lingen te Overijsel ondersteunen. [[Filips van Hohenlohe-Neuenstein|Hohenlo]] trok het tegemoet maar werd op 17 juni op de [[Slag op de Hardenbergerheide|heide bij Hardenberg verslagen]]. Daarop viel [[Coevorden]] in handen van Farnese. Een door twisten onder bevelhebbers verlamd Staats leger voor Groningen stoof bij de komst van Schenck uiteen, zodat Rennenberg zich van [[Delfzijl]] en van enkele schansen bij Groningen kon meester maken. Vanaf toen begon de hevige guerrilla tussen calvinisten en katholieken, die deze streken tot de Achterhoek en zuidelijk Friesland toen veertien jaar teisterde. Na ook [[Oldenzaal]] te hebben ingenomen probeerde Rennenberg tot Zutphen door te dringen om er de koningsgezinden mee in de opstand te lokken, maar hij werd bij Doetinchem aan de [[Oude IJssel]] teruggeslagen en half oktober legerde hij zich voor het strategisch belangrijke [[Steenwijk]], dat de weg van Friesland naar [[Overijsel]] beheerste. Schenck hield intussen duchtig huis in [[Twente]].

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1581.png|miniatuur|De toestand in 1581.]]
In 1580 werd nu ook binnen de stad Utrecht de openlijke uitoefening van de katholieke eredienst verboden zoals in Holland en Zeeland.

Op 15 augustus werd in de [[Slag om Baasrode]], de belangrijke achterhaven van [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] na een twee uur durende strijd veroverd door troepen van Farnese, waarna de [[malcontenten]] de hele dorpskern in brand staken. [[Willem van Oranje]] wist nog tijdig naar zijn maritieme escorte te vluchten, die aan de haven voor anker lag.

Hij bleef intussen volhouden dat enkel militaire hulp vanuit Frankrijk voor de nodige weerstand tegen Farnese kon zorgen en deze eventueel terugdrijven. Eind 1580 vergaderden de leden van de Staten-Generaal, voor de laatste maal te Antwerpen, over de verkiezing van de [[hertog van Anjou]], broer van de Franse koning, als vorst en beraadslaagden over een manier om de vervallenverklaring van [[Filips II van Spanje|Filips II]] van de troon te rechtvaardigen. Omdat hij het verblijf van zijn centrale landsregering in de Scheldestad intussen te onveilig vond, besloot Willem deze naar [[den Haag]] in Holland te doen verplaatsen. Op 6 oktober namen de Staten-Generaal een besluit in die zin, dat nog eind november werd uitgevoerd, maar dan met de keuze op [[Delft]]. Ook aartshertog Matthias volgde de Staten naar het noorden als veiliger gelegen. In mei 1581 vergaderde men te Amsterdam, en 25 juni werd de zetel van de Staatse landsregering bij voorkeur naar Den Haag overgebracht.

===== Afsplitsing door de noordelijke provincies (1581) =====
{{Zie ook|Zie [[Nederlandse Opstand]] en [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek der Verenigde Provinciën]] voor de hoofdartikels over dit onderwerp}}
[[Bestand:The Low Countries.png|thumb|De [[Spaanse Nederlanden]] in de zestiende, en [[Zuidelijke Nederlanden]] met in het noorden de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Zeven provinciën]] eind zestiende tot zeventiende eeuw (vanaf 1581).]]
In Spanje had men de handen vol met de [[Portugese successieoorlog]] en daardoor was de aandacht wat van de Nederlanden afgedwaald. Zowel Alva als Granvelle waren intussen in ere hersteld uit Italië teruggekeerd en dienden de koning van raad. Deze was nog steeds de mening toegedaan dat de weg van zachtheid diende bewandeld te worden en overwoog in 1579 al om [[Margaretha van Parma]] opnieuw als landvoogdes naar de Nederlanden te sturen. Op 30 september was zij daartoe aangezocht. Maar haar 35-jarige zoon, Alexander Farnese, de prins van Parma, was met deze schikking niet erg ingenomen geweest en ambieerde zelf de landvoogdij.

Toen Margaretha in juli 1580 in de Nederlanden weer verscheen en zich van de toestand ter plaatse kon vergewissen, was de vergrijsde edelvrouw van mening, dat de situatie zoals die nu was geworden inderdaad beter ook verder door een man kon worden beheerst. De opstand en broeiende burgeroorlog in het binnenland en de dreigende inval van Frankrijk moesten prioritair worden aangepakt, en zonder haar zoon zou zij de hier ontketende krachten niet meer het hoofd kunnen bieden. Ook zij verklaarde nu dat een krachtig gevoerde oorlog nodig was om de toestand te bedwingen. Margaretha bleef tot eind 1583 om dan definitief naar het landgoed in Italië te vertrekken, waar zij nog drie jaar leefde.

In 1579 had Granvelle de koning in Spanje ervan weten te overtuigen dat een banvloek met daaraan gekoppeld een vogelvrijverklaring van de reeds in 1568 ter dood veroordeelde prins van Oranje een mogelijke uitkomst bood uit de impasse in het noorden, waar de spanning tussen calvinisten en katholieken rond deze rebel alsmaar escaleerde. Een prijs op zijn hoofd gesteld zou bovendien een gelegenheidsexecutie kunnen verhaasten, een methode die bijvoorbeeld in Italië algemeen verbreid was, aldus Granvelle. Bovendien garandeerde hij de uitvoerder daarvan volledige kwijtschelding van schuld.

Toch aarzelde de prins van Parma het hem in mei 1580 toegezonden koninklijk banvonnis openbaar te maken en moest daar herhaaldelijk toe worden aangezet, vooraleer hij in juli en augustus dan eindelijk het stuk liet drukken en verspreiden. De bedrijver van de daad ontving vergeving voor alle misdrijven, verheffing tot de adel, als hij daar nog niet toe behoorde, en 25 000 gouden kronen. Het stuk bevatte verder een uitvoerige motivering over de aanleiding tot de ban en was gedateerd: Maastricht, 15 maart 1580.

[[Bestand:François d'Anjou - François-Hercule de Valois (Michiel Colijn).jpg|miniatuur|[[Frans van Anjou]]. <small>(''[[Michiel Colijn]], 1616'')</small>]]
Met het [[Verdrag van Plessis-lès-Tours]] van 29 september verhieven de Staten-Generaal (behalve Holland en Zeeland, wier tegenstem door het veto van Oranje werd teniet gedaan) de hertog van Anjou tot ‘prince et seigneur’ van de Nederlanden zoals zijn voorgangers uit het [[huis van Bourgondië]] waren geweest. Het document bevatte evenwel heel wat beperkingen van de macht van de toekomstige soeverein ten voordele van de [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]], die in feite door Oranje werden geregeerd. De eindversie werd pas op 23 januari 1581 door de hertog geratificeerd in Bordeaux.

[[Bestand:Espagnols.PNG|thumb|Kaart van de [[Habsburgse Nederlanden]] van 1543 tot 1585 (Zeventien Provinciën) met in rood de afscheidingslijn van de Noordelijke Nederlanden van de Zuidelijke.]]
Nadat in maart Marnix met de definitieve verklaringen van Anjou en de getekende overeenkomsten uit Frankrijk teruggekeerd was, werd de zaak krachtig aangevat en op 22 juli 1581 werd het besluit tot vervallenverklaring van Filips II genomen. Vier dagen later werd zij uitgesproken in een vergadering der Staten-Generaal in Den Haag. Het [[Plakkaat van Verlatinghe]] van 26 juli 1581 betekende de feitelijke afsplitsing van de noordelijke provinciën ten opzichte van de [[Spaanse Nederlanden]], ook al was het vanuit Oranje's optiek nog steeds bedoeld voor het geheel van de Lage Landen.

In afwachting van de komst van de nieuwe landsheer was de feitelijke regering in de noordelijke gewesten nu definitief in handen van de prins van Oranje en zijn Staten. Voorlopig algemeen landvoogd voor de Staten-Generaal, ruwaard van Brabant, stadhouder van Utrecht, Friesland en het nog vrije deel van Vlaanderen, hoge overheid van Holland en Zeeland, invloedrijk in Gelderland, Overijsel en de Ommelanden, was zijn gezag groot genoeg om dat der Staten te overschaduwen. De dankbaarheid die Anjou hem als bewerker van diens verheffing verplicht was, de afhankelijkheid, waarin de nieuwe vorst zich zou bevinden ten opzichte van de machtigste man in den lande, zouden hem in de gelegenheid stellen om ook onder Anjou de rol voort te zetten, die hij als luitenant-generaal onder Matthias had gespeeld, om namelijk ook de nieuwe landsheer feitelijk tot zijn werktuig te maken.

[[Bestand:Intocht hertog van Anjou in Antwerpen.jpg|thumb|Intocht van de hertog van Anjou in Antwerpen.]]
Matthias zelf die zich meer en meer als vijfde wiel aan de wagen begon te beschouwen, gaf in juni 1581 eindelijk zijn ontslag om in oktober in stilte de Lage Landen te verlaten. De belofte aan hem van 50 000 florijnen schadeloosstelling per jaar werd nooit uitgevoerd.

In het Zuiden werd de strijd nu vooral om [[Aartsbisdom Kamerijk|Kamerijk]] en [[Doornijk]] gevoerd, de enige Waalse stad die nog trouw was gebleven aan de [[Staten-Generaal van de Nederlanden]]. Anjou slaagde erin om de eerste stad nog te redden maar moest uit geldgebrek zijn leger ontbinden, waarop Farnese hier de handen vrij kreeg en op 29 november Doornik kon veroveren, terwijl het kleine [[Staatsen|leger der Staten]] onder de prins van Epinoy, nog zowat de enige van de Zuid-Nederlandense groten die hun zijde koos, werkeloos moest toezien. De verrassende [[Furie van Houtepen|inname van Breda]] door [[Leger van Vlaanderen|Farnese's troepen]] bracht Antwerpen nog meer in het nauw en bereidde de verovering van heel Brabant door de prins van Parma voor, terwijl die van Doornik hem in de gelegenheid stelde om weer diep tot Vlaanderen door te dringen.

Op 10 februari 1582 arriveerde de hertog van Anjou met een schitterende stoet Franse en Engelse edelen, onder wie Elizabeths gunsteling Leicester en de later in de Nederlandse oorlogen beroemde Philip Sidney, Willoughby en anderen, te Vlissingen aan, met grote eerbewijzen door Oranje en de prins van Epinoy ontvangen.

Op 19 februari hield de Franse vorst zijn plechtige intocht in het nog altijd belangrijke Antwerpen, waar hij als hertog van Brabant werd gehuldigd en voorlopig residentie koos. De hierheen ontboden Staten-Generaal begroetten begin maart hun nieuwe landsheer. Maar op de dag van diens verjaardag, 18 februari, had een mislukte aanslag op Willem van Oranje plaats door de kantoorklerk [[Jean Jaureguy]], waardoor hij gevaarlijk in de linkerwang en het verhemelte gewond werd, een wonde die maar heel langzaam heelde. Gravin van Schwartzburg, zijn zuster, en [[Charlotte de Bourbon|Charlotte]], zijn echtgenote waren dag en nacht in het getouw om hem te verzorgen, zelfs zo dat Charlotte op 10 mei door uitputting en overspanning zou overlijden. In Spanje dacht men dat Oranje zelf was overleden en wist Granvelle zijn ambten reeds aan diens zoon toe te bedenken.

Toen Anjou nog maar sinds een paar weken in Antwerpen was, bekloeg ook die zich al over de calvinisten, die moeilijk deden bij de uitoefening van zijn godsdienst en die van zijn katholiek gevolg, waarvoor hij slechts met de grootste moeite een kerkgebouw kon aangewezen krijgen.

Intussen zette [[Parma's negen jaren|Alexander Farnese zijn offensief]] onverminderd voort. In Brabant kreeg hij Lier in handen en in Vlaanderen Oudenaarde, waarna ook Ieper in gevaar kwam. Daardoor kon Anjou zich pas in augustus in Gent als graaf van Vlaanderen laten huldigen. Maar de katholieke Franse landheer werd ook daar door een overwegend calvinistische menigte koel ontvangen en begon zich vragen te stellen bij de zin van zijn aanstelling. Hij was niet geliefd bij het volk, temeer omdat de weinige troepen die hij had meegebracht nu door ziekte en gebrekkige krijgstucht plunderend het Vlaamse platteland afstroopten. In de steden werden ze niet toegelaten en de boeren wapenden zich tegen hen. In 1582 vorderde het [[Leger van Vlaanderen]] daarentegen des te meer in Vlaanderen zowel als Brabant. Ze zijn erin geslaagd Duinkerken, Nieuwpoort, Menen, Veurne en Diksmuide te heroveren.

Willem van Oranje was al die tijd al aangezocht door de Staten van Holland en Zeeland om over hen de titel van graaf aan te nemen. Maar om destijds zijn onderhandelingen met Anjou niet in het gedrang te brengen, had hij dat afgewezen. Nu Anjou goed en wel als landheer gevestigd leek, was op 14 augustus 1582 het moment gekomen om de grafelijke waardigheid in beginsel te aanvaarden, al moest dit voorlopig nog geheim blijven om niet Anjou's argwaan omtrent zijn bedoelingen te wekken. De landsheer besefte al lang dat hij aan de macht van Oranje was overgeleverd en hoopte daar spoedig eigenhandig verandering in te brengen.

In januari 1583 slaagden Anjou's Franse troepen erin om Duinkerken, Menen, Diksmuide, Aalst, Dendermonde en tenslotte ook Vilvoorde binnen te dringen, waarmee hij zijn invloed in de [[Zuidelijke Nederlanden]] wilde verstevigen. Een inval door hem in Antwerpen op 17 januari bleek een uitdrukkelijke greep naar de macht, maar mislukte. Willem van Oranje had de stad al na de dood van zijn echtgenote verlaten, om zijn vierde echtgenote, [[Louise de Coligny]], dochter van de [[Hugenoten|Franse hugenotenleider]] te huwen. Maar de bewoners, die zich nog de [[Spaanse Furie (Antwerpen)|Spaanse Furie]] van een aantal jaren geleden herinnerden, gingen zelf in straatgevechten de Fransen gewapenderhand te lijf, waarbij dezen allen in de vanaf nu zogenaamde ''[[Franse Furie]]'' werden omgebracht. Het vertrouwen in Anjou was geheel verdwenen, en zijn Antwerpse coup werd zelfs in het buitenland afgekeurd, zodat hij ook daar aanzienlijk gezichtsverlies leed.

Ondanks de algemene verontwaardiging probeerde Willem van Oranje alsnog tot overleg met Anjou aan te zetten. De goede verstandhouding met Frankrijk bleef immers belangrijk in zijn optiek, die geen alternatief kende. Hij drong bij de Staten-Generaal aan op een gematigd antwoord en ondanks weerstand van veel van zijn vrienden tot overleg met Anjou, die zich voorlopig onder bescherming van een Frans garnizoen in Vilvoorde ophield zolang Brussel hem niet binnen de wallen wilde. Ook zocht hij zelf Anjou tot concessies te bewegen en hem te overtuigen de ingenomen steden terug te geven. Het was niet geheel denkbeeldig dat Anjou een overeenkomst met de prins van Parma zou sluiten, zoals uit geheime betrekkingen tussen beiden van voorjaar 1583 intussen bekend was.

[[Bestand:Moordwillemzwijger2.jpg|miniatuur|Aanslag op Willem van Oranje in 1584]]
Op 28 juni keerde Anjou voorlopig naar Frankrijk terug, gevolgd door Biron en nog andere medestanders. Als reden gaf hij op dat de Staten-Generaal der Nederlanden hem niet voldoende steunden, dat Kamerijk dreigde in handen van de prins van Parma te vallen, en dat hij overleg moest plegen met zijn moeder [[Maria de Medici]] en zijn broer, de koning van Frankrijk, over verder te nemen maatregelen. Geen maand later verliet op 22 juli Willem de Zwijger na kritiek op zijn Frans beleid en levensbedreigingen de Scheldestad, waar hij lange tijd in de Citadel had doorgebracht. Hij verhuisde, zijn bezittingen op acht schepen meenemend samen met Louise de Coligny naar [[Middelburg]], na zowat zijn hele leven in de Zuidelijke Nederlanden te hebben gewoond, maar verbleef daarnaast als graaf van Zeeland tussen 1574 en 1583 al regelmatig in Middelburg. Vanaf eind 1583 verhuisde Willem van Oranje tenslotte naar [[Delft]]. Daar had [[Balthasar Gérard]] (Gerards) uit Franche-Comté zich onder een valse naam in mei 1584 als ''[[Francois Guyon]]'', zoon van een slachtoffer van de katholieke vervolging, toegang weten te verschaffen tot de hofprediker van de prins, Villers. Op 8 juli dook hij op in het Prinsenhof in het klooster van Sint-Aagten. Dinsdagmiddag 10 juli wendde hij zich met een smoes tot de prins en schoot twee kogels op hem af in de longen en de maag, waarna deze schielijk overleed.

==== Toestand na een kwarteeuw oorlog (1584-1587) ====
{{Zie ook|Zie [[Tachtigjarige Oorlog]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}
De bloeiende toestand waarin de Spaanse Nederlanden in 1560 onder [[Margaretha van Parma]] nog verkeerden was sinds de [[Beeldenstorm]] en na een kwarteeuw van geruzie en oorlog volkomen ontaard in die van ontreddering, vertwijfeling, wantrouwen en armoede alom. Behalve in Holland en Zeeland, waar sedert het ophouden van de krijg in die streken handel en nijverheid met rasse schreden waren vooruitgegaan, evenals in het neutrale Luik.

[[Bestand:Locator County of Zeeland (1350).svg|miniatuur|Zeeland]]
De vloot van [[Graafschap Holland|Holland]] en [[Graafschap Zeeland|Zeeland]], die onder invloed van de watergeuzen was uitgebreid, had na de [[Blokkade van de Schelde|afsluiting van Antwerpen]] van de Noordzee door beurtelings de Staatsen en de Spanjaarden het leeuwendeel van het handelsverkeer tussen de [[Sont]] en [[Portugal]] bemachtigd. Spanje liet deze handel oogluikend toe, omdat het nog over geen eigen oorlogsvloot beschikte, en voer er wel bij dat via de Sont graan vanuit het oosten werd geïmporteerd, terwijl goederen vanuit de zich ontwikkelende kolonies noordwaarts konden worden verhandeld. En tussendoor brachten ook Engelse en Hollandse piraten buitgemaakte vrachten goederen aan land voor de zwarte markt waar men het kon betalen.

[[Bestand:Wolf dierenrijk 2009.JPG|miniatuur]]
In [[Graafschap Vlaanderen|Vlaanderen]] was dat amper het geval. Na de verwoestingen door de Beeldenstorm waren de bosgeuzen het graafschap komen terroriseren en waren hoeven, kloosters en kerken in vlammen opgegaan. De wraakacties van Alva hadden stad en land nog verder de grond in geboord en de vlucht en verbanning van talloze middenstanders die het calvinisme aanhingen hadden nijverheid en handel in elkaar doen stuiken en de werkloosheid doen toenemen. Muitende soldaten hielden overal plundertochten en sleepten hun buit naar [[Aalst (Vlaams-Brabant)|Aalst]], waar zij een roofnest hadden ingericht. Vanuit [[Gent]] waren daarna verwoestende veldtochten tegen de [[malcontenten]] gevoerd door al even plunderzieke [[Staatsen|Staatse benden]], waardoor vooral de streek rond Ieper, Veurne en Doornik het hard had te verduren gehad. Daarop waren de troepen van [[Hertog van Anjou|Anjou]], bij wie plundering als ingecalculeerd betaalmiddel leek, de streek verder komen stropen. En tenslotte was het de herovering door [[Alexander Farnese]], die de Staatsen stad na stad had teruggedrongen, waarmee het platteland beroofd werd van wat er nog restte. Het hele graafschap leek eind 1584 in een woestenij omgetoverd. En het was niet te verbazen dat de steden één na één de poorten openden om garnizoen van Farnese te nemen op de voorwaarden die hij overal had laten rondsturen: uitsluitende handhaving van het katholicisme, verlof tot vrij vertrek voor andersdenkenden met have en goed, behoud der privilegiën, algemeen pardon. Na de inneming van Brugge en Dendermonde kon het nu ingesloten Gent niet anders dan eveneens de poorten openen, zij het nog na lang verzet van de calvinistische kern. Enkel Oostende, Sluis en enkele kleine Scheldesteden hielden nog Staatse troepen, voor de rest was heel Vlaanderen nu onder het bestuur van de [[Spaanse Nederlanden]] teruggekeerd. Hoe ellendig het er intussen gesteld was, blijkt uit het feit, dat zich herhaaldelijk [[wolf (dier)|wolven]] tot om en zelfs binnen de stadsmuren vertoonden.

In [[Hertogdom Brabant|Brabant]] en [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]] was het ook al niet beter geworden. De ordeloze veldtochten van prins Willem in 1568 en 1572 met eindeloze plunderingen, en de wijze waarop Alva deze had bestreden, namelijk door een soort tactiek van de verschroeide aarde, hadden ook hier het landschap in een woestenij omgeschapen. Ook de oorlog tegen [[Juan van Oostenrijk|Don Juan]] had in deze streken gewoed, waarna Henegouwen vooral van het plunderziek leger van Anjou kreeg te lijden. En intussen was de prins van Parma al vijf jaar het land aan het heroveren. Brussel was door hem omsingeld en leed hongersnood. [[Olivier van den Tympel]], Oranje's veldoverste, die er nog het bevel over de troepen voerde, begon de moed te verliezen en het oor te lenen aan Parma's voorstellen, terwijl ook hier de bevolking vurig naar het einde van de strijd verlangde. In maart 1585 gaf de hoofdstad zich over, en in de zomer was Mechelen aan de beurt en zou Antwerpen volgen. De [[Franse Furie]] onder Anjou was de havenstad op het verlies van de ten dele verplaatste Engelse handel naar Middelburg en Veere, maar grotendeels naar Hamburg, komen te staan. In 1584 had Farnese zich van het aan de overzijde van de Schelde gelegen [[Waasland]] meester gemaakt. In de zomer bereidde hij de omsingeling voor. De dag van de dodelijke aanslag op prins Willem bemachtigde hij het nog niet geheel afgebouwde Staatse fort [[Liefkenshoek]]. Daarna begon hij langs de Schelde nieuwe forten te bouwen tegenover de Staatse in Lillo en elders. Bij Beveren en Kallo legerde Farnese zijn hoofdmacht. Nijverheidslieden en kooplieden verlieten, in toenemend aantal de onveilige plaats om zich in Holland of Zeeland te vestigen of naar Engeland, Bremen, Hamburg of de Oostzeehavens uit te wijken. Maar de Antwerpse was sowieso ten dode opgeschreven zolang Zeeland nog in handen van de geuzen zou blijven.

[[Bestand:Gelre kwartieren.png|miniatuur|Gelre en haar kwartieren.]]
In de [[Landen van Overmaas|Maasstreek]] en in [[Gelderland]] was de toestand al even schrijnend. De Maasstreek was tweemaal getroffen door de veldtochten van Oranje, gevolgd door die van graaf Lodewijk in 1574, en tenslotte door het optreden van Parma aan de rivier in 1578 en 1579. Het [[Overkwartier]], behalve Venloo, was zo goed als geheel in Spaanse handen en de [[Keulse Oorlog]] woedde ook in deze streken tussen de troepen van de graaf van Nieuwenaar en die van Aremberg. Verdugo's plunderende scharen vertoonden zich sinds de val van Zutphen overal in de [[Achterhoek]] en op de [[Veluwe]]. [[Nijmegen]] en [[Doesburg]] verzoenden zich dan ook in het voorjaar van 1585 met de koning. [[Arnhem]] werd hierin nog tegengehouden door de graaf van Nieuwenaar die hier zijn stadhouderschap aanhield. Maar overal waren het de talrijke katholieken, die, verontwaardigd over de onderdrukking van hun geloof door de calvinistische regeringen, verlokt door de gunstige voorwaarden waarop veel Brabantse en Vlaamse steden al waren overgegaan, en evenzeer verlangend een einde te zien aan de brandschattingen en de hopeloze verwarring waaraan ook het platteland van Gelderland reeds jaren was blootgesteld, tot onderhandeling met Parma werden gedreven. Ze grepen iedere gelegenheid aan om over het beheer door de Staten te klagen. De handel op de Rijn was tot stilstand gekomen. De kaperij tierde tot daar, na het opnieuw uitbarsten van de strijd in 1578, en drie jaren later was de toestand dusdanig dat de oude handelsweg van West-Duitsland zo goed als afgesloten was, dit tot nadeel van de Gelderse en Overijselse steden evenals van het naburige Duitse gewest.

In de noordelijker gelegen gewesten woedde de guerrilla voort nadat Rennenberg door de inname van [[Steenvort]] de blokkade van het platteland van Friesland had opengemaakt. Tegen de macht van het [[Leger van Vlaanderen]] onder Vertugo's troepen aldaar konden de Staatse troepen van Willem Lodewijk en Hohenlo niet veel beginnen, behalve wat bescherming leveren aan Friese steden. Plundertochten waren er intussen van beide kanten in de omgeving van Groningen. In [[Drenthe]], [[Friesland]] en [[Groningen (provincie)|Groningen]] moesten de boeren zich daartegen wapenen. Schermutselingen, brandschatting en plundering begonnen er tot het dagelijks leven te horen, wat allengs tot een algemene toestand van verwildering leidde. In Groningen stad brak in 1581 door ontbering en ellende de pest uit, waaraan 13 000 mensen overleden. De eens zo bloeiende handel, die reeds in 1570 door de watergeuzen een serieuze terugval had opgelopen, ging nu helemaal teloor, omdat de stad jarenlang geblokkeerd werd. Daar bovenop kwam in 1585 nog een algemene watervloed.

[[Bestand:Schouwen.jpg|miniatuur|Schouwen, in het geel weergegeven, nog in 1350]]
Niet enkel de ‘''bedorvene provinciën''’ Gelderland, Utrecht, Friesland en Overijsel, die zich reeds in 1579 tot bijdragen voor de gemeenschappelijke strijd tegen de Spanjaard onmachtig verklaarden, maar ook Holland en Zeeland hadden er onder te lijden gehad tot de Spaanse troepen na Requesens' dood deze gewesten verlieten. Het glorieuze 's Gravenhage was door veel inwoners van rang en stand verruild voor het ommuurde Delft; de huizen stonden grotendeels leeg en vertoonden verbrande deuren, vensters en daken, de troepen van beide kampen hadden ze als stallen gebruikt, het ijzerwerk geroofd en alles van waarde geplunderd; de straten waren met gras begroeid; de bomen van het bos waren grotendeels omgehakt en verkocht. Het doorsteken van de dijken van Rijnland en Delfland om Leiden te redden had grote verliezen in de landbouw teweeggebracht, waardoor de landbouwbevolking tot een derde was teruggebracht. De dijken waren in het algemeen door verwaarlozing in de oorlogstijd zo verzwakt, dat Zeeuwse eilanden als [[Duiveland (voormalig eiland)|Duiveland]] en [[Schouwen (voormalig eiland)|Schouwen]] met ondergang werden bedreigd terwijl op [[Walcheren]] en [[Zuid-Beveland]] de welvaart was vernietigd in de bloedige strijd te land en te water. Maar na de [[Pacificatie van Gent]] hernam het verkeer tussen Holland en Zeeland en de overige gewesten, en bloeide de handel en nijverheid er in snel tempo weer op. De taaie weerstand van de grootste koopvaardijstad in de regio, [[Amsterdam]], maakte dat heel wat handelsverkeer zich aan de Zuiderzee via Enkhuizen, Hoorn en andere 'watersteden' ging bewegen, waarnaar veel kooplieden uit Amsterdam verhuisden. Toen de geuzen in 1573 hun overwinning op Boussu behaalden, waren zij meester van de zeeboezem en verhinderden de Amsterdamse handel, die toch al door de zeeroof van de watergeuzen omstreeks 1570 zeer achteruit was gegaan. Al in 1569 was de handelsvloot van de stad op de [[Oostzee]] van 250 op 150 schepen teruggevallen. Schepen lagen te rotten in de stadsgrachten, en pakhuizen veranderden in stallen voor het vee van gevluchte boeren uit de omtrek. Toen ook het aanleggen van graanschepen drastisch minderde, zag het stadsbestuur in dat men zich beter met de Staatsen kon proberen akkoord te stellen.

Na de ‘satisfactie’ herwon Amsterdam zijn vroegere status. In 1585 moest zij alweer worden uitgebreid en kon weer deelnemen aan het handelsverkeer, dat Holland en Zeeland in weerwil van de oorlog waren blijven voortzetten, zowel op de Oostzee en Engeland als op Frankrijk, Spanje en Portugal met na de Pacificatie steeds toenemende winst. Behalve door de groeiende rijkdom van de bevolking haalden deze gewesten ook groot voordeel uit de handel door de lasten die men daarop kon leggen. Holland vond weldra dan ook de middelen om de oorlog te voeren in de zogenaamde '[[licenten en convooien]]', belastingen op de handel. Licenten waren de lasten betaald voor de vergunning om naar vijandelijk gebied uit te voeren, d.i. naar Spanje en Portugal en naar de door de thans weer onder Spaans gezag gekomen streken in het Zuiden. De Zeeuwse geuzen hadden deze in 1572 al aan de Schelde ingevoerd en in het voorjaar van 1573 had Holland dit voorbeeld gevolgd, hetgeen dat jaar alleen al 850 000 gulden opleverde. Holland zag in dit systeem zoveel voordeel, dat het dit ook bij de andere gewesten dringend aanbeval, wat in mei 1578 ook door de Staten-Generaal werd aangenomen. Tollijsten, op kosten der Staten-Generaal gedrukt, wezen aan hoeveel van elk in- of uitgevoerd artikel mocht worden gevraagd.

Dit onmiskenbare voordeel vooral voor de Hollanders en Zeeuwen, uit deze handel, niet in het minst uit die op de gewesten van het zuiden, op Spanje en Portugal, was ook de Spaanse regering een doorn in het oog. De geldsommen die ermee verdiend werden maakten immers dat de opstandelingen voornamelijk daardoor voor een groot deel hun strijd konden blijven volhouden. Herhaaldelijk werd het de Hollanders dan ook moeilijk gemaakt in de Spaanse havens, en het eerst nog onafhankelijke Portugal had hen daarom des te meer aangelokt door de grote handelsvrijheden daar. Thans was Portugal echter Spaans, waardoor de Nederlandse kooplieden steeds meer nadeel gingen ondervinden.

===== Heroveringen door de landvoogd Alexander Farnese (1579-1588) =====
{{Zie hoofdartikel|Parma's negen jaren}}
[[Bestand:Alexander Farnese, Hertog van Parma (Michiel Colijn, 1616).jpg|miniatuur|[[Alexander Farnese]], de hertog van Parma en hoofd van de Belgische regio.]]
[[Bestand:Beleg Maastricht 1579.jpg|miniatuur|Het beleg van Maastricht in 1579.<br /> ''[[Faminio Strada]]: De Bello Belgico''.]]
[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1585.png|miniatuur|Staatkundige toestand in 1585.]]
De heroveringsstrijd van gewesten die onder Willem van Oranje in handen van de calvinisten waren gekomen, die door de landvoogd Alexander Farnese was ingzet in 1579, hield [[Parma's negen jaren|negen jaar]] aan. Na eerst slag geleverd te hebben met de [[Staatsen]] nabij Antwerpen had hij dat jaar [[Beleg van Maastricht (1579)|Maastricht]] ingenomen en het jaar daarop [[Kortrijk]]. Door zijn toedoen had in 1580 Rennenberg het hele gebied van [[Groningen (provincie)|Groningen]] weer aan hem overgedragen en was Coevorden ingenomen. En in augustus had hij met de [[Slag om Baasrode]] de belangrijkste achterhaven van Antwerpen ingenomen.

Ondertussen ging de prins van Parma onverminderd door met het heroveren van de aan het centrale gezag ontvallen steden. In Brabant kreeg hij [[Lier]] in handen en in Vlaanderen [[Oudenaarde]], waarna ook [[Ieper]] in gevaar kwam. In 1582 vorderde het [[Leger van Vlaanderen]] des te meer in Vlaanderen zowel als Brabant en slaagde in het heroveren van Duinkerken, Nieuwpoort, Menen, Veurne en Diksmuide, evenals een [[berenning]] van Steenwijk.
Op 23 juni 1585 verloren de Staatse troepen de [[Slag bij Amerongen]] bij Utrecht. En na het einde van de [[Gentse Republiek]] (17 augustus 1584), waarbij zo'n 4.000 meest protestantse Gentenaren vrije uittocht naar het noorden kregen, was spoedig [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] aan de beurt. De [[Beleg van Antwerpen (1584-1585)|belegerende]] troepen voor de stad sloten met tientallen schepen de [[Schelde (rivier)|Schelde]] af, waardoor de bevoorrading onmogelijk was geworden. De onderhandelingen met Parma die de katholieken in Antwerpen hadden geëist werden door [[Filips van Marnix van Sint-Aldegonde|Marnix van Sint-Aldegonde]] gevoerd in het Spaanse hoofdkwartier in [[Beveren (Oost-Vlaanderen)|Beveren]] waar hij de overgave van de stad tekende. De ''Peis'' (vrede) werd uitgeroepen op de Grote Markt. Veel protestantse kooplieden en intellectuelen [[migratiestroom in de Nederlanden#Derde migratiegolf|vertrokken onder vrijgeleide noordwaarts]]. Hollandse en Zeeuwse schepen [[blokkade van de Schelde|versperden daarop de Scheldemonding]] en sloten op hun beurt de thans onder Spaans bestuur zijnde stad af van de overzeese handel. (De Antwerpse bloeiende handel, kunsten en wetenschappen zouden echter in de Hollandse "gouden eeuw" verder ontwikkelen). Tien dagen later op 27 augustus nam de stad garnizoen van het [[Leger van Vlaanderen]] in. De katholieke godsdienst werd verplicht.

Het verlies van Antwerpen was een grote klap voor de rebellen, die vreesden dat zonder die stad de Opstand verloren was. Reeds op 18 augustus het jaar tevoren hadden zij een [[Raad van State (historisch)|Raad van State]] in de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Noordelijke Nederlanden]] geformeerd, bestaande uit vier leden van Holland, drie uit Brabant, Zeeland en Friesland, twee uit Vlaanderen en Utrecht, en één lid uit Mechelen, die samen besloten de strijd verder te zetten opdat de noordelijke en zuidelijke Nederlanden bijeen zouden blijven. Die raad nam het bestuur waar met de zeventienjarige [[Maurits van Oranje]] als voorzitter, die op 1 november 1585 ook [[stadhouder]] werd van Holland en Zeeland, evenals, door bemiddeling van [[Johan van Oldenbarnevelt|Oldenbarneveldt]], gouverneur, kapitein-generaal en admiraal. Met de inname van de grootste en rijkste stad van de Lage Landen boekte Parma zijn grootste succes, maar forceerde hiermee een definitieve scheiding van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden. Pas na de val van Antwerpen wordt dan ook het onderscheid gemaakt tussen de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Noordelijke Nederlanden]] en de [[Zuidelijke Nederlanden]].

[[Den Haag]] werd de vergaderplaats van de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten-Generaal]] van alleen nog de zeven noordelijke provincies van de Unie van Utrecht, terwijl de centrale regering van Brussel quasi onopgemerkt verdween.
Het prinsbisdom Luik bleef onafhankelijk.

Na de moord op [[Willem van Oranje]] zochten de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Staten Generaal]] de wankele autonomie van de Unie van Utrecht door het aannemen van een andere staatsvorst te bekrachtigen. In december 1585 deden zij daarvoor beroep op de Franse koning Hendrik III evenals bij de koningin van Engeland. Beiden weigerden een koningstitel, maar Elisabeth zegde wel haar protectie toe. Als reactie op de Spaanse opmars stuurde zij de [[Robert Dudley|graaf van Leicester (Robert Dudley)]] in het geheim met 5000 manschappen de Noordzee over, die twee jaar later evenwel zouden worden teruggeroepen. Hij had zich in januari 1586 als gouverneur-generaal laten uitroepen, tegen de wil van de koningin, die confrontatie met Spanje wou vermijden. In april verbood Dudley alle handel met "de vijand". De handel met de Zuidelijke Nederlanden en Spanje was voor de Nederlandse kooplieden echter, mede door de 'licenties' een noodzaak. Daarop besliste de graaf van Leicester een [[Kamer van Financiën]] op te richten, waar de koopmansboeken konden gecontroleerd worden.

[[Bestand:Tachtigjarigeoorlog-1586-1587.png|miniatuur|Staatkundige toestand in 1586-'87.]]
[[Alexander Farnese]] van Parma ging intussen ongehinderd voort met de herovering. In de periode juni-juli veroverde hij [[Venlo (stad)|Venlo]], [[Grave (plaats)|Grave]], een blaam voor Dudley die hem niet in dank werd afgenomen. Na het het [[Bloedbad van Neuss]] ([[Neuss|Neuß]]) van 26 juli, volgde op 22 september de [[Slag bij Warnsveld]] tussen een Staats leger onder leiding van [[Robert Dudley|Leicester]] met daarin veel Britse eenheden, en de [[Leger van Vlaanderen|troepen die namens Spanje vochten]]. Het Staatse leger had als doel de bevoorrading van Zutphen door de Spanjaarden te beletten, maar slaagde daar niet in. In december keerde Dudley naar Engeland voor overleg. Intussen was op 18 november [[William Stanley (1548-1630)|William Stanley]] met het gezag over [[Deventer]] belast, waar 1200 Ierse soldaten gelegerd werden met York als aanvoerder. Deze (katholieke) Engelse aanvoerders gaven in januari 1587 Deventer en [[De Schans (Kollumerland en Nieuwkruisland)|De Schans]] in Spaanse handen over. De Staten-Generaal verwittigden graaf Leicester in een schrijven, opgesteld door Johan van Oldenbarneveldt. Na antwoord van [[Thomas Wilkes]] werd een onderzoek ingesteld, dat onder leiding van [[François Vranck]] plaatsvond. Hij betoogde dat de soevereiniteit in Holland altijd bij de Provinciale Staten had berust.

Het krijgsontwerp van Filips II om Engeland te veroveren met een reusachtige vloot, de [[Spaanse Armada]], werd een rampzalige mislukking; de [[Slag bij Grevelingen (1588)|Slag bij Grevelingen]] op 8 augustus 1588 werd een verpletterende nederlaag voor Spanje. Daarna was het leger uitgeschakeld en had Farnese geen middelen om nog verder ten strijde te trekken tegen de inmiddels ontstane [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden]]. Het jaartal 1588 wordt dan ook gezien als het einde van Parma's heroveringscampagne. De reactie die volgde was een tegenoffensief onder leiding van [[Maurits van Oranje|Maurits van Nassau]] en [[Willem Lodewijk]] bekend als de [[Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog)|Tien jaren]].

===== Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588) =====
{{Zie hoofdartikel|Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden}}
Al bij al begon men de indruk te krijgen dat Leicester, net als daarvoor Anjou, bezig was steeds meer macht naar zich toe te halen door in Utrecht een sterk gecentraliseerde regering onder zijn gezag te vormen, gebruik makend van steun vanwege het populaire calvinisme en rekenend op de afgunst van de andere provinciën ten aanzien van Holland. Op 5 augustus 1587 kon hij niet verhinderen dat landvoogd [[Alexander Farnese]], de hertog van Parma, [[Sluis (stad)|Sluis]] veroverde, ter voorbereiding van de komst van de Spaanse Armada. In september probeerde Leicester [[Johan van Oldenbarnevelt]] en [[Maurits van Oranje]] met wie hij het oneens was gevangen te nemen, maar die wisten in Delft te ontsnappen. Daarop viel hij Amsterdam, Leiden en West-Friesland aan, wat telkens op een mislukking uitliep, terwijl intussen verschillende steden voor de opstandelingen verloren gingen.

[[Bestand:Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.svg|thumb|De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden scheidt zich af van het moederland]]
Met zijn poging tot invasie van Holland vanuit Utrecht was in 1587 de maat vol. De graaf van Leicester werd gedwongen het grondgebied te verlaten. Hij werd door [[Peregrine Bertie, 13th Baron Willoughby de Eresby|Willoughby]] als hoofd van de Engelse troepen opgevolgd.

In 1588 namen de noordelijke Staten-Generaal de [[Justificatie of Deductie]] van François Vranck aan. Na hun achtereenvolgende mislukte pogingen al sedert Mathias van Oostenrijk om een eigen staatshoofd te benoemen, besloten de Verenigde Nederlanden voortaan tot zelfbestuur zonder staatshoofd, en kondigden de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden]] af (ook wel 'De Verenigde Provinciën', [[Latijn]]: ''Belgica Foederata''). Hiermee scheidden de Noordelijke Nederlanden zich thans definitief af van het moederland.

In april werd prins [[Maurits van Oranje]], graaf van Nassau, stadhouder van Utrecht en Overijssel en vestigde zijn gezag in Zeeland. De [[Spaanse Armada]] werd verslagen door een Engelse vloot onder admiraal [[Francis Drake]], terwijl Hollandse [[Geuzen (Tachtigjarige Oorlog)|watergeuzen]] de [[Alexander Farnese|hertog van Parma]] verhinderden zich vanuit Vlaanderen bij de Armada aan te sluiten. Hij had in [[Duinkerke]] 40.000 soldaten verzameld om Engeland te veroveren en wachtte op de Armada om ze te verschepen. Parma belegerde daarop de stad [[Bergen op Zoom]] zonder succes. Zijn bevelhebbers [[Filips III van Croÿ|Chimay]] en [[Francisco Verdugo|Verdugo]] boekten evenwel in het Rijngebied wel weer enig succes in de Noordelijke Nederlanden.

Na de nodige tegenslagen volgde voor de Republiek een periode waarin de situatie sterk verbeterde, door [[Robert Fruin (historicus)|Fruin]] de ''[[Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog)|Tien jaren]]'' genoemd. De [[Nederlandse Opstand]] ontwikkelde van vrijwel hopeloos in 1588 tot vrijwel gewonnen in 1598. Deels wordt deze ontwikkeling toegeschreven aan internationale factoren zoals de hernieuwde oorlog tussen [[Koninkrijk Frankrijk (1328-1589)|Frankrijk]] en [[Spanje (personele unie)|Spanje]], deels echter ook aan de politieke bekwaamheid van [[Johan van Oldenbarnevelt]], advocaat van Holland, en de militaire van [[Maurits van Oranje|Maurits van Nassau]], de tweede zoon van Willem, die de volgende decaden nauw samenwerkten. Holland leverde meer dan de helft van de inkomsten van de Republiek en oefende samen met de stadhouders op basis van zijn relatie met het huis van Oranje gedurende twee eeuwen de feitelijke macht uit. Daarom werd in het zuiden ook de term "''Holland''" of "''Hollanders''" voor het geheel van de afgescheiden republiek gebruikt, die internationaal ingeburgerd geraakte, behalve in Engeland dat dit deel van de Lage Landen als Duits bleef zien, vandaar "''Dutch''". De zuiderlingen kregen op hun beurt allemaal de term "''Vlamingen''" toebedeeld.

Aanvankelijk werd de Republiek nog niet internationaal erkend. Vooral Spanje weigerde nog lang de onafhankelijkheid te erkennen.

Op 4 maart 1589 veroverde [[Maurits van Oranje|Maurits van Nassau]] [[Breda]] met behulp van het [[turfschip van Breda]] van Adriaan van Bergen, waarin 68 jonge mannen onder leiding van commandant Charles Héraugière zich hadden verscholen. Maar op 10 april 1589 werd de stad [[Geertruidenberg (plaats)|Geertruidenberg]] door Engelse muiters tegen betaling aan [[Alexander Farnese]] van Parma en de [[Katholieke Nederlanden]] overgeleverd. Daarna moest deze zich echter een hele tijd terugtrekken in [[Spa (stad)|Spa]] om van een ziekte te herstellen. Bij zijn afwezigheid ontstond zelfs muiterij in ''Tercio Viejo'', zijn meest toegewijde regiment. Maar op 2 augustus, toen koning [[Hendrik III van Frankrijk]] overleed, gaf [[Filips II van Spanje]] aan de landvoogd opdracht om de rechten van zijn dochter [[Isabella van Spanje|Isabella]] op de Franse troon te gaan verdedigen, omdat Frankrijk de Salische Wet inriep, die bepaalde dat enkel mannelijke troonopvolgers golden. Daardoor zag Parma af van verdere verovering van een heel gebied in de Noordelijke Nederlanden, waar hij zich op voorbereidde. Daardoor kon Maurits van Oranje tot 1596 delen van Vlaanderen en Brabant boven de grote rivieren inpalmen om in het zuiden [[Blokkade van de Schelde|Antwerpen af te snijden van de zee]]. Maar het was dankzij de prins van Parma dat in de Zuidelijke Nederlanden de calvinistische supprematie was verdreven en de loyauteit aan de koning bevestigd.

De personele unie van Portugal met Spanje maakte de [[Portugees-Nederlandse Oorlog]] mogelijk, waarbij de Republiek haar koloniën uitbreidde.

==== Religieuze toestand na de afsplitsing ====
[[Bestand:De zielenvisserij - Fishing for souls (Adriaen Pietersz. van de Venne).jpg|thumb|350px|''De zielenvisserij'', [[Adriaen Pietersz van de Venne]], (1614).<br />
[[Allegorie (beeldende kunst)|Allegorie]] op de ijver van de religies.]]
In het noorden bleven de bisschoppen verdreven, maar in het zuiden keerden zij met de legers van Parma terug en hielden thans streng de hand aan de kerkelijke tucht onder hun geestelijkheid. De geest van de [[Contrareformatie]], die niet alleen aanzette tot een meer verfijnde definiëring van de katholieke leer, maar ook de verbetering van het kerkelijk functioneren beoogde (bijvoorbeeld door het tegengaan van allerlei misstanden en het herstructureren van de administratie), was omstreeks 1584 ook in de Nederlanden duidelijk merkbaar. Vooral op verbetering van het gehalte der geestelijken moest worden gelet, meende Granvelle, de voormalige aartsbisschop van Mechelen, die in 1580 deze waardigheid aan Jean d'Auchin, deken van St. Goedele te Brussel, had overgedragen en heel goed wist, hoe het met dit gehalte gesteld was. Terwijl nog omstreeks 1576 de klachten over onrechtzinnigheid van geestelijken, hun geldzucht en 'onkuis leven' legio waren en de afval van de Roomse-kerk in de noordelijke gewesten algemeen dreigde te worden, begonnen thans veel geestelijken, ook in het zuiden, met voorbeeldige ijver te redden, wat nog te redden viel.

Het calvinisme, alhoewel de heersende Kerk in vijf gewesten, had overal op het platteland niet zo diep wortel geschoten. Het was, net als het christendom zelf bij zijn ontstaan, slechts een godsdienst van stedelingen. In 1584 was het zelfs in het noorden, al was het maar in één provincie, nog verre van de algemene godsdienst, behalve dan misschien in Zeeland. In de andere afgescheiden gewesten waren de katholieken nog veel en veel talrijker, met name in Utrecht en de oostelijke provinciën, in mindere mate in Holland en Friesland. Hun geloofsijver compenseerde doorgaans hun geringer aantal. Een klein aantal gelovigen was het gelukt, met de steun van de patriotten en op eigen wilskracht en stoutmoedigheid, in een aantal steden in Vlaanderen en Brabant het gezag te bemachtigen. Maar hun politieke invloed was weldra in een godsdienstige invloed ontaard. De talloze onverschilligen hadden intussen de gang van zaken afgewacht, bereid om het calvinisme te aanvaarden, waar het zou zegevieren, maar evenzeer bereid om weer naar de mis te gaan, wanneer Parma overwon. In het begin hadden zij uit onmin met het Spaans gezag de oproerkraaiers laten betijen. Maar toen zij aan verzet dachten, was het te laat en moesten ze machteloos toezien hoe hun priesters werden verjaagd, hun kerken gesloten en hun eredienst verboden. Na zeven of acht jaar was het merendeel van de adel, behalve in Antwerpen, au fond nog steeds katholiek. En zodra de prins van Parma het gezag herstelde, waren zij weer openlijk gaan praktiseren en gingen tienduizenden te biechten. Al degenen die, uit voorzichtigheid, uit belang of uit noodzaak, een bekering geveinsd hadden, verzoenden zich dadelijk met de Kerk. Vóór de belegering van Nieuwpoort raamde men het aantal protestanten daar op drieduizend, na de overgave vond men er nog drie. Anderzijds gebeurde hetzelfde in omgekeerde zin in plaatsen waar de Kerk opnieuw zegevierde: calvinisten die openlijk hun geloof afzwoeren, maar het heimelijk bleven beoefenen.

Behalve calvinisten en katholieken was er inmiddels, vooral in de regeringskringen, een derde levensbeschouwing doorgedrongen, die van de [[Libertinisme|libertijn]]en. Dit waren in het algemeen mannen, die men zou kunnen beschouwen als erfgenamen van de erasmianen, geestverwanten der volgelingen van ‘paap Hubert’ te Utrecht. Zij waren afkerig van het dwepen van de predikanten zowel als van de dwang van katholieke zijde en verzetten zich tegen alle pogingen om de streng calvinistische beginselen consequent in de kerkelijke instellingen door te drijven. Tegen hen en hun woordvoerders richtten zich nu de leidende calvinisten.

[[Bestand:Nederlanden 1590-1592.PNG|thumb|Situatie in de Nederlanden rond 1591]]
Verder hadden naast calvinisten van allerlei schakering, zodra de druk van het Spaanse bewind was weggevallen ook de nooit geheel verdwenen [[mennonieten]] of doopsgezinden op het platteland van noordelijk Holland en Friesland weer overal de kop opgestoken. Ook zij werden met onverholen vijandschap door de calvinisten bejegend.

Voorts was het tussen 1591 en 1595 ook de tijd waarin bijvoorbeeld de [[Heksenprocessen te Amersfoort en Utrecht]] startten. Beschuldigden stonden voor het [[Hof van Utrecht]] terecht. Verdachten werden gefolterd en gedwongen om de namen van anderen te noemen. Ook in de [[Zuidelijke Nederlanden]] was er na 1592 een opleving van de [[Europese heksenvervolging|heksenvervolging]] na een decreet door Filips II in die richting.

==== De Nederlanden onder aartshertogen Albrecht en Isabella (1596-1621) ====
[[Alexander Farnese]] was als landvoogd van ‘de Nederlanden’, ‘les Pays-Bas’, zoals men het gebied der aartshertogen nu meer en meer bij uitstek placht te noemen,<ref>P.J. Blok VI deel 2, III.I p. 369 en Pirenne, IV, l.l.</ref> in naam opgevolgd door graaf [[Peter Ernst I van Mansfeld|Peter Ernst von Mansfeld]] (tot 1594). Farnese was bij zijn eerste veldtocht met het leger van de [[Ligue|Ligue Catholique]] naar Frankrijk door de protestantse koning [[Hendrik IV van Frankrijk|Hendrik IV van Bourbon]] in de buurt van [[Ivry-la-Bataille|Ivry]] verslagen en viel daarop in ongenade bij de Spaanse koning. Op 3 december 1592 overleed de prins van Parma in [[Atrecht]], nog voor graaf [[Pedro Henriquez de Acevedo]] van Fuentes, die opdracht had hem naar Spanje terug te brengen - indien nodig met geweld of als gevangene -, hem bereikte. Het feitelijk bestuur van de Nederlanden was door koning Filips II van Spanje in handen van Fuentes gegeven tot aan de komst van opvolger [[Ernst van Oostenrijk (1553-1595)|Ernst van Oostenrijk]]. Deze laatste deed pogingen tot onderhandelen met de Noordelijke Provinciën, maar die mislukten. In 1595 werd Fuentes dan officieel tot landvoogd benoemd en het jaar daarop nam hij tijdens de oorlog tegen Frankrijk [[Cambrai|Kamerijk]] in, wat hem een benoeming tot opperbevelhebber van de Spaanse troepen opleverde.

Begin 1596 werd aartshertog [[Albrecht van Oostenrijk]], die verloofd was met de dochter van de koning, [[Isabella van Spanje]], landvoogd en deed op 11 februari zijn Blijde Intrede in Brussel. De [[Spaanse Nederlanden]] die Isabella in eigendom had gekregen van haar vader op voorwaarde dat zij kinderen kregen (zoniet werden al de gewesten weer met Spanje herenigd) kwamen nu onder bestuur van de aartshertogen, al beperkte dit zich de facto tot de [[Zuidelijke Nederlanden]].

Albrecht was vast beraden de opstandige gebieden weer in te nemen en [[Beleg van Calais (1596)|veroverde Calais]] en het nabije [[Ardres]] in datzelfde jaar op de Fransen, en [[Beleg van Hulst (1596)|Hulst]] op de Nederlanders. [[Maurits van Oranje]], de zoon van Willem, arriveerde daar te laat met troepenversterkingen, maar was al die tijd sinds 1590 van zijn kant doorgegaan met boven de grote rivieren steden en gebieden op de Zuidelijke Nederlanden te heroveren. In september dat jaar al had hij Crèvecoeur, Hemert, Hedel en [[Steenbergen (stad)|Steenbergen]] heroverd, en bij [[Maurits' veldtocht van 1591|zijn eerste veldtocht]], de steden [[Beleg van Zutphen (1591)|Zutphen]] (30 mei), [[Beleg van Deventer (1591)|Deventer]] (10 juni), [[Delfzijl]] (2 juli), [[Beleg van Hulst (1591)|Hulst]] (24 september) en [[Beleg van Nijmegen (1591)|Nijmegen]] (21 oktober). De prins was daarna ook benoemd tot [[stadhouder]] van [[Hertogdom Gelre|Gelre]]. In 1592 had Maurits tot voldoening van Friesland en ongenoegen van de Zeeuwse Staten [[Beleg van Coevorden (1592)|Coevorden]] en [[Beleg van Steenwijk (1592)|Steenwijk]] ingenomen. Op 24 juni 1593 veroverde hij [[Beleg van Geertruidenberg (1593)|Geertruidenberg]] en [[Westerwolde]] op verzoek van Zeeland, al was Friesland dan hierover weer misnoegd en had liever Groningen teruggekregen. Daarom verboden de Friezen [[Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg|Willem Lodewijk van Nassau]] om te helpen. Op 7 mei 1594 [[Beleg van Coevorden (1593-1594)|ontzette hij Coevorden]] voor de tweede keer, al was daar toen nog weinig van over, en op 22 juli werd dan Groningen veroverd door Maurits samen met [[Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg|Lodewijk Willem van Nassau]], die tevens er als stadhouder werd aangesteld. Groningen werd daarop bij de Unie van Utrecht aangesloten door het traktaat bekend als de [[Reductie van Groningen]]. Deze reductie vormde in feite de [[alteratie (Nederlandse Opstand)|alteratie]] van de stad en [[de Ommelanden]], vergelijkbaar met de [[alteratie (Amsterdam)|alteratie van Amsterdam]]: op de overgang naar het nieuwe [[Protestantisme|protestantse]] bewind volgde [[onteigening]] van alle bezittingen van de [[Rooms-katholieke Kerk|rooms-katholieken]], werden alle katholieke kerken er gesloten, het stadsbestuur van katholieken "gezuiverd" en de katholieke eredienst officieel verboden. Na de capitulatie vertrokken alle monniken en priesters, van wie velen eerder al vanuit de Ommelanden naar de stad gevlucht waren, tezamen met de overlevenden van het bezettingsleger naar de [[Zuidelijke Nederlanden]].

In 1594 was het [[leger van Vlaanderen]] zowat alle strategische posities benoorden de grote rivieren kwijtgeraakt. En tegen 1595 was de verovering van de oostelijke Lage Landen voltooid. Maar wegens geldgebrek zagen de Staten Generaal zich gedwongen het Staatse leger af te slanken. Gevolg was dat tijdens een relatieve pauze in de vijandelijkheden tussen noord en zuid voor Maurits van Oranje de gouden tijd achter de rug was.

[[Bestand:Isabella Clara Eugenia Spain Albrecht.jpg|thumb|left|upright=2.0|Portret van [[Isabella van Spanje|Infanta Isabella Clara Eugenia]] en haar gemaal, [[Albrecht van Oostenrijk|Aartshertog Albert]], <small><br /> 17e eeuwse anonieme meester, naar originelen door [[Frans Pourbus (II)|Frans Pourbus de jongere]]</small>.]]
Op 6 mei 1598 had het huwelijk plaats van [[Isabella van Spanje]], de dochter van [[Filips II van Spanje|Filips II]], en [[Albrecht van Oostenrijk]], waarbij Filips de gehele [[Spaanse Nederlanden]] als bruidsschat schonk mits inachtame van de [[Akte van Afstand]]. Daarmee trad Isabella feitelijk aan als vorstin over het bewind in de [[Zuidelijke Nederlanden]]. Het prinselijk paar deed op 5 november zijn [[Blijde Intrede]] in [[Mechelen (stad)|Mechelen]].

Op 13 september 1598 was koning Filips II in [[San Lorenzo de El Escorial|El Escorial de Arriba]] in Spanje overleden. Vrijwel direct na zijn troonsbestijging brak opvolger [[Filips III van Spanje|Filips III]] met de praktijk dat de opstandelingen in de Noordelijke Nederlanden handel dreven met de Spanjaarden om daarmee hun oorlog te betalen. Hij stelde opnieuw een embargo in, liet alle in Spaanse en Portugese havens aanwezige Nederlandse schepen met hun lading in beslag en de bemanning in hechtenis nemen, al bracht deze politiek de Spaanse economie minstens evenveel schade toe als de Hollandse. Het embargo was van kracht tot 1608, maar de Nederlandse scheepvaart had zich ondertussen, zoals door waarnemers in Spanje al eerder gevreesd was, gestort op het Verre Oosten, waar grote winsten gehaald werden. Door het grote succes van de tochten naar Indië werden allerlei "Compagnieën van Verre" opgericht, zelfs zo dat de Staten-Generaal tenslotte opriepen tot samenwerking van de vertegenwoordigers van elke compagnie.

Het kerkelijk huwelijk van [[Isabella van Spanje|Isabella]] met [[Albrecht van Oostenrijk|Albrecht]] was wegens het overlijden van haar vader een jaar uitgesteld en werd pas op 18 april 1599 in Valencia voltrokken. De vorstin vestigde zich met haar gemaal in de Nederlanden in het [[Paleis op de Koudenberg]]. Samen met het vorstenpaar kwam de oudste zoon van Willem de Zwijger, [[Filips Willem van Oranje]] mee, die aan het Spaanse hof was opgevoed, om in het Nassaupaleis te wonen te Brussel, waar hij ridder in de [[Orde van het Gulden Vlies]] werd. Maar hij mocht zich niet met politiek inlaten. In het noorden was men bevreesd voor de al te katholieke denkbeelden die hij met zijn Spaanse opvoeding had meegekregen.

[[Bestand:School of Michiel Jansz. van Mierevelt 001.jpg|left|thumb|Stadtholder Maurice of Nassau by school of [[Michiel Jansz. van Mierevelt]].]] [[Bestand:Peter Paul Rubens - Portrait of the Marchese Ambrogio Spinola.JPG|thumb|Ambrogio Spinola, marquis of Los Balbases, by [[Peter Paul Rubens]].]]
De gezanten van de [[Zuidelijke Nederlanden]], Hartius en Coomans, die naar Holland waren gestuurd om na te gaan of de opstandige gewesten weer op basis van de [[Pacificatie van Gent]] bij de Nederlanden konden worden gevoegd, keerden onverrichterzake terug. In 1598 zette het [[leger van Vlaanderen]] daarop een nieuw offensief in tegen de Republiek. Op 2 juli 1600 trok de normaal gesproken voorzichtige Maurits van Oranje op last van Oldenbarnevelt tegen zijn zin diep het hem vijandelijk kustgebied in Vlaanderen in voor een grootscheepse expeditie. Oldenbarnevelt wenste een einde te maken aan de voor de Nederlandse koopvaardij schadelijk geworden "''[[Duinkerker kapers|Duinkerker Kapers]]''" (Aldus bestempeld door de Noordelijke Staten-Generaal, maar in feite Spaanse en Vlaamse aan de tegenblokkade deelnemende officiële en private schepen van het Leger van Vlaanderen).

[[Bestand:Sitio de Ostende.jpg|thumb|Beleg van Oostende (''Pieter Snayers'')]]
Toen het Staatse leger poogde de Vlaamse kustplaatsen te controleren kwam het op 2 juli 1600 tot een [[Slag bij Nieuwpoort|treffen bij Nieuwpoort]], dat Albrecht verloor en Maurits wel won, echter zonder de stad te kunnen innemen. Wegens het risico op versterkingen en om zijn hele leger niet te verspelen zette hij de belegering niet door maar trok zich terug naar de Republiek. (Dit betekende een begin van verwijdering tussen Maurits en Oldenbarnevelt). Het [[beleg van Oostende]] dat het jaar daarop inging en tot 1604 duurde toonde het machtsevenwicht tussen beide partijen, die hierin bovenmatig investeerden, ook aan mensenlevens, wegens het belang dat aan de havenplaatsen werd gehecht. Het was [[Ambrogio Spinola]], die als legeraanvoerder in dienst van Albrecht was gekomen, die tenslotte op 22 september de stad kon innemen, zij het met verlies van het noordelijker gelegen [[Sluis]] aan de Staatsen. Maar het jaar daarop nam Spinola het initiatief, en begon [[Spinola's veldtocht van 1605-1606]]. Voor het eerst sinds 1594 verplaatste de oorlog zich nu benoorden de grote rivieren, zodat de Republiek zich in het hart bedreigd zag.

Op 9 november 1607 kondigde Filips III opschorting van betalingen af. Zowel de Spaanse staatskas als die van de Republiek hadden erg geleden onder [[Tachtigjarige Oorlog|het voorbije oorlogsgeweld]], en beide partijen begonnen tekenen van de wil tot verzoening te vertonen. Maar de wederzijdse eisen daartoe lagen aanvankelijk nog veel te hoog en er volgden jaren van onderhandelen, tenslotte met deelname van belanghebbende buitenlandse bemiddelaars, waaronder Frankrijk en Engeland.

===== De Treves of het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) =====
Onder het bestuur van de aartshertogin Isabella en haar gemaal Albrecht braken voor de Nederlanden thans in het algemeen weer jaren van relatieve rust en welvaart aan. Deze toestand werd in 1609 vastgelegd in een verdrag met de Republiek, de ''Treves'' of het [[Twaalfjarig Bestand]], dat op 9 april in Antwerpen werd ondertekend. De Staten Generaal van de Republiek verlangden vooraf officiële erkenning van hun autonomie en na lange onderhandelingen via de bemiddelaar [[Jan Neyen]] stemden Albrecht en Isabella hierin toe, zij het met de nodige reserves. Op 12 april 1607 werd een staakt-het-vuren van acht maanden te lande overeengekomen, dat werd uitgebreid tot de vijandelijkheden op zee, en meerdere malen verlengd om verder onderhandelen toe te laten.

Tijdens de vergaderingen bleek in de Republiek algauw de aanwezigheid van twee facties. Hun geschil was zowel van religieuze als van politieke aard. [[Maurits van Oranje]], zoon van wijlen Willem van Oranje, wist zijn militaire macht beknot en bleef weg op de vredesbesprekingen, maar gaf het leiderschap van de republikeinse delegatie aan zijn neef [[Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg]], de stadhouder van [[Friesland]], [[Groningen (provincie)|Groningen]] en [[Drenthe]], terwijl [[Johan van Oldenbarnevelt]] als [[landsadvokaat]] en [[raadspensionaris]] de verdediging van de Republiek waarnam. De delegatie van de Spaanse Nederlanden zelf werd geleid door de Italiaanse markies [[Ambrogio Spinola]], bijgestaan door [[Jean Richardot]], staatssecretaris Neyen, Don [[Juan de Mancicidor]], en ''auditeur'' [[Louis Verreycken]]. De Spaanse koning had geen eigen delegatie, maar de gezanten van de aartshertogen waren bevoegd op zijn gezag te negotiëren.

De eigenlijke vredesonderhandelingen startten op 7 februari 1608 in het [[Binnenhof (Den Haag)|Binnenhof]] te Den Haag maar liepen vast op 25 augustus, vanwege onverzoenlijkheid inzake kwesties van overzeese koloniale handel en van religievrijheid. De Franse en Engelse bemiddelaars slaagden er echter in beide partijen tot een voorlopig akkoord te brengen, dat werd neergelegd in de ''Treves''. Formele gesprekken daarover hervatten op 28 maart 1609 in het [[Stadhuis van Antwerpen]], waar beide partijen op 9 april hun handtekeningen zetten. De ratificatie zelf nam nog een hele tijd in beslag vanwege weerstand van Amsterdam, Delft en Zeeland, elk om eigen redenen, en ook waren verschillende overlegmissies nodig om uiteindelijk namens Filips III ook de aartshertogelijke toezegging te bekomen, die uiteindelijk volgde op 7 juli, waarmee de feitelijke onafhankelijkheid van de noordelijke provinciën erkend werd.
[[Bestand:Het Twaalfjarig Bestand in Antwerpen afgekondigd - Twelve Years' Truce declared in Antwerp (Frans Hogenberg).jpg|thumb|Afkondiging van het Twaalfjarig Bestand aan het Antwerps stadhuis. (<small>'' Michiel Collijn''</small>]]
Spoedig daarna kregen de gezanten van de Republiek in Parijs en Londen volle [[ambassadeur]]sstatus en werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt tussen de Republiek en Venetië, Marocco en het Osmaanse Rijk. Een netwerk van republikeinse [[Consul (Rome)|consul]]s werd opgezet in de belangrijkste havenplaatsen. En op 17 juni 1609 tekenden Frankrijk en Engeland een verdrag dat de onafhankelijkheid van de Republiek waarborgde.
Er waren nog enkele late uitvloeisels van de oorlog. Zo wilde de noordelijke Republiek geen katholieke Habsburgse macht aan de oostgrens. Daarom veroverde Maurits het gebied van [[Jülich|Gulik]], dat hij vervolgens aan de protestantse pretendenten, de vorsten van Brandenburg en Neubourg schonk. In opdracht van de aartshertogen veroverde op zijn beurt Spinola het gebied van [[Kreis Wesel|Wezel]], dat aan de katholiek geworden vorst van Neubourg die met een Habsburgse prinses gehuwd was, werd afgestaan.

Maar het Twaalfjarige Bestand zorgde voor een tijdelijke onderbreking in de oorlog tegen Spanje die in 1568 met de militaire invallen van Willem van Oranje was begonnen.

Door het bestand kwamen in 1610 in het noorden wel nieuwe godsdienstige tegenstellingen aan het licht. De volgelingen van de geestelijke [[Jacobus Arminius]] (1560-1609), de [[remonstranten]] of ''rekkelijken'', weken af op het punt van de [[predestinatie]], de [[vrije wil]] en de [[erfzonde]] van het kerkelijk-calvinistische belijden zoals dat was vastgelegd in de [[Nederlandse Geloofsbelijdenis]] en de [[Heidelbergse Catechismus|Heidelberger Catechismus]] en zetten zich af tegen bindende belijdenisgeschriften, waarin werd vastgelegd hoe men de Bijbel moest interpreteren. Hun opvattingen legden ze vast in de [[vijf artikelen van de remonstranten]]. Ze richtten zich tot de [[Staten van Holland en West-Friesland]] om steun te krijgen tegen hun uitsluiting van de publieke kerk. Daarmee was de zaak een politieke kwestie geworden. Volgelingen van [[Franciscus Gomarus|Gomarus]], de [[contraremonstranten]] of ''preciezen'', reageerden in 1611 op de remonstranten door hun geloof in zeven punten uiteen te zetten en tot een nationale synode op te roepen.
[[Bestand:Decaptitation of Johan van Oldenbarnevelt - Onthoofding van Oldenbarnevelt (Iustitie aen Ian van Oldenbarnevelt geschiet )(1619, Claes Jansz. Visscher).jpg|miniatuur|Terechtstelling van Van Oldenbarnevelt in Den Haag.]]
Ook op hoog niveau nam de tegenstelling toe, zoals bleek in het [[Maurits van Oranje#Conflict met Oldenbarnevelt|conflict met Oldenbarnevelt]], dat deze laatste uiteindelijk in 1617 met zijn leven moest bekopen, omdat hij qua buitenlandpolitiek altijd op Frankrijk gericht was, terwijl Maurits de Fransen wantrouwde en een hechtere band met Engeland wilde. De jaren daarna was de Republiek zowel op bestuurlijk als op militair gebied niet meer wat zij geweest was.

===== Katholiek reveil en economische wederopbloei onder de aartshertogen =====
De twaalf jaren dat het bestand standhield werden jaren van vrede en welstand in de [[Zuidelijke Nederlanden]] en voor het aartshertogenpaar twaalf gelukkige jaren: ze vertoefden vaak op hun buitenverblijven in [[Tervuren]] en [[Morlanwelz|Mariemont]], waar ze hun favoriete sport, de jacht, beoefenden. Vooral [[Isabella van Spanje|Isabella]] was erg populair onder de bevolking: de wat verlegen en soms in de omgang wat stijve Albrecht minder. Maar het land kon zich nu eindelijk van alle geleden schade herstellen. Zo gelastten de aartshertogen heraanleg van het door overstromingen verloren land en nieuwe inpoldering. Ook de [[De Moeren (polder)|Moeren]] in het tegenwoordige [[Frans-Vlaanderen]] werden door [[Wenceslas Cobergher|Coeberger]], hofarchitect van de [[aartshertog]]en die ook hun financier was, drooggelegd tussen 1620 en 1622.

Herstel van de landbouw leidde tot een lichte bevolkingstoename na tientallen jaren van demografisch verlies. Restauratiewerken aan kerken en andere gebouwen deden de vraag naar werkkracht rijzen. De nijverheid en in het bijzonder de handel in luxegoederen herstelden zich. Omdat de lonen lager waren dan in de [[Republiek der Verenigde Nederlanden|Republiek]] zorgde dit voor een toevloed aan werkkrachten in vooral de textielnijverheid en de brouwerijen. Maar de internationale handel bleef gebukt gaan onder de voort durende [[blokkade van de Schelde]] door het noorden.

Ook staatkundig en juridisch veranderde er veel. Op 12 juli 1611 werd onder het burgerlijk recht het [[Eeuwig Edict (1611)|Eeuwig Edict]] uitgevaardigd als eerste aanzet tot een algemeen [[wet]]boek in de Zuidelijke Nederlanden. Hiermee regelden aartshertogen Albrecht en Isabella de rechtszaken in alle [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]], gekoppeld aan centrale bindende regels. Plaatselijke rechtsgewoonten moesten worden gehomologeerd door [[Justitieraad|justitieraden]]. Hierbij werden de familienamen vastgelegd en kerken verplicht doops-, huwelijks- en overlijdensregisters aan te leggen.

[[Bestand:Anvers Maison Rubens.JPG|miniatuur|De binnenplaats van het Rubenshuis]]
1611 was ook het jaar van de bouw van het [[Rubenshuis]] in [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] (tot 1627), door renovatie van het originele deels verwoeste woonhuis van 1550. [[Peter Paul Rubens]] had zich in 1608 definitief in de stad gevestigd toen hij terugkeerde uit Italië. Hij werd er officieel stadsschilder, en ontwerper voor de [[Archieven van de Officina Plantiniana|Officina Plantiniana]] (Plantin & Moretus), en trad op als hofschilder van Albrecht en Isabella.
[[Bestand:Rubens Kreuzaufrichtung1.JPG|miniatuur|De [[Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (Antwerpen)|kathedraal van Antwerpen]] bezit nog steeds twee beroemde [[Triptiek (schilderij)|drieluiken]] van de Vlaamse kunstschilder [[Peter Paul Rubens|Rubens]]: deze ''[[Kruisoprichting (Rubens)|De Kruisoprichting]]'' uit 1609-1610 en ''[[Kruisafneming (Rubens)|De kruisafneming]]'' uit 1612. Daarnaast zijn er nog twee andere schilderijen van dezelfde meester: ''[[De Verrijzenis van Christus]]'' uit 1612 en ''[[De Hemelvaart van Maria]]'' uit 1626.]]
Ook andere prestigieuze projecten gingen van start. Zo had reeds in 1609 de eerste steenlegging plaats van een [[Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel|bedevaartkerk voor Onze Lieve Vrouw]] van Scherpenheuvel, ontworpen door architect [[Wenceslas Cobergher|Wenceslas Coeberger]].

In 1613 werd onder aartshertogelijk initiatief aangevangen met een kanaalverbinding tussen [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] en de Vlaamse Noordzeehavens om zo de gevolgen van de afsluiting van de Schelde (door de Noordelijke Republiek) te minimaliseren. Deze kanalen kwamen er uiteindelijk wel, maar door tolheffing was er nog niet direct een economisch voordeel. Het kanaalsysteem verbond Oostende via Brugge met de Schelde in Gent en verder met de Maas en de Rijn tussen [[Venlo]] en [[Rheinberg]].

Als eenheidsmunt voor de Spaanse Nederlanden werd de [[dukaton|dukaat]] ingevoerd met een waarde van 60 [[stuiver]]s. Ook werden op initiatief van Albrecht leningsmaatschappijen ("''[[Mont de Piété|Monti di Pietà]]''") opgericht, vooral bedoeld om de handel te ondersteunen, maar tevens om de armoede in de steden te bestrijden. Het was een netwerk dat op het Italiaans model was gebaseerd.

Het aartshertogenpaar zette zich vooral in voor het consolideren van de nieuwe geest die door het katholicisme waaide met de [[contrareformatie]]. De aanwezigheid van protestanten werd geduld, voor zover zij hun eredienst niet in het publiek hielden, zoals dat in de Noordelijke Nederlanden aan de katholieken evenmin was toegestaan. Religieuze debatten waren nu ook bij wet verboden. Een nieuwe generatie van bekwame rechtgeaarde bisschoppen werd benoemd met confessionalisering van de bevolking tot gevolg.

De [[Kerkprovincie België|kerkelijke Provincie België]], die reeds in 1564 van de Rijnprovincie werd afgescheiden, was in 1612 zo belangrijk geworden, dat men ze in twee moest splitsen. Daarbij werd noch met de bestuurlijke, noch met de staatkundige verdelingen rekening gehouden. Het jezuïetengezelschap, dat invloed op het volk wilde uitoefenen, verdeelde zijn krachten volgens de taalgrens die het land in twee bijna gelijke delen sneed. De Vlaamse gewesten, zowel de Vlaamstalige als die van het bisdom Luik, maakten de [[Vlaams-Belgische Provincie]] uit, terwijl de Waalse, waaraan de Duitse districten van Luxemburg verbonden werden, de [[Gallisch-Belgische Provincie]] vormden. Het onderwijs werd sterk gestimuleerd en nieuwe scholen opgericht. Het aantal jezuïetenscholen in de katholieke Nederlanden was naar verhouding het hoogst van heel Europa in die tijd. Hun voortreffelijk pedagogisch stelsel, de zorg voor opvoeding en lichamelijke vorming, hun gemoedelijke zachtzinnige omgang met de leerlingen, de gezonde en lachende inrichting van hun colleges, helemaal anders dan de ongezonde, onvriendelijke scholen die men tot dan gekend had, deden hen als modelleraren doorgaan. Om ze naar hun stad te lokken, schonk de magistraat hun tenslotte niet alleen gebouwen of gronden, maar hief ook nog taksen in hun voordeel of betaalde een deel van de kosten voor de bouw van hun kloosters of kerken zelf. [[Dowaai]], het meest bloeiende centrum, telde in 1600 al vierhonderd leerlingen in de humaniora, zeshonderd in de wijsbegeerte en honderd in de godgeleerdheid van het college.

Wel werden de rederijkerskamers onder druk van de jezuïtische censuur aan banden gelegd. In het kader van de contrareformatie hadden zij ook al een [[heksenjacht]] opgezet en waren grote voorstanders van de [[Heksenvervolging in Europa|massa-heksenprocessen]] die in 1590 op gang kwamen. Reeds in 1573 hadden de paters de in 1563 te Rome gestichte [[Congregatie der Heilige Maagd]] naar Dowaai overgebracht. Deze verspreidde zich weldra in al hun onderwijscolleges, vanwaar zich de [[Mariacultus]] dankzij gewezen scholieren van begin 17e eeuw onder de stedelijke bevolking voortzette. De congregationisten hadden zich rond elk college als godsvruchtige beschermelingen in ‘kameraadschappen’ of gilden verenigd.
Alle middelen om de godsvrucht te vergroten: de novenen, de votieven, de verering van miraculeuze beelden, de biecht, werden in deze tijd door de jezuïeten onder het volk verspreid. Ook de [[catechisatie]], die even talrijk werd gevolgd als hun colleges. Uit hun midden is het belangrijk zeventiende-eeuws historisch werk, de verzameling [[Acta Sanctorum]] afkomstig.

[[Bestand:Procession 2006 - n°6.JPG|miniatuur|[[Processie]] met zwarte madonna]]
In hun voetspoor volgden [[capucijnen]] en [[recollecten]], die de jezuïeten van de armen worden genoemd. In dit godsdienstig leger, door de vernieuwde katholieke ijver in de Zuidelijke Nederlanden bijeengebracht, waren de vrouwen bijna zo talrijk vertegenwoordigd als de mannen. Naast de oude [[Begijnhof|begijnenhoven]] boden thans ook de kloosters van carmelietessen, brigittijnen, annonciaden, ursulinen, franciscanernonnen en clarissen godvruchtige vrouwen een toevlucht, inspireerden ze tot het vurigste mysticisme, en verschaften ze nieuwe werkzaamheden.

Het spreekt vanzelf, dat het grote voorbeeld door het hof zelf gegeven werd. Dit wekte weldra de navolging van de adel, om vervolgens bij het volk in zwang te komen. Zo bezochten de vorsten op 31 augustus 1599 reeds het [[Christelijke bedevaart|bedevaartsoord]] te [[Halle (Vlaams-Brabant)|Halle]] bij Brussel, een centrum van Mariaverering, waar tot op vandaag het beeld van de ''[[Diva Virgo Hallensis]]''<ref>zie [[Sint-Martinusbasiliek (Halle)#Beeld van de Onze-Lieve-Vrouw van Halle|Beeld van de Onze-Lieve-Vrouw van Halle]]</ref>, de [[zwarte madonna]] uit ca. 1250, afkomstig van de [[Elisabeth van Thüringen|heilige Elisabeth]], boven het priesterkoor van de kerk uit torent. Ongetwijfeld heeft [[Justus Lipsius]] toen hij zijn traktaat onder die naam publiceerde de bijzondere devotie van de aartshertogen tot [[Onze-Lieve-Vrouw]] opgemerkt: onder invloed van het ideeëngoed van het [[Concilie van Trente]] en gesteund door de jezuïeten voerden zij een kerkpolitiek om de aloude Mariaverering in de Zuidelijke Nederlanden te bevorderen. Meer dan eens stelden zij voor een goede afloop van hun militaire ondernemingen in Maria, de [[Theotokos|Moeder van God]], hun vertrouwen, zoals voor het beleg van Oostende (1601-1604), dat voor hen gelukkig afliep, waarna zij besloten uit dankbaarheid Scherpenheuvel in te richten als een stad voor Maria, inclusief de plannen voor de nagelnieuwe bedevaartkerk. Zij brachten dagelijks verscheidene uren biddend door en deden nadien elk jaar een noveen te O.-L.-Vrouw van Scherpenheuvel, waar de basiliek door hen bekostigd weldra een der beroemdste heiligdommen van het land werd.

[[Bestand:Belgie scherpenheuvel basiliek02.jpg|miniatuur|[[Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel]].]]
[[Bestand:Kapelletje Megelsum.JPG|miniatuur|Wegkapelletje te Meerlo (Nederlands-Limburg)]]
En toen de vertrouweling van de [[Theresia van Ávila|heilige Theresia]], pater Hieronymus Gratianus, door de Nederlanden reisde, werd hij in het paleis te Brussel geherbergd. In 1623 liet Isabella de [[annonciaden]], die zich door haar toedoen te Gent gingen vestigen, met de hofrijtuigen naar die stad voeren. Samen met de aartshertog bracht zij talloze bezoeken aan kloosters, woonde de eerste steenlegging van kerken bij, sprak bij schepenen ten gunste en steunde nieuwe religieuze initiatieven ook financieel. De burgerij koesterde dezelfde gevoelens en velen deden uit overtuiging of vleierij schenkingen om het patrimonium weer op te bouwen en uit te breiden. Tal van recollectenkloosters werden door edelen gesticht, bijvoorbeeld die van Florennes, Barbençon, Bastenaken, Borgworm, Verviers, Ulflingen enz.

Het was in deze tijd dat overal op het platteland [[kapelletje]]s, vaak als votiefaltaren, werden opgericht, veelal op oude cultusplaatsen zoals [[boomheiligdom]]men waar door de inquisitie verboden vruchtbaarheidsrituelen hadden plaats gevonden, die de oude generatie nog in het geheugen lagen. Maar ook op straathoeken in de steden en overal langs Vlaamse wegen, en eveneens Waalse, kwam men dergelijke afbeeldingen van de Heilige Moedermaagd tegen, vaak met de inscriptie AVM (''Ave Maria'') en gewijd aan ''O.L.V. van Eeuwige Troost'' en ''van Eeuwige Bijstand''. In deze tijd van heksenvervolgingen was voor veel vrouwen, maar ook mannen, de [[Mariaverering|Mariacultus]] een veilige toevlucht voor hun oude devotie geworden. Gebedsteksten, religieuze liederen en litanieën werden aangepast, opgesteld en uitgebreid volgens de nieuwe canon en in processies en vieringen gebruikt. [[Justus Lipsius]] schreef Latijnse verzen ter ere van de ''Diva Virgo Hallensis'', de goddelijke maagd van Halle. Religieuze gebouwen verschenen als paddenstoelen uit de grond tijdens het katholieke reveil in het zuiden. Vooral de Mariaverering was een doorn in het oog van de protestanten en de beeldenstormers geweest.

Sinds koningin Elisabeths regering vergrootte de uitwijking van Engelse en Ierse katholieken het reeds aanzienlijk aantal Belgische kloosters. In 1592 vestigden de Engelse jezuïeten zich te [[Sint-Omaars]] in huidig Frans-Vlaanderen. Kort daarop stichtten zij een standplaats te Watten en in 1613 een college te Luik. In 1614 werd een college in Namen gesticht. Al in 1607 liet de abt van Sint-Waast zelf te [[Dowaai]] de kerk der Engelse benedictijnernonnen oprichten. In 1613 werden op aanbeveling van het aartshertogelijk hof de Engelse recollecten in die stad ontvangen. Antwerpen had al in het begin van de 17e eeuw een Iers college en een klooster van Engelse theresianen, Leuven een Iers seminarie, Brussel een klooster van Engelse benedictijnernonnen. Deze laatsten vindt men ook te Kamerijk en te Duinkerken. Ieper kreeg Ierse benedictijnernonnen en verder trof men Schotse jezuïeten en kloosters van Britten te Dowaai en te Rijsel, Engelse clarissen te Gravelingen enz. Van 1597 tot 1631 steeg te Leuven de bevolking der kloosters en universiteitscolleges alleen al van 1.600 naar 2.180 personen.

De religieuze proliferatie van gebouwen werd van dien aard dat later, vanaf 1630, het stichten van nog nieuwe dergelijke gebouwen bij plakkaat werd verboden. Maar al die tijd was de welstand van zowel de religieuze als de seculiere sector alsmaar toegenomen. De handel bloeide weer en ook de nijverheid was tot nieuwe hoogtepunten gekomen evenals de kunst.

In 1619, toen het einde van het [[Twaalfjarig Bestand]] in zicht kwam poogden de [[aartshertog]]en Albrecht en Isabella het dan ook in een vredesverdrag om te zetten. Hierbij moest koning [[Lodewijk XIII van Frankrijk]] als bemiddelaar optreden. Een commissie met [[Ambrogio Spinola|Spinola]], drie Spaanse officieren en [[Lijst van kanseliers van het hertogdom Brabant|kanselier]] [[Pieter Peck|Peckius]] van [[Hertogdom Brabant|Brabant]] werd samengesteld om de voorstellen uit te werken. De poging liep echter op niets uit, omdat de Republiek andere belangen had en te hoge eisen stelde.
In het noorden maakte men van de wapenstilstand gebruik om zowel de koopvaardijvloot uit te breiden als een marinevloot te ontplooien, en om in de controle van Zuid-Azië een voorsprong op de Engelsen te nemen.

===== De Hollandse Gouden Eeuw (1602/9-1672) =====
{{Zie hoofdartikel|Gouden Eeuw (Nederland)}}
[[Bestand:Hendrick Cornelis Vroom Het uitzeilen van een aantal Oost-Indiëvaarders (1600).jpg|miniatuur|''Uitzeilen van Oost-Indiëvaarders'' (1600), [[Hendrik Cornelisz. Vroom]].]]
Eerste voorwaarde voor bloei en welvaart was ook voor de [[Noordelijke Nederlanden|noordelijke provinciën]] rust en vrede. Sedert meer dan 20 jaar nu gold vooral voor Holland en Friesland hun grote veiligheid achter de brede voormuur, gevormd door de andere provinciën van het noorden en de veroverde delen van Brabant en Vlaanderen. Daarmee samenhangend had de wereldhandel zich hierheen verplaatst, die weldra landbouw en nijverheid in betekenis ver overtrof.
Het intstrument van de welvaart der Verenigde Provinciën was hun grote vrachtvaart, begunstigd door de ligging aan de monding der grote rivieren en aan de verbindingsweg tussen Zuid- en Noord-, Oost- en West-Europa, door hun relaties met [[Indië (regio)|Indië]]. Meer dan 20.000 schepen waren in de vaart: driemaal zoveel als het toenmalige Engeland. [[Amsterdam]], dat de handel van Antwerpen en Lissabon naar zich toe had getrokken, thans een stad van meer dan 100.000 inwoners en nog steeds toenemend, zodat het spoedig aanzienlijk vergroot moest worden, was sedert de ‘[[Alteratie van Amsterdam|alteratie]]’ van 1578 onder leiding van een energieke koopliedenregering de grootste handelsstad van de christenwereld. Geregeld onderhielden 40 schepen er de vaart op Indië en tweemaal per jaar zeilden aanzienlijke vloten van 7 à 800 schepen naar de [[Oostzee]], en daarenboven ook nog de talrijke vrachtvaarders langs de Engelse, Franse, Spaanse, Duitse en weldra Italiaanse kusten, tot in de [[Levant]] toe.

[[Bestand:VOC Amsterdam.jpg|miniatuur|Replica van het VOC-spiegelschip ''Amsterdam''.]]
De [[Vereenigde Oostindische Compagnie]] vormde één der vaste grondslagen voor de handelsbloei der Nederlandse gewesten. Dividenden voortspruitend uit de behaalde winsten, in producten en geld samen toen al op niet minder dan 162% geraamd, werden vanaf 1610/11 uitgekeerd. De Staten-Generaal beschermden haar, zoals vader en zoon [[Isaac Lemaire|Isaac]] en [[Jacques Lemaire]] mochten ondervinden. Zo ook de Antwerpenaar [[Willem Usselincx]], die al van 1591 af poogde de ''[[West-Indische Compagnie]]'' op te richten. Later zou ook de [[Oostendse Compagnie]] de nodige weerstand ondervinden.
De zouthandel, belangrijk voor de visserij, hield honderden vaartuigen en duizenden handen bezig, tot groot voordeel van [[Enkhuizen]] en andere havens. Sedert het einde van de 16e eeuw waren de Nederlanders ook in de [[Noordelijke IJszee]] verschenen, en in 1612 begonnen zij zich toe te leggen op de [[walvisvangst]], waarin de Engelsen hen een paar jaren vroeger waren voorgegaan, wat ook tot hevige betwistingen leidde.

Holland nam ook de handel in bulkgoederen tussen Europese landen van de [[Hanze]]steden van ruim een eeuw tevoren over. [[Rotterdam]] werd allengs de tweede grote handelsstad, mede ten gevolge van Antwerpens [[Blokkade van de Schelde|geforceerd verval]], en groef zijn nieuwe havens uit. [[Dordrecht (Nederland)|Dordrecht]] bloeide door de herboren hout- en wijnhandel langs de Rijn en op Frankrijk. [[Leiden]] was door de stroom Waalse en Vlaamse emigranten weer tot een centrum voor [[lakennijverheid]] verheven. [[Haarlem]], [[Delft]], [[Gouda]] werden van landsteden met enige industrie tot industriële middelpunten van betekenis.<br />
Als vanouds deden tal van schepen twee tot driemaal van april tot september de reis uit Vlie, Texel en de Maasmonden naar de Oostzee. Zij brachten rijke ladingen koren, hout, was, koper, pelsen van daar mee, waarvoor zij zout, Spaanse wijnen, zuidvruchten, boter en kaas als lading hadden aangevoerd. Naast de [[handel]] was de daarmee nauw samenhangende [[nijverheid]] van belang. De oude takken van nijverheid, de lakennering, bierindustrie en andere, die al sedert de 14e eeuw in de gewesten hadden gebloeid, maar nu in de Zuidelijke Nederlanden teloor waren gegaan, bleven in het noorden een voorname plaats innemen. De lakenfabricage was sterk vooruitgegaan door de immigratie van zovele nijveren uit Vlaanderen en Brabant, met name te Leiden, Amsterdam, Haarlem en Delft. Houtzagerij, zeilenmakerij en touwslagerij verschaften velen werk in alle zeeplaatsen, zelfs tot diep het land in. Het pekelen van levensmiddelen, de zoutnering in het algemeen voor de haring, en het verpakken van dit artikel, gaf aan duizenden een bestaan en nog tal van andere, kleinere industrieën hingen met de zeevaart samen.<br />
Zowel de handel als de visserij van Holland en Zeeland wekten evenwel de na-ijver van de concurrerende Engelsen, wat uiteindelijk ernstige gevolgen had, zodat in 1618 slechts met grote moeite een openlijke breuk tussen Engeland en de Staten werd voorkomen.

Het was vooral de bloei van deze provinciën die ook in de andere gewesten een krachtige invloed ten goede deed gevoelen, al zagen [[Staats-Vlaanderen]] en [[Staats-Brabant]], als wingewesten beschouwd en bestuurd, hun belangen voortdurend schromelijk verwaarloosd, en werden deze zelfs geëxploiteerd.

[[Bestand:Emanuel de Witte - De binnenplaats van de beurs te Amsterdam.jpg|miniatuur|De Amsterdamse effectenbeurs.]]

In 1609 werd de [[Amsterdamse effectenbeurs|Beurs van Amsterdam]] opgericht (een eeuw eerder dan de tegenhanger in Londen), die samen met de in hetzelfde jaar opgerichte [[Amsterdamsche Wisselbank]] van deze stad spoedig het financiële centrum van Europa zou maken.
Sterke aanwijzingen voor de welvaart van de provinciën Holland en Zeeland vormden de talrijke droogmakerijen en bedijkingen uit deze tijd evenals de drooglegging van veenplassen en meren in Holland boven en beneden [[het IJ]]. Het veen, door het eeuwenlange turfgraven uit de plassen verwijderd of door de natuurlijke werking van water en wind uit de meren weggeslagen, liet een vruchtbare kleibodem achter, die bij de snelle toename van de bevolking algauw ook op het platteland tot droogmaking en bewerking aanzette. Overal werden watermolens geïnstalleerd. Allengs verrezen de verdronken landen van wat sedert Maurits' veroveringen [[Staats-Vlaanderen]] genoemd werd, van de eilanden in de monden van Maas en Schelde weer op uit de vloed, nadat zoals in het zuiden ook hier de bedijkingen waren verstevigd. Vooral [[veeteelt]] werd de hoofdbezigheid van de Hollandse en Zeeuwse polderboeren, aangezien de zware kleigrond zich daarvoor beter leende dan voor het verbouwen van veldvruchten, wat eerder in het duinengebied plaatsvond.

In het zuiden bleef intussen de [[Antwerpse Schilderschool]] ondanks de vele verwoestende oorlogen die in deze eeuw op het grondgebied van de Zuidelijke Nederlanden werden uitgevochten, voort inspireren en telde nog tot het eind van de 17e eeuw een voorbeeldige groep schilders, beeldhouwers en bouwmeesters.<br />
Op gebied van literatuur en wetenschap was voor Holland het begin van de 17e eeuw een tijd van bloei. De [[Leidse Hogeschool]], gemiddeld reeds door 800 studenten bezocht, overtrof verre de andere inrichtingen van dien aard in deze gewesten, trok de beste krachten aan en was het middelpunt der geleerde studiën. Ook buiten de hogescholen bloeiden deze en veel takken van handel en industrie stonden ermee in nauw contact.<br />
De talrijke pamfletten, door de gebeurtenissen van de dag, vooral de theologische twisten uitgelokt, vonden in Holland zeer spoedig drukkers, die ze in duizenden exemplaren over het ganse land en daarbuiten verspreidden. De belangstelling van kooplieden en regenten, van de burgerij zelf, voor de politieke toestanden van Europa deed te Amsterdam de eerste wekelijkse couranten ontstaan.

[[Bestand:Oude rijn leiden 2003b.jpg|miniatuur|Koopmanshuizen in [[Leiden]].]]
De heersende welvaart strekte vooral de bouwkunst tot voordeel. In de welvarende steden van Holland en Zeeland, die al rijk aan kerkelijke en wereldlijke gebouwen uit een vroeger tijdperk waren, uitte zich omstreeks 1600 ook in dit opzicht de kunstzin van de burgerij. Raad- en gildehuizen, scholen, hallen en andere publieke gebouwen verrezen er op grote schaal. Het was de bloeitijd van de [[Hollandse Renaissance]]kunst, geënt op die der Italianen. Ook in andere provinciën verrezen naar Hollands model monumentale [[Raadhuis|raadhuizen]] zoals die te Vlissingen en Brouwershaven, te Bergen-op-Zoom en Venlo, te Franeker en Bolsward. [[Stadswaag|Stadswagen]] ook, zoals die te Leeuwarden, Oudewater en Nijmegen, gerechtshoven zoals dat te Groningen, hoofdwachten zoals die te Zwolle, poorten zoals de Kerkboog te Nijmegen, de Waterpoort te Sneek, en fraaie gevels aan menige nog tot op onze dagen overgebleven koopmans- of regentenwoningen.

De [[zedenschilder]]s beschrijven ons het Amsterdam van de dagen van [[Twaalfjarig Bestand|het Bestand]] nog als een stad van eenvoudige zeden met een actieve nijvere bevolking, plat van taal, ruw van toon maar nog weinig bedorven, afkerig van de ‘''[[Spaenschen Brabander]]''’, die de uitheemse manieren van de zuidelijke ‘''[[sinjoren]]''’ wil volgen, maar waar toch de weelde reeds haar intrede heeft gedaan en de ‘''rijkeluiskinderen''’ zich trots boven de ‘''gemeene burgerij''’ beginnen te rekenen.<br />
[[Bestand:Rapiere-Morges-2.jpg|miniatuur|17e-eeuwse rapier.]]
In Den Haag aan het hof van [[Maurits van Oranje|prins Maurits]] werd nog veel gedronken, ruwe taal gesproken en met het [[rapier]] gezwaaid onder de krijgsoversten die er leefden. Maar in de omgeving van zijn stiefmoeder, waar zijn broer [[Frederik Hendrik van Oranje|Frederik Hendrik]] verkeerde of in die van de gezanten van Frankrijk en Engeland, of van hoge staatsdienaren van de jonge staat begon een fijnere toon op te komen ontleend aan de hogere Franse kringen, waarnaar de Statenleden, die periodiek in Den Haag verschenen, vooral de Hollandse, zich begonnen te richten. De Franse stiefmoeder van Frederik Hendrik [[Louise de Coligny]] bracht de eerste staatsiekoets in de Noordelijke Nederlanden. Met de fijnere Franse zeden deden echter ook schadelijke uitwassen hun intrede zoals het [[tweegevecht|duel]], zij het voorlopig nog alleen in militaire kringen, terwijl het toch reeds tijdens het Bestand nodig werd geacht om er plakkaten tegen uit te vaardigen.

Politiek gezien was het [[Johan van Oldenbarnevelt]] die in hoge mate zijn stempel op het bestel drukte zoals dat tijdens de eerste decennia na de moord op Willem van Oranje vorm kreeg. Tot aan zijn terechtstelling door [[Maurits van Oranje]] was hij de onweersproken politieke leider die de fundamentele beslissingen inzake buitenlands beleid nam. Steeds stond voor hem het belang van Holland voorop. In financieel opzicht waren alle gewesten van Holland afhankelijk. Onwillige provincies werden vroeg of laat tot de orde geroepen.

Tijdens de [[Dertigjarige Oorlog]], die voor een deel met de [[Tachtigjarige Oorlog#Hervatting van de strijd (1621-1648)|tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog]] samenviel, was er sprake van stagnatie in sommige sectoren, in andere van groei. De economie trok na 1648 weer aan met vooral voor de nijverheid voorspoedige jaren. Maar gedurende de [[Hollandse Oorlog]] werd de Republiek door de andere mogendheden onder de voet gelopen en brak niet alleen paniek maar ook een algemene crisis uit. Kunsthandelaren en -schilders gingen failliet aan de gevolgen. Veel bestuurders aan de kant van de nog leidende partij van [[staatsgezinden]] werden gedwongen hun posities aan [[Orangisme (Republiek)|prinsgezinden]] af te staan, zodat voor de Republiek aan het [[Eerste Stadhouderloze Tijdperk]] een eind kwam. Na het [[rampjaar]] 1672 was de Gouden Eeuw over zijn hoogtepunt en begon een periode van relatieve economische neergang gevolgd door consolidatie.

Het einde van de Gouden Eeuw brak aan toen te midden van de opkomst van andere mogendheden een dure wapenwedloop behoorlijk op de staatskas van de Republiek ging wegen. De economische neergang van de Nederlandse economie met alle gevolgen van dien was echter al vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw zichtbaar, nadat deze tussen 1647 en 1672 haar hoogtepunt had bereikt. De inter-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht aan het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op.

===== Vereenigde Oostindische Compagnie (1602-1799) =====
{{Zie hoofdartikel|Vereenigde Oost-Indische Compagnie}}
[[Bestand:StateLibQld 1 117460 Duyfhen (ship).jpg|miniatuur|Het ''Duyfken'']]

Tussen 1498 en 1595 was de [[specerijenhandel]] op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke [[Verdrag van Tordesillas]]. Maar talrijke matrozen afkomstig uit zowel de Zuidelijke als de Noordelijke Nederlanden voeren mee en kenden de weg.
Samen met [[Petrus Plancius|ds. Plancius]]<ref>{{Aut|A. Algra en H. Algra}}, ''Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden''. Deel 4, uitgeverij T. Wever, Franeker 1978 (achtste druk) p.14</ref> richtten in 1594 negen [[Amsterdam]]mers de [[Compagnie van Verre]] op, een voorloper van de [[Vereenigde Oostindische Compagnie]], om een reis naar Indië te financieren. Ze brachten daarvoor een kapitaal van 300.000 florijnen bijeen. Op 2 april 1595 vertrok dan de [[Eerste Schipvaart|eerste expeditie]] van de Compagnie van Verre onder leiding van [[Frederik de Houtman]] en [[Pieter Keyser]] met het ''[[Duyfken]]'' naar Oost-Indië. Ze kwamen een jaar later aan in Bantam, op 26 juni en voelden er de concurrentie van de Portugezen.

Twee jaar later, in 1597, keerde de expeditie onder [[Cornelis de Houtman]] naar Oost-Indië in Amsterdam terug. Hoewel de tocht commercieel geen succes was en er slechts 87 overlevenden waren van de 240, bleek dat men Portugal niet meer nodig had voor specerijen en werden algauw een groot aantal expedities vanuit de Noordelijke Nederlanden naar Indië gestuurd. In een tijdsbestek van zeven jaar werden twaalf verschillende compagnieën opgericht.

[[Bestand:Voc.jpg|miniatuur|Scheepswerf van de Oostindische Compagnie in Amsterdam, circa 1750 met op de achtergrond de touwslagerij.]]
[[Bestand:VOC duit.jpg|thumb|150px|Twee kanten van een [[duit]], een munt uit 1735 door de VOC geslagen.]]
[[Bestand:VOC stone.jpg|miniatuur|Het VOC [[monogram]] dat boven de ingang van het [[Kasteel de Goede Hoop]] hing.]]
[[Bestand:Anonymous The Noord-Nieuwland in Table Bay, 1762.jpg|{{Largethumb}}|Anoniem schilderij met de Tafelberg op de achtergrond. (1762)]]
[[Bestand:Waere affbeeldinge Wegens het Casteel ende Stadt BATAVIA gelegen opt groot Eylant JAVA Anno 1681.jpg|{{Largethumb}}|Batavia omstreeks 1681.]]
[[Bestand:Lijnbaan oost-indische compagnie oostenburgergracht amsterdam.jpg|{{Largethumb}}|De [[lijnbaan van de Vereenigde Oostindische Compagnie]] in [[Amsterdam]] vandaag.]]
In 1602 gingen er zes daarvan over in de [[Vereenigde Oostindische Compagnie]], opgericht met als doel het beschermen van de handel in de [[Indische Oceaan]] en bij te dragen in de onafhankelijkheidsoorlog met Spanje. Het originele VOC-octrooi dateerde van 20 maart 1602 en regelde de participatie in het bestuur, verdeling van inbreng en winsten voor de helft in Amsterdam, een vierde in Zeeland en elk een achtste voor Overmaas, Noord-Holland en West-Friesland. De kosten voor de aanvraag van het octrooi bedroegen 25.000 [[Vlaamse pond]], maar dit werd nooit betaald.

Het voortbestaan van de O.I. Compagnie, die in de wereldhandel door aanvoer van Indische producten zo'n aanzienlijke plaats innam, was voor 1609 nog allesbehalve verzekerd. Na het sluiten van [[Twaalfjarig Bestand|het Bestand]] echter, toen de Compagnie door de geheime bepaling omtrent de Indische handel op een vaste grondslag berustte, sloeg zij haar vleugels breed uit.

De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen de dagelijkse leiding, terwijl het centrale bestuur in handen kwam van de "[[Heren XVII]]". Een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde zetelde in [[Den Haag]]. Dit was het [[Haags Besogne]]. Vanaf 1609 was er ook een plaatselijke bestuur in Indië in handen van de [[Raad van Indië]] die in principe verantwoording schuldig was aan de Heren XVII. Omdat een brief echter drie tot vier jaar onderweg was, genoten zij in de praktijk ruime zelfstandigheid.

De VOC richtte een intra-Aziatisch handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de [[Indië (regio)|Aziatische regio]] dat vele jaren voor grote winsten zorgde. In de beginjaren werd ook zwaar geïnvesteerd in een oorlogsvloot om voet aan wal te krijgen in Azië. Daartoe had de VOC een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. [[Stadhouder]] [[Willem IV van Oranje-Nassau|Willem IV]] werd In 1749 tot opperbewindhebber aangesteld. Binnen de Aziatische [[factorij]]en en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie ook bestuur en rechtspraak.

De Compagnie stimuleerde ontdekkingsreizen met het oog op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en -producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de plaatselijke bevolking te brengen en [[etnobotanie|etnobotanisch]] onderzoek om het aantal slachtoffers van ziekten onder haar werknemers te beperken.

De VOC-bewindhebbers zagen zich in 1610 genoodzaakt om voor het eerst dividend uit te keren om de aandelenkoers te laten stijgen. In 1622 voerde een groep participanten oppositie tegen hen. Een aantal van de heren had een complete voorraad handelsgoederen opgekocht, noch voordat die de republiek had bereikt.<ref>Dudok van Heel, S.A.C. (2008) Van Amsterdamse burgers tot Europese aristocraten, p. 155.</ref> De aandeelhouders beschuldigden nu de bewindhebbers van wanbeheer, zelfverrijking, belangenconflicten en stelden een gebrek aan financiële openheid aan de kaak. Vanaf 1647 werden de bewindhebbers, evenals het kantoorpersoneel vast bezoldigd.

Aanvankelijk voeren de schepen op de heenreis met een [[Ballast (verzwaring)|ballast]] van bakstenen, omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, en werd de handel veelal met goud en zilver betaald, vanuit Europa, Arabië, Zuid-Amerika of Japan aangevoerd, of met in India gekochte zijde en textiel.
Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, de "Indische buitenhandel" genoemd, werd door gouverneur-generaal [[Jan Pieterszoon Coen]] (1587-1629) gepropageerd om het tekort te ondervangen van edele metalen en contanten. Ruil van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend.

In 1619 herdoopte de Compagnie Jacatra tot [[Batavië]] (huidige Jakarta) en gebruikte het als uitvalsbasis bij de verovering van Java.
Om over de wateren tussen [[Kaap de Goede Hoop]] en de [[Straat van Magellaan]] een [[monopolie]] te verwerven voerde Coen oorlog tegen Europese rivalen en Indische vorsten. Medewerkers moesten een eed van trouw afleggen aan de Raad van State. De pogingen van de [[Britse Oost-Indische Compagnie]] om een aandeel te krijgen, werden door hem zoveel mogelijk gedwarsboomd. Onder [[Anthony van Diemen]] (1636–45) en Coen (1618–23) werd de Britse vloot verslagen en In 1622 gaf hij opdracht om de Portugezen met geweld uit [[Macau]] te verjagen. De Portugese verdediging bleek echter sterker dan gedacht en de aanval werd een mislukking. Vervolgens werd een fort gebouwd op de nabije eilandengroep [[Pescadores]] in de [[Straat van Taiwan|Straat Formosa]] om van daaruit op China handel te drijven, maar omdat de Chinezen weinig interesse toonden, werd besloten langs de Chinese kust te gaan roven. Als tegenreactie vielen de Chinezen de VOC op de Pescadores aan. Na een beleg van enkele maanden moesten de Hollanders zich overgeven en verkasten naar een zandbank vlakbij het nog verder van de kust gelegen [[Nederlands-Formosa|Formosa]]. In 1633 had opnieuw strijd plaats over wie de baas was in de Straat Formosa. Deze [[Zeeslag bij de baai van Liaoluo]] werd eveneens door de Chinezen glansrijk gewonnen.

De Portugezen werden in 1658 van [[Ceylon (VOC-gebied)|Ceylon]] verdreven waardoor de handel in [[Olifanten|olifant]]en en [[kaneel]] volledig in handen van de VOC kwam. Rond 1670 introduceerde de VOC op de Coromandelkust massaproductie van [[opium]] voor verkoop op Java, India en China.<ref name="Derks">{{Aut|Derks, Hans}} (2012): ''History of the Opium Problem: The Assault on the East, ca. 1600 - 1950'', Brill, Leiden</ref>

Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met [[smokkel]] om hun karige salarissen aan te vullen. Tot 1690 stegen de winsten en ook de kosten en na 1692 daalden de winsten en namen de lasten verder toe. Aan het einde van de zeventiende eeuw droogde de handel met Japan via Dejima grotendeels op en werd export van zilver en goud uit Japan verboden.

In 1745 werd de [[Amfioensociëteit]] opgericht die het monopolie op de opiumhandel op Java kreeg en tegen een vastgestelde prijs van de VOC een bepaalde hoeveelheid opium afnam. De sociëteit werd gerund door VOC-bestuurders, die er persoonlijke winsten uit haalden. Historicus Hans Derks noemt de VOC spottend de "''Violent Opium Compagnie''" <ref name="Derks"/>

Naast toenemende Britse en Franse invloed via de Engelse Oostindische Compagnie en de [[Franse Oost-Indische Compagnie]] had de VOC ook veel te lijden van de [[Vierde Engels-Nederlandse Oorlog]] (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten werden ingenomen en volle handelsschepen gekaapt. Aan het eind van haar bestaan werd de VOC door mensen bestuurd met onvoldoende commerciële ervaring, die geen reder waren en meestal ook nog nooit in [[Indië (regio)|Indië]] geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog retourschepen de republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. Twee jaar lang lag de handel stil.

Na de Franse inval en de oprichting van de [[Bataafse Republiek]] werden op 24 december 1795 alle bewindhebbers van hun taken ontheven en het dagelijkse bestuur overgenomen door het 21 leden tellend Comité tot het regelen van de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen.<ref>Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992), p. 23</ref> Na de oprichting van de Bataafse Republiek werd besloten dat de VOC per 1 maart 1796 genationaliseerd werd. De bewindhebbers werden per datum ontslagen. Het octrooi dat eind dat jaar zou aflopen, werd verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen en vervolgens voor een laatste keer tot 31 december 1799.

===== De West-Indische Compagnie (1621 - 1794) =====
{{Zie hoofdartikel|West-Indische Compagnie}}
Terwijl de Nederlandse ''Oost-Indië Compagnie'', zoals haar Engelse tegenhanger quasi soeverein zeggenschap verkreeg in de gebieden onder haar heerschappij, beliep de handelsopbrengst in de 17e en 18e eeuw slechts een fractie van de Nederlandse opbrengst door de Europese handel. De grote winsten van de cargovloten gingen naar de aandeelhouders.

[[Bestand:Pakhuiswic.JPG|miniatuur|Pakhuis van de WIC in Amsterdam]]
[[Bestand:Portrait of Johan Maurits (1604-1679), Count of Nassau-Siegen.jpg|miniatuur|Graaf/vorst van Nassau-Siegen]]
[[Maurits van Oranje|Stadhouder Maurits]] was voor het hernemen van de strijd met Spanje. In 1619 ontdeed hij zich van zijn voornaamste tegenstander [[Johan van Oldenbarnevelt]].
Toen twee jaar later de [[Twaalfjarig Bestand|wapenstilstand]] afliep, werd in 1621 door de [[Staten-Generaal van de Nederlanden|Noordelijke Staten-Generaal]] de West-Indië Compagnie (WIC) opgericht om in [[Afrika]] en in [[West-Indië]] te handelen. Eén van de pleitbezorgers en oprichters was [[Willem Usselincx]]. De WIC steunde op wankele economische grondvesten, maar het voornaamste doel was economische oorlog voeren tegen Spanje en Portugal op hun kolonies in West-Indië en [[Zuid-Amerika]] en op de West-Afrikaanse kust.<ref>Encyclopædia Britannica, ''Dutch West India Company''</ref> De handel in goederen was minder belangrijk dan [[West-Indische Compagnie#Slavenhandel|die in slaven]], waarvan de Nederlanders in de 17e eeuw de leiding hadden. Ook steunde de WIC zich op [[kaapvaart]], een vorm van [[Zeeroverij|piraterij]] met staatsstuen, met roof op Spaanse en andere schepen vooral vanuit de havens van [[Zeeland (provincie)|Zeeland]], waar zich een eeuw tevoren nog de watergeuzen ophielden. Terwijl de VOC tot het einde van de 18e eeuw overleefde, moest de WIC meerdere malen gereorganiseerd worden.

De West-Indische Compagnie werd bestuurd door een raad waarin de verschillende gewesten van de Verenigde Provinciën waren vertegenwoordigd. Zij kreeg het mopolie op de handel met de Amerika's en Afrika en de Atlantische gebieden daartussen. Met militaire en financiële steun van de Staten Generaal verwierf de compagnie havens op de West-Afrikaanse kust (zoals [[Elmina]] en [[Accra]]) voor aanvoer van slaven voor de plantages in West-Indië en Zuid-Amerika. Maar de opbrengst volstond niet om de operaties tegen Spanje, Portugal en Engeland, in de regio's waar die zich voldoende hadden uitgerust om zich te verdedigen, te kunnen financieren.
Vanwege de buit die door [[kaper]] [[Piet Hein (zeevaarder)|Piet Heyn]] op een deel van de Spaanse [[zilvervloot]] werd veroverd betekende de compagnie een uitdaging voor de Portugese greep op Brazilië in 1630. De Republiek besloot zich hiermee de Portugese bezittingen in Brazilië eigen te maken, die al eerder, in 1624 en 1627, tevergeefs aangevallen waren. De noordkust bood een goede uitvalsbasis voor verdere piraterij op zilvervloten van de schatkist van Spanje, waarmee dit zijn legers uitbetaalde. In de jaren 1630 en 1640 behaalde de compagnie haar grootste successen tegen de Portugezen in Brazilië, maar putte daarmee haar vermogen uit, waarna haar macht afnam. Haar grootste winsten behaalde de WIC onder het bewind van Hertog [[Johan Maurits van Nassau-Siegen|Johan Maurits]] toen deze [[gouverneur-generaal]] was van [[Nederlands-Brazilië]] (1636-44). Maar toen de hele onderneming te kostbaar bleek capituleerde de Nederlandse compagnie in 1654 voor de Portugese.

[[Bestand:Praalgraf van Piet Hein in de Oude Kerk te Delft.jpg|miniatuur|Praalgraf van Piet Hein in de [[Oude Kerk (Delft)|Oude Kerk te Delft]]]]
Kolonies op Aruba, Curaçao, en Sint Maarten werden tussen 1634 en 1648 gevestigd, maar gingen later grotendeels verloren ten gunste van de Fransen. Ook [[Novum Belgium]] ('Nieuw Nederland') dat later tot [[New York City|New York]] werd herdoopt werd een gewest van de compagnie in 1623. Maar een combinatie van geringe immigratie vanuit de verdeelde Nederlanden, van autocratisch bestuur en investeringsvrees weerhield het gewest om met de nabije Engelse kolonies te wedijveren en het werd aan hen afgestaan in 1667.
De WIC had dus minder succes dan de VOC, haar tegenpool in Zuidoost-Azië. De West-Indische Compagnie werd in 1791 door de staat overgenomen en in de nasleep van de Franse invasie in de Nederlandse Republiek ontbonden in 1794.

===== Slavenhandel =====
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van de Nederlandse slavernij}}

==== De Nederlanden onder Isabella van Spanje (1621-1633) ====
[[Bestand:Isabella Spaanse Mode.jpg|thumb|Isabella van Spanje (1566-1633).]]
Door het overlijden van Albrecht in 1621 liep ook het bestand af en kwamen de Zuidelijke Nederlanden weer onder direct Spaans bestuur omdat de pas aangetreden koning [[Filips IV van Spanje]] Isabella als opvolgster veel minder bevoegdheden liet.
Zij wilde zelfs terug naar Spanje, naar het klooster [[Monasterio de las Descalzas Reales]]. Dit werd haar echter niet toegestaan en ze bleef tegen haar zin in [[Brussel (stad)|Brussel]] als [[landvoogd]]es. Ze trad wel toe tot de orde der [[clarissen]] en de laatste jaren van haar leven bracht ze door in een klooster in Tervuren (Vlaams-Brabant).

Voor de Noordelijke Nederlanden onder het leiderschap van [[Maurits van Oranje]] betekende het einde van de [[Treves]] een hernemen van de oorlog tegen Spanje. Maar zijn oorlogstriomf kreeg een flinke deuk. Bij het Spaanse [[Beleg van Breda (1624-1625)|beleg van Breda]] in 1624 door [[Ambrogio Spinola|Spinola]], stond Maurits machteloos. Uiteindelijk vertrok hij vanwege zijn ziekte in november dat jaar terwijl het beleg nog gaande was naar Den Haag, waar hij op 23 april 1625 stierf. De macht als stadhouder en kapitein-generaal werd overgedragen op zijn halfbroer [[Frederik Hendrik van Oranje|Frederik Hendrik]]. Deze probeerde [[Breda]] te redden, maar op 5 juni was de stad na een beleg van negenenhalve maand gedwongen zich in Spaanse handen over te geven. Van de 13.111 ingezetenen (inclusief een Staats garnizoen) bleven nog 3.500 Nederlanders en minder dan 600 Engelsen over. Noordwest-Brabant was nu weer onder Spaans gezag. Frederik Hendrik wist echter wel een aantal steden te heroveren en breidde het grondgebied van de Noordelijke Nederlanden onder de Staten-Generaal uit tot de sleutelpositie van het fort van Maastricht ([[Beleg van Maastricht (1632)]]).

Isabella probeerde als landvoogdes in 1633, dus vlak na Frederik Hendriks succesvolle [[Frederik Hendrik van Oranje#Veldtocht langs de Maas|veldtocht langs de Maas]], buiten de vorst om nog vredesbesprekingen met de Noordelijke Nederlanden in gang te zetten. Dit mislukte echter en kort daarna overleed Isabella. Filips IV benoemde op 4 november 1634 [[Ferdinand van Oostenrijk (1609-1641)|Ferdinand van Oostenrijk]] als haar opvolger, die feestelijk werd ingehaald te Brussel en door de bevolking geëerd als de ''Prins-Kardinaal''. De Hollandse katholieken stelden zich heimelijk in betrekking met de infant en legden hem een invalplan voor.

Het was inmiddels bekend dat de onhandelbaarheid van de Hollanders inzake vredesbesprekingen grotendeels het gevolg was van een geheime overeenkomst die Frankrijk met de Republiek had gesloten om de Zuidelijke Nederlanden onder elkaar te verdelen: Henegouwen, Artesië, het Doornijkse, Rijsel, Dowaai, Orchies, Waals-Vlaanderen en Kust-Vlaanderen, benevens het Naamse en Luxemburg zouden aan Frankrijk komen, en Brabant, Mechelen, Limburg, Gelder en de Schelde-oevers, van Antwerpen tot de zee, aan de Republiek. Het op 15 april 1634 tussen Lodewijk XIII en de Republiek gesloten verdrag liet in ieder geval geen twijfel meer over de dreigende vredesbreuk, vermits het woordelijk een oorlog tussen Frankrijk en Spanje voorzag.

Don Ferdinand werd na zijn dood in 1641 vervangen door [[Francisco de Melo]] als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, die op zijn beurt op 20 september 1644 werd opgevolgd door [[Manuel de Castel Rodrigo]].

==== De Republiek onder Frederik Hendrik (1625-1647) ====
[[Bestand:Frederik Hendrik by Michiel Jansz van Mierevelt.jpg|miniatuur|Prins Frederik-Hendrik]]
Na zijn succesrijke [[veldtocht langs de Maas]] ontpopte [[Frederik Hendrik van Oranje]] zich als een veel bekwamer en gedrevener politicus dan zijn halfbroer [[Maurits van Oranje|Maurits]]. Hij erkende de enige officiële staatsgodsdienst, maar was van mening dat er ook ruimte moest zijn voor andere stromingen. Ondanks dat standpunt trad hij alleen op tegen de [[contraremonstranten]] wanneer de openbare orde in gevaar was. Behendig bleef hij in het midden om beide partijen afhankelijk van hem te houden. Zo ondernam hij geen poging om de door de Staten van Holland ingestelde plakkaten tegen de [[remonstranten]] te laten intrekken. Evenmin ondernam hij actie om de plakkaten af te dwingen in steden zoals Maurits dat wel deed. Hij probeerde niemand tegen zich in het harnas te jagen, en door de steun van de geringere provincies had hij met hun meerderheid een goed tegengewicht in de stemming binnen de Staten-Generaal en kon zo voldoende greep houden op het algemeen bestuur. Middels het '[[Secreet Besogne]]' dat hij instelde, een kabinet van wisselende leden van de Staten-Generaal, kon hij zijn buitenlandpolitiek geheel eigenmachtig opdringen. Door een goede verstandhouding met Frankrijk te onderhouden beoogde hij een wederzijdse verovering en verdeling van de [[Zuidelijke Nederlanden]].

Op 8 februari 1635 sloot de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek]] een nieuw verdrag met [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] waarin het plan ter verdeling van de Zuidelijke Nederlanden concreter werd. Men zou met opruiende pamfletten de zuidelijke provinciën aanmoedigen binnen de drie maanden in opstand tegen Spanje te komen. Ze zouden dan in een soevereine staat worden verenigd, met behoud van godsdienst en vrijheden en onder bescherming van Zijne Majesteit en van de Staten-Generaal, waarbij echter de hele kuststreek tussen [[Grevelingen (stad)|Gravelingen]] en [[Blankenberge]], benevens [[Namen]] en [[Diedenhoven]], in Franse handen zouden komen, terwijl [[Hulst (stad)|Hulst]], het [[Land van Waas]], [[Breda]], [[Gelderland]] en [[Stevensweert]] aan de Republiek zouden worden toegevoegd, "''omdat de nieuwe staat deze niet zelf zou kunnen verdedigen''"... In geval het land daarentegen zou weigeren het Spaanse juk af te schudden, dan werd het eenvoudig onder beide bondgenoten verdeeld langs een lijn lopend van Blankenberge naar [[Rupelmonde]], vervolgens langsheen de Schelde, en over de noordelijke grens van Henegouwen, het Naamse en Luxemburg. Ontwerper van het plan was [[Kardinaal de Richelieu|Richelieu]]. Hij beoogde in feite een bufferstaat tussen Frankrijk en de Republiek, die hij liever niet als buur wilde.

[[Bestand:Plundering Tienen 1635.gif|miniatuur|[[Inname van Tienen (1635)|Plundering van Tienen]] op een prent uit 1635.]]
Maar de respons in de Zuidelijke Nederlanden op het manifest dat op 2 juni 1635, enkele dagen na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Spanje (19 mei), te wapen riep, bleek gans anders uit te pakken. Samen met de [[Ferdinand van Oostenrijk (1609-1641)|prins-kardinaal]], die op 24 juni antwoordde, zag het land in de Fransen enkel nog volkenrechtschenners, aanstichters van de [[ketterij]] en verstoorders van de katholieke godsdienst, en dat maakte hen in de Zuidelijke Nederlanden totaal ongewenst. Het Franse leger van 20.000 man dat zich al in mei van Luxemburg had meester gemaakt stak door naar Maastricht om zich volgens een oud plan van Frederik Hendrik met het leger van de Republiek te voegen en samen een indrukwekkende opmars naar Brussel te doen van 40.000 strijders. Maar Tienen, de eerste Brabantse stad op hun weg, weigerde de poorten te openen. Daarop volgde een [[Inname van Tienen (1635)|bestorming en plundering van de stad]] als afschrikwekkend voorbeeld. De vrouwen werden verkracht, en de stad tot de grond toe afgebrand. [[Leuven]] werd echter op 3 juli vergeefs belegerd en ook de andere steden hielden de poorten halsstarrig gesloten en bleken bereid zich te verdedigen op gevaar af hetzelfde lot als Tienen te ondergaan. De geplande volksopstand in de Zuidelijke Nederlanden bleef uit. Het aanvallend leger bevond zich nu in een hachelijke situatie, verplicht te midden open land voort op te rukken tussen gesloten vestingen, en met tegenover zich de troepen van de kardinaal-infant, die onder de Brusselse muren gevestigd waren. Op 4 juli dropen de bondgenoten naar [[Roermond (gemeente)|Roermond]] af, onderweg bestookt door de boeren, die hun achterblijvers doodden ‘als konijnen’.

Nu repliceerde de infant, die bij het [[Leger van Vlaanderen]] een versterking van 15.000 keizerlijken, aangevoerd door [[Octaaf Piccolomini]], ontvangen had met een stoutmoedige veldtocht naar [[Schenkenschanz|fort Schenk]], een der poorten van de Verenigde Provinciën, dat hem in handen viel. Vervolgens nam hij [[Goch]], terwijl zijn luitenants [[Limburg (Belgische stad)|Limburg]] en enkele naburige plaatsen bemachtigden. Frederik Hendrik kon niet anders dan de bewegingen volgen zonder aan te vallen, terwijl de Fransen die in de [[Betuwe]] overwinterden, werden weggemaaid door ellende en een verschrikkelijke tyfuskoorts, die zich van hun kamp in de provinciën uitbreidde en overal veel slachtoffers maakte. Toen prins Ferdinand van Oostenrijk besloot om nu ook [[Picardië]] aan te vallen kon Frederik Hendrik fort Schenk terugnemen, omdat de verwachte extra steuntroepen voor de prins-kardinaal onder [[Gallas]] niet tijdig kwamen opdagen. Terwijl in 1637 Piccolomini zich ertoe bepaalde de Fransen in het zuiden tegen te houden, deed de prins van Oranje door de [[Beleg van Breda (1637)|inneming van Breda]] op 10 oktober zijn krijgsroem en zijn staatkundige invloed toenemen. Met het grondgebied van Breda en vervolgens de meierij van 's-Hertogenbosch, was heel de linkeroever van de [[Beneden-Maas]] voortaan in de macht van de Republiek.

[[Bestand:Fort Liefkenshoek , Fort Lillo, Belgium ; Ferraris map.jpg|miniatuur|Fort Liefkenshoek, Fort Lillo.]]
In 1638 deed Frederik Hendrik een stoutmoedige poging om Antwerpen in te nemen. Maar in de [[slag bij Kallo]] werd zijn leger op 20 juni krachtdadig door het leger van Vlaanderen in de pan gehakt en verstrooid. Ook bij zijn veldtocht tegen Gelderland in augustus moest hij het onderspit delven tegen het door de prins-gemaal aangevoerd toegesnelde leger.
[[Bestand:Reinier Nooms - Before the Battle of the Downs - c.1639.jpg|miniatuur|''Voor de Slag bij Duins'', [[Reinier Nooms]].]]
Omdat de weg over land door de oorlog met Frankrijk was afgesloten, waren de Spanjaarden gedwongen troepenversterkingen naar de Nederlanden over zee te vervoeren. Deze 'tweede Armada', 20.000 man in getal, onder leiding van [[Antonio de Oquendo]] werd echter in [[het Kanaal]] door de Nederlandse admiraal [[Maarten Harpertszoon Tromp]] opgewacht en ingesloten bij "The Downs" in Zuid Engeland, ondanks de protesten van koning [[Karel I van Engeland]]. De [[Zeeslag bij Duins]] op 21 oktober 1639 kostte de Spanjaarden 43 schepen en zesduizend manschappen.
De krijgsverrichtingen te land werden in 1639 voortgezet, zonder merkelijk voordeel voor de een of de andere. Terwijl de kardinaal-infant de uitval van Frederik Hendrik op Hulst en op Gelderland verijdelde, maakten de Fransen door de inname van [[Hesdin]] de nederlaag die Piccolomini op 7 juni onder de muren van Diedenhoven aan de maarschalk van Feuquières had toegebracht goed. Vanwege het terugroepen van Piccolomini door de keizer beschikte de kardinaal-infant over een voor de situatie ontoereikende troepenmacht en slaagde er niet in het beleg van de Fransen vóór [[Atrecht]] op te breken. De overgave van de stad op 9 augustus 1640 betekende een zwaar verlies voor de Zuidelijke Nederlanden, waarop nog veel andere steden van Artesië zouden volgen. In het noorden bemachtigde Frederik Hendrik de stad [[Gennep]], in het hertogdom Kleef, terwijl in het zuiden de Fransen hun veroveringen in [[Graafschap Artesië|Artesië]] voortzetten, met inname van La Bassée, Lens en Bapaume. De troepen betrokken hun winterkwartier, toen zij de dood van de kardinaal-infant vernamen die op 9 november op 33-jarige leeftijd aan de pokken was bezweken.

De machtige provincies van de Republiek, vooral Holland, die in de minderheid waren keerden zich intussen geleidelijk tegen Frederik Hendrik. Dat werd vooral duidelijk na het huwelijk van diens zoon [[Willem II van Oranje|Willem II]] met [[Maria Henriëtte Stuart|Mary Stuart]] in 1642, waarmee ook de banden tussen het huis van Oranje en de Engelse koninklijke families werden aangehaald. Het aanzien van het huis van Oranje werd hierdoor verhoogd, zodat nu het koninklijk hof van Frankrijk Frederik Hendrik met "''Zijne Hoogheid''" aansprak, een titel die normaal voor koningen is gereserveerd. Toen hij zich in Den Haag samen met [[Amalia van Solms|Amalia]] dan ook van een quasi koninklijk hof ging voorzien, nam vooral bij de Hollandse republikeinen de vrees voor een monarchale macht onder politiek leiderschap van de Oranjes toe. In 1643 dreef Holland zelfs een grote troepenvermindering door. In de jaren die volgden verloor Frederik Hendrik echter steeds meer de controle over zijn geestelijke en lichamelijke vermogens en was Holland opnieuw in staat zich politiek naar het bovenplan te werken.<br />
[[Bestand:Antwerp - Antverpia; Gallis Anvers, Vernacule Antwerpen (Atlas van Loon).jpg|miniatuur|Antwerpen ten tijde van het beleg in 1646.]]
In 1646 deed hij nog een poging om [[Beleg van Antwerpen (1646)|Antwerpen te veroveren]], die echter mislukte. De Republiek behield Fort [[Liefkenshoek]] en [[Blokkade van de Schelde|blokkeerde de Schelde]] voor de Antwerpse koophandel.

Frederik Hendrik overleed in 1647 op 14 maart nadat zijn gezondheid al geruime tijd was achteruit gegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, stadhouder [[Willem II van Oranje|Willem II]]. Op 11 april datzelfde jaar werd aartshertog [[Leopold Willem van Oostenrijk|Leopold van Oostenrijk]], broer van de keizer, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hij zou een aantal door de Fransen veroverde steden terugwinnen, waaronder Ieper. Maar Atrecht en [[Frans-Vlaanderen]] waren in de oorlog voor het zuiden definitief verloren.

=== Vrede van Münster (1648) ===
Inmiddels was het oorlog elders in grote delen van Europa: de [[Dertigjarige Oorlog]]. In 1641 waren tussen de strijdende partijen vredesonderhandelingen begonnen. Afgesproken werd alvast dat in [[Münster (stad)|Münster]] en [[Osnabrück]] onderhandeld zou worden. Hoewel de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek]] niet meevocht in de Dertigjarige Oorlog, werd besloten deze toch bij de vredesonderhandelingen uit te nodigen. Door de oorlog tegen Spanje was zij namelijk teveel een partij geworden. De uitnodiging daartoe ontving de Republiek via Frankrijk.

De [[Zuidelijke Nederlanden]] zaten inmiddels tussen aambeeld en hamer geprangd en kregen steeds meer te lijden van Franse en Hollandse stropers en plunderende soldaten die volgens getuigen op nooit geziene wijze te werk gingen. Na vruchteloze opstanden van september 1644 te Gent, Brugge en Brussel, waar zelfs de vertrekken van de landvoogd werden geplunderd, was het volk lijdensmoe en gelaten geworden. Alleen vrede kon weer verbetering in de toestand brengen.
Hoewel daar rond die tijd grote militaire successen waren geboekt, was er ook binnen de Republiek in alle gewesten bij het volk steeds meer sprake van een vredesstemming. De langdurige oorlog had ook hier veel geld en mensenlevens gekost, en belemmerde de handel. Alleen de provincies Holland, Zeeland en Utrecht, en de stad [[Leiden]], bleven tot het einde toe voorstander van de oorlog.

[[Bestand:Leopold Wilhelm Archduke of Austria P. de Jode 1697.jpg|miniatuur|Leopold Willem van Oostenrijk]]
Aartshertog [[Leopold Willem van Oostenrijk|Leopold van Oostenrijk]], broer van de keizer, die op 11 april 1647 landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden was geworden, slaagde erin door de versterkingen die hij meebracht nog enkele militaire successen te boeken op de Republiek en vooral op Frankrijk, wier vorderingen hij reeds bij zijn eerste veldtocht stuitte. Terwijl [[Johan van Beck]] ze in Duitsland tegenhield, marcheerde hij zelf naar de meest bedreigde grens en heroverde voor de Zuidelijke Nederlanden [[Armentiers|Armentières]], [[Komen-Waasten|Komen]], [[Lens (Frankrijk)|Lens]] en [[Landrecies]]. Hij genoot het voordeel van de militaire stilte van de Republiek, die zich intussen begon tevreden te stellen met haar bezit van [[Maastricht]], [['s-Hertogenbosch]] en [[Breda]], en van de plaatsen langsheen de Zee-Schelde. Nieuwe vorderingen in de Zuidelijke Nederlanden zouden vroeg of laat mogelijk tot de door de Amsterdamse kooplieden erg geduchte verovering van [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] leiden, dat zij nu reeds als een grote concurrent ervoeren.

[[Bestand:Muenster,Krameramtshaus9474.JPG|miniatuur|[[Haus der Niederlande]], waar de vredesonderhandelingen plaats vonden]]
De Republiek slaagde erin als volwaardige staat aan de vredesonderhandelingen te mogen deelnemen: zelfs Spanje stemde hierin toe. In januari 1646 kwamen 8 vertegenwoordigers van de Staten aan in Münster om met de Spanjaarden over vrede te onderhandelen. De onderhandelingen zouden plaatsvinden in het Huis van het Kramersgilde, tegenwoordig het [[Haus der Niederlande]] genoemd. De Hollandse eis om de beoefening van de katholieke eredienst in de meierij van 's-Hertogenbosch en in de andere door hen veroverde plaatsen uitdrukkelijk te verbieden zorgde nog even voor spanningen. De Spaanse onderhandelaars hadden weliswaar uitgebreide volmachten meegekregen van koning [[Filips IV van Spanje|Filips IV]], die al jaren vrede zocht. Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek en Spanje het dan ook snel eens: de tekst van het Twaalfjarig bestand werd als uitgangspunt genomen en de Republiek werd nu eindelijk door Spanje als soevereine staat erkend. De vrede leek nu snel nabij. Maar Frankrijk gooide nog roet in het eten doordat [[Mazarin]] steeds met nieuwe eisen kwam. De Staten besloten hierop echter buiten Frankrijk om vrede te sluiten met Spanje. [[Willem II van Oranje|Prins Willem]] echter, die brandde van verlangen om zich in de oorlog te onderscheiden, was een overtuigd voorstander van de Franse politiek van samenwerking en wilde niets liever dan de oorlog, ja leende zich onder invloed van Mazarin en diens agenten reeds tot geheime tegenwerking van de vredespartij.

[[Bestand:Westfaelischer Friede in Muenster (Gerard Terborch 1648).jpg|miniatuur|Met de [[Vrede van Münster]] kwam in 1648 een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. <small> Gerard Terborch 1648 -National Gallerys</small>]]
Op 30 januari 1648 werd de vredestekst vastgesteld, zonder dat Willem II dit kon verhinderen, en ter ondertekening naar Den Haag en Madrid gestuurd. Op 15 mei had de definitieve ondertekening van de [[Vrede van Münster]] plaats en op 5 juni 1548 volgde overal de afkondiging, juist 80 jaar na de onthoofding van Egmond en Hoorne. Deze beroemde vrede wordt beschouwd als resultaat van het [[Twaalfjarig Bestand|bestand van 1609]] onder aartshertogin Isabella en haar gemaal Albrecht, waarop alle hoofdbepalingen gebaseerd waren, behalve dat zij nu niet meer voorlopig, maar definitief werden. Alleen betekende het verdrag ook de onomkeerbare opsplitsing van de oorspronkelijke Nederlanden. De thans totaal verzwakte Zuidelijke Nederlanden waren uit alle besprekingen geweerd en moesten, hoewel de kuststeden voor het territorium gevrijwaard bleven, lijdzaam toezien hoe de binnenlandse handel ''de facto'' geboycot bleef door de in het verdrag ingeschreven en voort durende blokkering van deze havens en [[Blokkade van de Schelde|van de Schelde voor Antwerpen]] en het heffen van tol op alle uit het zuiden afkomstige vrachten.

In Zeeland en in menige stad en dorp ijverden predikanten vanaf de kansel ''tegen'' de bewerkers van de vrede, en vooral Willem II was er niet echt toe bereid maar onderhandelde in het geheim verder met Frankrijk voor een hervatting van de oorlog, niet alleen tegen Spanje, maar tegelijk tegen Engeland, dat in januari 1649 zijn schoonvader [[Karel I van Engeland|Karel I]] had geëxecuteerd. Voorjaar 1650 kwam het tussen hem en de Staten-Generaal tot een krachtmeting over de nodige financiën die hij daarvoor wenste op te bouwen, en dit ondanks de steeds toegenomen afbetalingen van schuld als gevolg van het eerdere aandeel van de Republiek in de Tachtigjarige Oorlog. Daarop koos Willem er voor om met geweld zijn zin door te drijven en liet op 30 juli zes vertegenwoordigers van de Staten van de recalcitrante steden aanhouden en naar [[Slot Loevestein]] voeren op beschuldiging van weerstand tegen wettelijke orders van de Staten-Generaal. Een leger dat hij tezelfdertijd naar [[Amsterdam]] stuurde liep vertraging op en stuitte op fel verzet vanwege de ingezetenen. Na een beleg, waarbij de handel lam lag, maar de belegeraars voortdurend zelf gevaar liepen de verdrinkingsdood te sterven indien Amsterdam de dijken zou doorbreken, werd uiteindelijk een compromis bereikt. De gevangengezette mandatarissen werden losgelaten, maar verloren hun post als dusdanig. Nu lag de weg vrij voor Willem II om zijn plannen uit te voeren, maar de argwaan van de bevolking tegen hem, vooral in Holland, was groot. Men was bang voor [[militair]]e [[dictatuur]], monarchale heerschappij en nieuwe betrokkenheid in oorlogsgeweld. Nog voor hij zijn plannen kon uitvoeren stierf Willem echter begin november onverwacht aan de [[pokken]]. Acht dagen later werd zijn zoon [[Willem III van Oranje|Willem III]] geboren.

==== Eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672) ====
[[Bestand:Great Assembly of the States-General in 1651 01.jpg|miniatuur|''De [[Ridderzaal|grote zaal]] op het Binnenhof, Den Haag, tijdens de [[Grote Vergadering]] der Staten Generaal in 1651'', [[Dirck van Delen]]. Tijdens deze vergadering wordt besloten om geen nieuwe stadhouder aan te stellen, het begin van het [[Eerste Stadhouderloze Tijdperk]].]]
Op 18 januari 1651 begon te Den Haag de [[Grote Vergadering]], waar gedeputeerden van de Zeven Provinciën onder voorzitterschap van [[Jacob Cats]] de toestand na de plotse dood van [[Willem II van Oranje|Stadhouder Willem II]] bespraken om de zaken te regelen in verband met de Unie, het regime, de godsdienst en het leger. Ze eindigde op 21 januari zonder benoeming van een nieuwe [[Kapitein-generaal]]. Daarmee ving het [[Eerste Stadhouderloze Tijdperk|Eerste Stadhouderloos Tijdperk]] aan (1650-1672) waarin enkele decaden de [[Regenten|Hollandse leiders]] de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek]] regeerden, nadat zij amnestie hadden verleend aan degenen die in 1650 nog Willem II hadden gesteund.

[[Bestand:Beerstraaten, Battle of Scheveningen.jpg|miniatuur|De Slag bij Ter Heijde (Scheveningen), door [[Jan Abrahamsz. van Beerstraten]], [[1652]]-[[1654]].]]
[[Bestand:Amalie zu Solms-Braunfels Van Dyck 1631-32.jpg|miniatuur|[[Amalia van Solms]], weduwe van [[Frederik Hendrik van Oranje]] en regentes in naam van Willem III.]]
In 1652 raakte Holland op 29 mei naar aanleiding van de [[Engelse Scheepvaartwetten|Akte van Navigatie]] slaags met Engeland [[Slag bij Dover (1652)|bij Dover]] (''Battle of Goodwin Sands'') waarna op 10 juli het Engels parlement de [[Eerste Engels-Nederlandse Oorlog]] inluidde en er een hele serie zeeslagen volgde. [[Duinkerke|Duinkerken]] viel daarbij weer de [[Zuidelijke Nederlanden]] in handen. Tegen 1654 was de Republiek genoodzaakt de vredesvoorwaarden van de Engelsen te aanvaarden met als geheime [[Akte van Seclusie]], dat de prins van Oranje voor eeuwig van stadhouderschap en opperbevel werd uitgesloten. In 1664 hernamen de vijandelijkheden, nu ter hoogte van Afrika, maar het jaar daarop [[Tweede Engels-Nederlandse Oorlog|weer dichterbij in de Noordzee]]. Na de Nederlandse overwinning in de [[Vierdaagse Zeeslag]] van 11 - 14 juni 1666 leek het er even op dat Engeland al verslagen was, maar tot ieders verrassing kon het toch opnieuw een vloot uitrusten die sterk genoeg bleek om op 4 augustus in de [[Tweedaagse Zeeslag (op de Noordzee)|Tweedaagse Zeeslag]] bij [[North Foreland]] de Nederlandse vloot aan de rand van de afgrond te brengen. De Republiek begon nu ernstig geldgebrek te lijden, wat nog verergerd werd door een Engelse raid van [[Robert Holmes (admiraal)|Admiraal Holmes]] die, op last van de in de [[zeeslag bij Lowestoft]] overgelopen Kapitein [[Laurens Heemskerk]], doordrong tussen de eilanden van [[Noord-Holland]] en daar op de rede van [[Terschelling]] 150 schepen en 400 huizen verbrandde.

De in eer herstelde Engelse [[Karel II van Engeland|Karel II]] koos intussen voor de [[Orangisme (Republiek)|orangisten]], erop aandringend dat zijn neef Willem III in de Noordelijke Nederlanden weer op de troon zou komen. Er volgde in 1666 zelfs een samenzwering om het bewind onder raadpensionaris [[Johan de Witt]] omver te werpen, wat echter mislukte. Wel werd op verzoek van [[Amalia van Solms]] de opvoeding van Willem III opnieuw door de [[Staten van Holland en West-Friesland]] ter hand genomen. De prins werd tot ''Kind van Staat'' benoemd, zodat de overheid pro-Engelse elementen uit zijn omgeving kon verwijderen. Zo werd Stuartgezind gouverneur [[Frederik van Nassau-Zuylestein|van Zuylestein]] ontslagen, en [[Johan de Witt]] hield zich persoonlijk bezig met het onderricht in staatszaken van Willem III.

Op 8 mei 1667 begon [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] de [[Devolutieoorlog]] tegen [[Spanje (personele unie)|Spanje]], die op het grondgebied van de [[Zuidelijke Nederlanden]] werd uitgevochten. In de loop van dat jaar werden daar de steden [[Valenciennes]], [[Armentiers|Armentières]], [[Binche]], [[Charleroi]], [[Sint-Winoksbergen]], [[Aat]], [[Doornik]], [[Dowaai]], [[Kortrijk]], [[Cambrai]], [[Oudenaarde]], [[Aalst (Oost-Vlaanderen)|Aalst]] en [[Rijsel]] ingenomen door Frankrijk, wat zowel voor de Republiek als voor Engeland een bedreiging betekende. Deze beide staten sloten daarop het [[Vrede van Breda|verdrag van Breda]] op 31 juli 1667, waardoor Frankrijk verplicht werd in 1668 vrede met Spanje te sluiten. De [[Triple Alliantie (1668)|Triple Alliantie]] van 23 januari tussen de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek]], [[Zweden]] en [[Engeland]] moest een einde maken aan het conflict in de Zuidelijke Nederlanden tussen het erg verzwakte [[Spanje (personele unie)|Spanje]] en de sterke [[Lodewijk XIV van Frankrijk|Zonnekoning]]. De Alliantie sommeerde Spanje om of Luxemburg of het Vrijgraafschap ([[Franche-Comté]]) af te staan, plus alle reeds heroverde gebieden (Douai, St. Omer, Rijsel en Kamerijk). Frankrijk moest daarmee genoegen nemen en de Devolutieoorlog staken.<br />
De Witt had geen alternatieve strategie en Lodewijk XIV voelde zich door de Republiek bedrogen. Hij wendde zich daarom tot Engeland met een voorstel om samen de Republiek aan te vallen, waar Karel II, nog erg verbitterd door zijn nederlaag bij Chatham, graag op inging. De orangisten meenden Karel nog voor zich te kunnen winnen door [[Willem III van Oranje]] in ere te herstellen, maar van de [[Staten van Holland en West-Friesland]] bekwamen ze enkel zijn aanduiding als ''Eerste Edele van Zeeland'' en een benoeming als kapitein-generaal tegen de Franse dreiging begin 1672.

==== Willem III, stadhouder, opperbevelhebber en koning (1672-1702) ====
[[Bestand:The Low Countries.png|350px|miniatuur|De Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw.]]
[[Bestand:King William III from NPG (2).jpg|miniatuur|Willem III, als koning van Engeland, Schotland en Ierland.]]
In februari 1672 werd [[Willem III van Oranje|Willem III]] benoemd tot [[Kapitein-Generaal]]. De [[Hollandse Oorlog]] (1672-1679) of de ''Frans-Nederlandse Oorlog'' brak uit toen [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] in het kader van een streven naar natuurlijke grenzen de Republiek binnenviel. Bovendien trad [[Karel II van Engeland]] Frankrijk daarin bij zoals in een geheim [[Verdrag van Dover]] overeengekomen. Dit bestond erin dat, zodra beide aanvallende mogendheden elk voor zich een aantal strategische gewesten hadden veroverd, wat van de Nederlanden nog over bleef onder het gezag van Willem III werd gelaten. De Republiek weerde in de Hollandse beginfase (1672-1674) van de strijd gedurende de [[Derde Engels-Nederlandse Oorlog|Derde Engelse Zeeoorlog]] Frankrijks en Engelands vloten af, en sloeg tegelijkertijd de Franse, [[Aartsbisdom Keulen|Keulse]] en [[Bisdom Münster|Münsterse]] inval terug. Toch werd 1672 een [[Rampjaar]], mede omdat de kosten van de militaire verrichtingen de [[Gouden Eeuw (Nederland)|Gouden Eeuw]] beëindigden, en [[Lodewijk XIV]] zich tegen de [[Zuidelijke Nederlanden]] keerde. In Haspengouw en Brabant paste hij vanaf 1673 een [[tactiek van de verschroeide aarde]] toe en in het land van Waas in 1675 en in Henegouwen in 1677 deed hij hetzelfde. <br />
Toen de Franse invasie van 1672 tot in het hart van de Republiek was doorgedrongen greep bij een panisch volksoproer daar de oranjepartij de macht. De prins werd met volle macht bekleed, inclusief het [[stadhouder]]schap van de [[Staten van Holland]] (op 4 juli), en [[Staten van Zeeland|van Zeeland]] (16 juli), waarmee het [[Eeuwig Edict (1667)|Eeuwig Edict]] tot dode letter verviel. En na een storm van rellen die bijna tot revolutie leidde kreeg hij ook het opperbevel over het leger overgedragen van [[Johan de Witt]], die in een volksopstoot in Den Haag op 20 augustus [[Moord op de gebroeders De Witt|gelyncht was]]. Op Willems aandringen werden de voorwaarden van de Fransen en Engelsen door de Staten-Generaal verworpen, waarmee hij de oorlog tegen de aanvallers keerde.

Hij trok zich eerst terug achter de [[Oude Hollandse Waterlinie]], maar werd bijgestaan door [[Leger van Vlaanderen|hulptroepen uit de Zuidelijke Nederlanden]], waarna Spanje zich tenslotte volledig engageerde. Na de [[Beleg van Maastricht (1673)|capitulatie van Maastricht]] op 2 juli 1673 hadden ook de Duitse keizer en Brandenburg zoals Spanje de kant van de Republiek gekozen.<br />
[[Bestand:BattleOfTexel.jpg|thumb|De ''Slag bij Kijkduin'', door [[Willem van de Velde de Jonge|Willem van de Velde]].]]
Op 21 augustus voorkwam Admiraal [[Michiel de Ruyter|De Ruyter]] met hulp van [[Cornelis Tromp]] in de [[Slag bij Kijkduin]] de landing van een Engels-Frans leger bij [[Den Helder]]. Zo'n 3000 man, waarvan 1.000 Nederlanders kwamen daarbij om, waarna Engeland zich terugtrok uit de strijd.
Op 12 november deed Willem III een uitval naar het zuiden. Troepen van de Republiek veroverden onder zijn leiding [[Bonn]], waardoor de Fransen een arsenaal verloren en hun aanvoerlijnen naar troepen in de Republiek afgesneden werden. De legers van de Republiek stonden nu in contact met de keizerlijke troepen. De Fransen waren gedwongen de Noordelijke Nederlanden te ontruimen en zich naar het zuiden terug te trekken.
Op 16 december 1673 begon Willem dan een veldtocht naar het zuiden en ontzette met het [[Staatsen|Staatse leger]] onder zijn bevel Maastricht, al moest hij zes dagen later onder dreiging van de Franse aanvoerder [[François Henri de Montmorency-Bouteville|Luxembourg]] zijn [[beleg van Charleroi]] opgeven en naar het noorden terugkeren. Op 28 december stak Luxembourg bij [[Zegveld]] de bevroren Waterlinie over en keerde terug naar Woerden nadat hij [[Zwammerdam]] en [[Bodegraven]] had laten uitmoorden.

Gelderland, Overijssel en Utrecht herkregen ondanks hun ontrouw, en tegenstand van Holland, hun zitting in de Staten-Generaal. Zij moesten daarvoor trouw zweren aan Willem III en aan een aantal [[regeringsreglement]]en voldoen, waardoor Willem III een beslissende invloed op die gewesten en meer macht dan zijn voorgangers verwierf. De Staten van Holland en Zeeland verklaarden het stadhouderschap erfelijk voor mannelijke nakomelingen van Willem III.

Op 19 februari 1674 werd tussen Engeland en de Republiek de [[Vrede van Westminster (1674)|Tweede Vrede van Westminster]] gesloten, waarbij de Republiek Engeland twee miljoen gulden betaalde, in feite ter afkoop van verdere agressie. Ook werd het recht van de Engelse oorlogsschepen om als eerste door Nederlandse oorlogsschepen begroet te worden bevestigd.
In maart werd als gevolg van dit verdrag door de [[Staatsen]] "[[Novum Belgium]]" aan Willem III gegeven. Terwijl de regel "''vrij schip - vrij goed''" opnieuw ingesteld werd kwam er weer vrijheid van handel, wat vooral in het voordeel van de Engelsen bleek. Ze slaagden erin de handelstrafiek van de Republiek in de Franse gebieden over te nemen.
In de [[Slag bij Seneffe]] (Henegouwen, [[België]]) leverden op 11 augustus de legers van de Republiek, de Duitse keizer en [[Leger van Vlaanderen|van de Zuidelijke Nederlanden]] bloedig slag tegen de Fransen, wat tot een nederlaag van de geallieerde legers leidde, al claimden beide partijen de overwinning.

De Franse legers hadden in 1675 in de Zuidelijke Nederlanden duidelijk de overmacht. De nieuwe landvoogd de hertog van [[Carlos de Gurrea|Villa Hermosa]] was amper in staat nog troepen naar de strijd met Lodewijk XIV te zenden. Er woedde een zware slag langs de Maas onder leiding van Condé en de Franse koning zelf, waarbij steden als Luik, Hoei en Dinant in Franse handen vielen.
Op 22 april 1676 werd de [[Slag bij Agosta]] de Staatse vloot, onder aanvoering van Michiel De Ruyter, naar de Middellandse Zee gevaren om er de Franse heerschappij te betwisten, tegen een Franse vloot onder [[Abraham Duquesne]] fataal. Michiel de Ruyter raakte zwaargewond en overleed een week later aan zijn verwondingen.
De Nederlands-Deense vloot onder commando van opperbevelhebber [[Cornelis Tromp]] verpletterde op 1 juni de Zweedse vloot in de [[Slag bij Öland (1676)|Zeeslag bij Öland]], waarbij een van de grootste schepen uit die tijd, de Zweedse ''Kronan'' ("De Kroon") tot zinken werd gebracht. Met deze overwinning kregen de Denen totale controle over de [[Oostzee]] en konden hun Nederlandse bondgenoten vrij doorvaren.

Toen ook de [[Slag bij Kassel (1677)|Slag bij Kassel]] aan de Penebeek op een Franse overwinning uitdraaide, werd [[Franse Nederlanden|een gedeelte van Vlaanderen]] in de streek tussen [[Sint-Omaars]] en [[Ieper]] aan Frankrijk aangehecht (Sint-Omaars, Kassel, Belle, Ieper).

Op 14 november huwde Willem III van Oranje [[Maria II van Engeland|Mary Stuart]] van Engeland, oudste dochter van de hertog van York, en - na haar vader - gerechtigde op de Engelse troon, omdat koning Karel II kinderloos was.

Engeland en de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden]] sloten daarna op 26 juli 1678 vrede. De Hollanders zagen niet langer de zin van geld uitgeven voor de strijd. En op 10 augustus sloot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de [[Vrede van Nijmegen]] met Frankrijk, waarmee alle gebieden die nog door de Fransen bezet werden waaronder Maastricht werden vrijgegeven. En het tarief (dat in 1667 was ingevoerd) werd afgeschaft. Het Zuid-Nederlandse Valenciennes, Kamerijk en Sint Omaars kwamen in ruil de Franse koning toe. Met dit verdrag kwam er een eind aan de oorlog met Frankrijk, zij het tegen de zin van Willem III, die de rest van zijn leven tegen het Franse streven naar hegemonie bleef strijden.
Op 14 augustus al raakten de Staatse troepen nog slaags met het Franse leger onder maarschalk Luxembourg omdat ze niet wisten dat de vrede al was getekend. Stadhouder Willem III werd ternauwernood gered door zijn achterneef [[Hendrik van Nassau-Ouwerkerk]], maar bleef zich verzetten en streed de volgende dag weer mee in de [[Slag bij Saint-Denis (1678)|Slag bij Saint-Denis]], een klein dorp buiten [[Bergen (België)|Bergen]] in [[Henegouwen]] in de [[Zuidelijke Nederlanden]], die eindigde in een Franse overwinning.
Op 17 september 1678 sloot Frankrijk vrede met Spanje en twee jaar later, in 1680, verklaarde [[Lodewijk XIV van Frankrijk|Lodewijk XIV]] de Nederlandse Republiek opnieuw de oorlog.

Op 31 januari 1683 begon een nieuwe Franse golf van bezetting met plunderingen en opeisingen. Dringend door de Spaanse ambassadeur aangezocht kon de prins van Oranje de Generale Staten de belofte ontrukken om Grana 13.000 man te zenden. Intussen onderhandelde hij met Versailles, waar hij beloofde van Spanje te zullen verkrijgen, dat het Frankrijk heel het grondgebied ten Zuiden van een lijn van Nieuwpoort tot Namen zou afstaan, zo de koning wilde afzien van Luxemburg. Toen Grana dan op 12 oktober beval het geweld vanwege de Fransen met geweld te beantwoorden, maakte Lodewijk XIV van dit beoogd voorwendsel gebruik om de Nederlanden te bezetten voordat [[Keizer Leopold I|Leopold]] ter hulp kon snellen. In deze [[Frans-Spaanse oorlog (1683-1684)|Frans-Spaanse]] zogenaamde "Herenigingsoorlog" werden het land van Waas, Noord-Vlaanderen en Brabant meedogenloos verwoest. Lodewijk XIV onderhandelde intussen met de Verenigde Provinciën en met het Duitse Rijk, dat [[Karel II van Spanje|Karel II]] belast had in zijn naam op te treden. <br />
Op 15 augustus 1684 werd de [[vrede van Regensburg]] getekend, die de sterke vesting Luxemburg tegen Duitsland, evenals Beaumont, Bouvignes en Chimay met hun aanhorigheden twintig jaar lang aan Frankrijk liet, dat daarmee zijn doel bereikt had.

[[Bestand:Francisco Antonio de Agurto, Marqués de Gastañaga.jpg|miniatuur|Francisco Antonio de Agurto, markies van Gastañaga]]
Grana overleed verteerd door zorgen en vermoeidheid te Mariemont op 19 juni 1685 en werd opgevolgd door een andere Spanjaard, [[onderkoning]] [[Francisco Antonio de Agurto y Salcedo]], markies van Gastañaga, die op 30 december door de Spaanse koning Karel II werd benoemd tot [[landvoogd]] en [[kapitein-generaal]] van de [[Zuidelijke Nederlanden]].

===== Koning van Engeland =====
Nadat op 10 juni 1688 de tweede vrouw van [[Jacobus II van Engeland|Jacobus II]], [[Maria van Modena|Maria d'Este]], het leven aan haar vijfde kind schonk, ditmaal een zoon, [[Jacobus Frans Eduard Stuart|Jacobus]], werd het vooruitzicht van een katholieke dynastie als zeer bedreigend ervaren door de protestanten, die al niet gelukkig waren met een katholiek als hoofd van de [[Anglicaanse Kerk|Kerk van Engeland]]. Dit leidde tot een samenzwering, de ''[[Glorious Revolution]]'', met als doel James door zijn overtuigd protestante dochter [[Maria II van Engeland|Maria]] te vervangen. Op 5 november landde haar echtgenoot [[Willem III van Oranje|Willem III]] in Engeland bij [[Torquay]] met een groot Nederlands leger. De armada door de Verenigde Provinciën ter beschikking gesteld van Willem was, met 53 oorlogsschepen en bijna 400 transportschepen, zo'n vier keer groter dan de [[Spaanse Armada]] van een eeuw eerder. Willem gaf bevel het Engelse leger te ontbinden en daar werd goeddeels gehoor aan gegeven. De campagne leverde terstond een nieuwe [[Negenjarige Oorlog (1688-1697)|oorlogsverklaring]] vanwege [[Lodewijk XIV]] aan het adres van de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden]] op. Na enkele maanden ontving Oranje op 23 februari 1689, onder de naam ''Willem III'' van het Parlement de kroon van Groot-Brittannië. Om Engeland en de Republiek in eenzelfde politiek samen te brengen, verklaarde hij op zijn beurt op 17 mei 1689 Versailles de oorlog.

[[Bestand:The IJ at Amsterdam with the former flagship 'Gouden Leeuw' (Willem van de Velde II).jpg|miniatuur|450px|''Het IJ voor Amsterdam met de '[[Gouden Leeuw (vlaggenschip)|Gouden Leeuw]]', het voormalige vlaggeschip van [[Cornelis Tromp]]'', 1686, [[Willem van de Velde de Jonge]]<br />De Nederlandse handelsvloot in de achttiende eeuw bleef van grote omvang, maar kon de Engelse en Franse groei niet evenaren. Ook de [[Staatse vloot]] bleef een macht om rekening mee te houden, maar verloor na de [[Derde Engels-Nederlandse Oorlog|Derde Engelse Oorlog]] (1672-1674) het overwicht. De Republiek bleef welvarend, maar het was een periode van consolidatie die de opwinding van de expansie van de eeuw daarvoor miste. De [[regenten]]klasse werd een steeds geslotener [[oligarchie]], waar de komst van een stadhouder niets aan veranderde.]]
Ook Spanje verklaarde in april 1689 de oorlog aan Frankrijk en werd aldus bondgenoot van de Republiek. De zuidelijke [[Gewest (Lage Landen)|gewesten]] werden intussen tot het einde van de strijd opnieuw het slagveld van het bondgenootschap. De Agurto trof samen met [[maarschalk|veldmaarschalk]] [[George Frederik van Waldeck-Eisenberg]] de nodige voorbereidingen en op 25 augustus 1689 versloeg de oude prins van Waldeck een Frans korps nabij Walcourt. Maar op 26 augustus verrasten de Fransen de Hollandse troepen die gelegerd waren in [[Walcourt]] en deed hen grote verliezen lijden. De Agurto zelf trok bij [[Spiere]] over de [[Schelde (rivier)|Schelde]] en heroverde bijna zonder tegenstand de stad [[Menen]]. Hij leidde de Spaanse troepen in de [[Slag bij Fleurus (1690)|Slag bij Fleurus]] en verdedigde [[Bergen (België)|Bergen]] tegen de Fransen. Maar de 6.000 Spaanse soldaten waren niet opgewassen tegen de overmacht van de 80.000 Fransen die de stad belegerden. Na 9 maanden beleg moest Bergen zich op 8 april 1691 overgeven.<br />
Deze nederlaag werd De Agurto vooral door Willem III van Oranje sterk aangewreven. Hij deed zijn beklag over de markies in een brief aan koning [[Karel II van Spanje]]. Kort nadat hij in Engeland de legitimisten overwonnen had trok Willem III naar de Nederlanden om er de leiding der krijgsverrichtingen weer op zich te nemen, maar ook hij kon de Fransen niet doen wijken. Op 19 september 1691 leed zijn cavalerie een tamelijk vernederend verlies bij [[Leuze]]. Verbitterd om Spanje's onmacht eiste hij de terugroeping van de markies van Gastañaga en diens vervanging door de [[keurvorst]] [[Maximiliaan II Emanuel van Beieren]], die de ontoereikendheid der koninklijke troepen door zijn eigen manschappen zou aanvullen. Zo gebeurde. Op 12 december ondertekende Karel II de open brieven, waarmee Maximiliaan-Emanuel, de keurvorst van Beieren bijgenaamd ''de Blauwe Keurvorst'' (naar de kleur van zijn wapenrusting) en aangetrouwd familielid van de vorst, tot landvoogd der Nederlanden werd aangesteld.
In zijn consignes vanuit Madrid stond onder meer een krachtdadig bestrijden van het [[jansenisme]], generlei ambt aan verdachten verlenen, en ze uit de Leuvense Hogeschool bannen. Hij zou echter, niettegenstaande zijn jezuïetenopleiding, deze partij wier macht voor iedereen evident was, ontzien.

De Agurto trad af en droeg op 26 maart 1692 de macht aan Maximilaan van Beieren over, die te midden van algemene vreugde zijn intrede te Brussel deed. Tezelfdertijd werd in het oude paleis van de Coudenberg een schitterende hofhouding ingericht, in de trant van Versailles. Het voorbeeld van de prins van Oranje, die zopas koning van Engeland was geworden, scherpte ook zijn verlangen naar een koningskroon. Maar Maximiliaan Emanuel zou nooit het volle vertrouwen van Spanje genieten. Hij werd vooral tegengewerkt door de gezant van de katholieke koning te 's-Gravenhage, de graaf van Quiros.

In hun veldtocht van 1692 behaalden de Fransen nog nieuwe voordelen. De dood van Luxembourg in 1695 leek even een keerpunt, maar beide partijen waren door de talloze veldslagen die beurtelings het ene dan weer het andere kamp leken voordeel te brengen volkomen oorlogsmoe en in 1696 begon men aan nieuwe vredesonderhandelingen. De [[vrede van Rijswijk|verdragen van Rijswijk]] maakten een einde aan een achtjarige strijd die de Rijnstreek en de Zuidelijke Nederlanden verwoest had, waarna de meeste door Frankrijk veroverde delen van na de vrede van Nijmegen, waaronder de stad Luxemburg met haar hertogdom, werden teruggegeven. Intussen had Maximiliaan Emanuel in oktober 1697 aan Willem III reeds toelating gegeven om garnizoen te houden te Bergen, Ath, Charleroi, Namen, Luxemburg, Nieuwpoort, Kortrijk en Oudenaarde, in het vooruitzicht om van de Zuidelijke Nederlanden een bufferstaat te maken. Hij was er niet onkundig van, dat de Verenigde Provinciën vreesden de keizer de erflating ervan te zien verwerven, zodat zij, nu meer dan ooit, er een ‘barrière’ wilden van maken die in een [[Barrièretractaat|tractaat]] zou worden vastgelegd.
Het ontwerp van verdeling der Spaanse monarchie, dat door Lodewijk XIV, Willem III en de Republiek werd gesloten, voorzag [[verdrag van Den Haag (1698)|op 11 oktober 1698]] heel de Spaanse erflating, met uitzondering van Sicilië en Milaan, op naam van Lodewijks zoon [[Jozef Ferdinand van Beieren|Jozef Ferdinand]], over wie hij regent zou zijn, en die hij zou opvolgen zo deze kinderloos stierf. Dit laatste gebeurde enkele maanden later op 6 februari 1699.

Tegen 3 december 1699 was het werk van de grenscommissie voltooid en werd tussen Frankrijk en Spanje te Rijsel een grensverdrag ondertekend. Bij de nakende dood van Karel II van Spanje werkten de keizer enerzijds, en Frankrijk, Engeland en de Verenigde Provinciën anderzijds, afwijkende ontwerpen uit. De eerste was vast besloten het onmetelijk erfdeel van zijn neef aan zijn huis verbonden te houden, de anderen wensten een verdeling die het Europese evenwicht zou in stand houden.

In 1702 overleed Willem III aan een longontsteking, opgelopen tijdens de verzorging na een val van zijn paard. Vanwege zijn kinderloosheid ontstond ook hier een opvolgingsprobleem, wat op Hollands initiatief [[Tweede Stadhouderloze Tijdperk|opnieuw het Stadhouderloze Tijdperk]] betekende, hoewel in Friesland en Groningen [[Johan Willem Friso van Nassau-Dietz|Johan Willem Friso]] stadhouder was, die bovendien de titel [[Prins van Oranje]] erfde. Maar de andere provinciën volgden het initiatief maar al te graag, want er was wel erg veel wrevel ontstaan vanwege Willems voorrang van zijn buitenlandpolitiek op het binnenlands beleid. Dit was niet merkelijk verbeterd en dat veranderde ook de volgende vijfenveertig jaar niet, onder het beleid van de Hollandse [[raadspensionaris]]sen, doorgaans bekwame figuren, maar die zich eerder met het dagelijks bestuur inlieten dan strategieën en herstructureringen op gouvernementeel vlak in aanmerking te nemen. Deze constitutionele starheid werd het credo van niet alleen de republikeinen, maar ook van de oranjepartij. Het enige punt van meningsverschil tussen beide was de vraag of de prins van Oranje-Nassau, als stadhouder van Friesland dat ook voor de andere provinciën diende te worden.

Toen in 1711 [[Willem IV]] zijn overleden vader opvolgde in Friesland, werd hij alvast ook stadhouder in Groningen (1718) en Gelderland, evenals voor het district Drenthe in 1722. Maar hoe dan ook bleef de Republiek in de periode van de [[Spaanse successieoorlog]] en in de vredesperiode daarna een aan Engeland ondergeschikt beleid voeren en betekende de 18e eeuw er zowel politieke als economische stagnatie.

===== Ontreddering in de Zuidelijke Nederlanden =====
[[Bestand:Siege of Namur (1692).JPG|thumb|''[[Beleg van Namen]], juni 1692'' door [[Jean-Baptiste Martin le vieux]], september [[1688]] - september [[1697]]]]
De verwoeste Zuidelijke Nederlanden waren in de 17e eeuw al verweesd achtergebleven. En in 1678 betaalde Spanje nog eens de prijs voor [[Vrede van Nijmegen|de vredesonderhandelingen van Nijmegen]] met het verlies van Artois en Franche-Compté aan Frankrijk, dat zich al sinds 1667 op het [[devolutierecht]] voor delen van Vlaanderen had beroepen. Maar de [[Grote Alliantie]] van Willem III had Lodewijk XIV niet op de knieën kunnen krijgen. Opvolgverdragen van dat van Nijmegen, met de clausule dat de eindafbakening van de grens later zou worden bepaald, waren voortdurend in het nadeel van de Nederlanden en zorgden voor nieuwe verwoestende veldslagen op hun grondgebied. Lodewijk XIV had Maastricht aan de Hollanders teruggegeven, en vijf weken later, op 17 september, trof hij een schikking met Spanje, waarbij hem, behalve het [[Vrijgraafschap]], ook nog een nieuwe strook van de Nederlanden afgestaan werd. Kortrijk, Oudenaarde, Binche en Charleroi ontruimde hij, maar door het bezit van Valencijn, Bouchain, Condé, Kamerijk, Aire, Sint-Omaars, Ieper, Waasten, Poperinge, Belle, Cassel, Bavai en Maubeuge, bekwam hij een doorlopende regelmatige grens voor Frankrijk. De Verenigde Provinciën van hun kant behielden de vesting van Maastricht, in plaats van ze aan de katholieke koning over te dragen, zoals in 1673 beloofd was.<br />
Alles in de Zuidelijke Nederlanden had onder de veroveringen en het voortdurend gesjoemel daarover te lijden en deed het land langzaam naar een relatieve staat van onderontwikkeling afglijden. <br />
Het door de onlusten en onzekerheid ontredderd lager onderwijs bijvoorbeeld bleef enkel in de steden nog dankzij de vrouwenkloosters en wat miserabele private scholen overeind. Op het platteland was het zo goed als geheel verdwenen. In de landelijke parochiën kon met uitzondering van de heer, de pastoor, de baljuw en hier en daar een officier van justitie, niemand nog lezen of schrijven. Zelfs onder de steedse handwerkslieden maakten ongeletterden de overgrote meerderheid uit. En in de middenklasse was het niet zoveel beter gesteld. Zelden trof men er een ander boek dan een kerkboek. De weetgierigheid, als die er al was, reikte niet verder dan nieuws over staatkunde, tot tijdingen over de oorlogen waarvan zij het slachtoffer waren. <br />Wel dachten sommigen na wat daaraan verholpen kon worden. Zo publiceerde op 1 september 1686 Brussels schoolmeester [[Peter Lacourt]] in [[Willebroek]] zijn "''Inleydinghe tot de cyferconst, waerin de vyf hoofdtspeciën der arithmeticus worden uytgeleyt, gelyck men die mondelinghe soude moeten leeren''", een didactisch werk over hoe wiskunde op school zou onderwezen moeten worden.
Maar op wetenschappelijk gebied kende het zuiden weinig of geen vooruitgang. Zelfs in 1691 zag van Velden zich nog verplicht tegen de rector van Leuven, die hem wilde beletten de kosmologie van [[Nicolaas Copernicus|Copernicus]] te onderwijzen, op de Raad van Brabant beroep te doen. Enkel in de theologische faculteit heerste wat nieuw animo, maar dan vooral vanwege de crisis van het [[jansenisme]], een godsdiensttwist die de hele katholieke wereld deed daveren en tenslotte ontaardde in een conflict tussen Kerk en Staat.

Na de [[Hollandse Oorlog]] was in 1678 ene [[Alessandro Farnese (1635-1689)|Alessandro Farnese]] als nieuwe landvoogd over de Zuidelijke Nederlanden aangesteld (ter onderscheiding van zijn overgrootvader [[Alessandro Farnese (1545-1592)|hertog Alessandro van Parma]] ook wel ''Alessandro di Odoardo'' genoemd). Maar in tegenstelling tot zijn beroemde naamgenoot bleek deze totaal onbekwaam. Hij werd door het volk bespot en gehaat wanneer hij omringd door talrijke lijfjonkers en voetknechten in zijn pompeuze koets door Brussel trok, terwijl de in lompen gehulde soldaten langs de straten schooiden en de reizigers op de grote banen uitschudden. In april 1681 weigerden de ‘[[Natie (bedrijf)|natiën]]’ van Brussel de door hem gevraagde belasting toe te staan, en weldra volgde zijn schandelijke aftocht.

Te Madrid was na de dood van don Juan en de wanorde die deze al had teweeg gebracht de Oostenrijkse invloed toegenomen en begon het Hof een krachtdadiger politiek te voeren. Dat bleek uit het zenden van de ambassadeur van keizer Leopold bij Karel II, de [[Ottone Enrico del Carretto|markies van Grana]], naar de Nederlanden om in april 1682 de onbekwame nieuwe prins van Parma te komen vervangen. <br />
Maar ondanks diens pogingen om de tucht in het leger te herstellen, de financiële toestand te saneren en overal het gezag te versterken, bleef de situatie ronduit slecht, deels doordat hij het land niet voldoende kende, deels vanwege de tegenwerking van ambtenaren en magistraten, die aan een vadsig kommerloos bestaan gewend waren geraakt.

Met de dood van [[Karel II van Spanje|Karel II]] op 1 november 1700 als laatste afstammeling van Karel V eindigde het Spaanse stelsel. Hij had gewenst dat de band die sedert het einde van de 15e eeuw de ‘''landen van herwaarts over''’ aan zijn dynastie verbond bleef bestaan, indachtig dat hij de wettige opvolger was van die hertogen van Bourgondië, van wie hij echter sedert 1680 de titel niet meer voerde.<br />
Maar de [[Zuidelijke Nederlanden|tien katholieke provinciën van het zuiden]], ook al waren ze verzwakt, ten onder gebracht door de [[Blokkade van de Schelde|sluiting van de Schelde]], verwoest door de oorlogen, en lieten ze de godsdienst de plaats van vaderlandsliefde innemen, ze bleven kostbaar, omdat Europa er strategisch belang aan hechtte.

Maximiliaan Emanuel keerde in 1701 terug naar Beieren en koos in de oorlog de zijde van de Franse koning, daar hij hoopte daarmee de hem reeds eerder beloofde [[soevereiniteit]] over de Zuidelijke Nederlanden te verkrijgen en eventueel de [[Habsburg]]ers van de keizerstroon te kunnen stoten. Na de Frans-Beierse nederlaag in de [[Slag bij Blenheim]] in 1704 moest hij echter zijn land verlaten en werd twee jaar later samen met zijn broer [[Jozef Clemens van Beieren (1671-1723)|Jozef Clemens]] in de [[rijksban]] gedaan.

==== Spaanse Successieoorlog (1701-1714) ====
{{Zie hoofdartikel|Spaanse Successieoorlog}}
[[Bestand:Low Countries 1700.png|miniatuur|De Nederlanden in 1700, met de Zuidelijke Nederlanden ongeveer zoals ze waren tijdens de [[Negenjarige Oorlog (1688-1697)]]. Bergen, Charleroi, Aat en Kortrijk keren pas na deze oorlog naar de Zuidelijke Nederlanden terug.]]
Het feit dat Karel bij testament nog kort voor zijn dood op 1 november 1700 geheel onverwacht [[Filips V van Spanje|Filips V]], een neef van Lodewijk XIV, tot erfgenaam van het Spaans erfdeel, waaronder de Nederlanden, benoemd had, leidde in 1701 tot de nodige betwistingen die uitmondden in de Spaanse Successieoorlog. [[Keizer Leopold I]] zag zich namelijk, hierin gesteund door een [[Grote Alliantie|alliantie met de Republiek en met Engeland]], eveneens als Habsburgs opvolger voor de Spaanse erfenis.

De kwestie van de katholieke Nederlanden lag eens te meer, en duidelijker dan ooit, ten grondslag aan het geschil. Maximiliaan Emanuel had de regering erover in handen gelegd van de Franse [[Isidro de la Cueva y Benavides|markies Bedmar]] en deze in Parijs laten meedelen dat hij de zijde van de Fransen koos, en was daarna zelf voor een tijd naar Duitsland getrokken. En opnieuw werden de Zuidelijke Nederlanden, alvast tot de [[vrede van Utrecht (1713)|vrede van Utrecht]], het strijdveld. Een [[Bedmarlinie|verdedigingslinie]] werd in 1702 door Bedmar aangelegd rondom Vlaanderen en Brabant, als een lange linie verschansingen van het land van Waas tot de omstreken van Hoei. Het oosten werd dankzij bondgenootschappen met de prinsdommen Luik en Keulen gedekt. Alleen [[Spaans Gelderland]] lag, als noordelijke uitloper, nog open voor de bondgenoten en werd dan ook reeds in 1703 gemakkelijk door de alliantie bemachtigd.

Op 30 juni 1703 dreef Bedmar samen met Boufflers een door Obdam aangevoerd Hollands versterkingskorps, dat op Antwerpen aanrukte, terug naar Breda nadat het [[Slag bij Ekeren|bij Ekeren was verslagen]]. Daardoor moest ook [[Coehoorn]] die reeds in het land van Waas de Franse linie had doorbroken weer wijken, en konden de Engelsen in [[Haven van Oostende|Oostende]] niet ontschepen. Maar de [[hertog van Marlborough]] had zich aan de Maas gevestigd en kon op 23 augustus [[Hoei]], en op 27 september [[Limburg]] innemen.

[[Bestand:1706-05-23-Slag bij Ramillies.jpg|miniatuur|[[Slag bij Ramillies]] in [[Waals-Brabant]].]]
[[Bestand:Dendermonde, stadhuis foto5 2010-10-09 14.58.jpg| miniatuur|Stadhuis van [[Dendermonde]].]]
Vanaf 1704 verbleef [[Maximiliaan II Emanuel van Beieren|Maximiliaan Emanuel]] weer in de Nederlanden. Dat jaar werd Brugge beschoten door [[Hendrik van Nassau]] (Overkerke), die onverrichterzake moest aftrekken. Maar hij zou Namen belegeren, toen de verrassing van [[Blindheim]] de toestand plotseling wijzigde en de Franse legers zich in wanorde naar de Rijn terugtrokken. Maximiliaan Emanuel bracht het overschot van zijn regimenten op 2 oktober naar Brussel. De oorlog zou nu elders gevoerd worden, maar nog steeds op de Zuidelijke Nederlanden zijn weerslag hebben. Bijgestaan door [[Villeroy]] slaagde hij erin de stad en het slot Hoei terug te nemen (31 mei-10 juni 1705), maar de door Villars uit de Elzas teruggedreven Marlborough marcheerde richting Maas en slaagde erin van 8-11 juli de stad terug te nemen en een bres te slagen in de Franse linie bij [[Heilissem]]. Vervolgens zwenkten de Engelsen achter de Dijle, tegenover Villeroy, en bemachtigden [[Leeuwe]] op 5 september en [[Zandvliet]] op 29 oktober. Villeroy was niet tegen deze legermacht opgewassen, maar besloot niet op de versterking welke de koning hem liet aanvoeren door Marsin, en zonder de keurvorst te verwittigen, toch de aanval in te zetten. Bij [[Slag bij Ramillies|Ramillies]] werd zijn Franse leger op 23 mei 1706 verslagen en vervolgens, tegen de geplogenheden van de tijd in, achtervolgd tot onder de muren van Rijsel. Het betekende een onherstelbare ramp. De ontoereikend bemande vestingen van de Zuidelijke Nederlanden vielen één na één: Antwerpen op 6 juni, Oostende 6 juli, Menen op 22 augustus, Dendermonde 5 september, Ath op 2 oktober... [[Dendermonde]] werd door de Engelse troepen van [[John Churchill|de Hertog van Marlborough]] in puin geschoten.

[[Bestand:Blenheim Wynendael 1708.jpg|miniatuur|[[Slag bij Wijnendale]].]]
Na de bezetting door de Grote Alliantie van [[Vlaanderen]] in 1706 bleef enkel nog [[Henegouwen]], [[Namen (stad)|het Naamse]] en [[Hertogdom Luxemburg|Luxemburg]], waar Maximiliaan Emanuel zijn kamp opsloeg. De [[Slag bij Wijnendale]] op 28 september 1708 op 20 km van [[Brugge]] en van [[Oostende]] had als resultaat - de nederlaag van de Fransen - de succesvolle belegering van de Franse stad [[Rijsel]] door de [[Grote Alliantie]] onder het opperbevel van [[John Churchill]], de hertog van Marlborough en prins [[Eugenius van Savoye|Eugène van Savoye]].
Nadat in 1709 ook Henegouwen werd bezet, namen de geallieerden in 1710 niet de moeite om Namen in te nemen, maar richtten zich direct op Frankrijk. Dowaai, op 4 mei ingesloten, gaf zich op 25 juni over. Na hardnekkige weerstand vielen Béthune, Aire en Saint-Venant. Na de inname van Bouchain in 1711 lag de weg naar Parijs open, maar de geallieerden namen die niet. De verzoening van Lodewijk XIV met Engeland, het volgend jaar, en de overwinning van Villars te Denain op prins Eugeen (24 juli 1712) lieten het uitgeputte Frankrijk toe, met zijn tegenstrevers de kwestie van de Nederlanden te regelen.

Op 25 mei 1711 had Maximiliaan Emanuel te Laken aan de afgevaardigden der [[Staten van Brabant]] verklaard, dat ‘zijn troepen de vijand het hoofd niet meer konden bieden’ en had hun aangeraden ‘door een schikking te trachten Brabant en de hoofdstad te bewaren’, waarna hij zich terugtrok in Bergen voor de niet bezette gewesten waarover hij van Filips V de soevereiniteit ontving. Nadat op 17 april [[keizer Jozef I]] overleden was, verklaarden op 5 juni de Staten van Brabant zich dadelijk ‘goede en trouwe onderdanen’ van zijn opvolger [[Keizer Karel VI|Karel III van Hongarije]], zoals hen ook in brieven van de geallieerden werd aangeraden te doen, onder de garantie dat hij de privileges van het land zou eerbiedigen en inzake godsdienst geen vernieuwingen invoeren. Vlaanderen sloot zich de volgende dag hierbij aan, al waren de gewesten liever Filips V trouw gebleven dan hun geloofsbelangen in gevaar te brengen door met het Engels-Hollands leger te heulen, maar de garanties haalden hen over de schreef. En men was verheugd terug te keren onder de ‘zachte en oude heerschappij van het Oostenrijkse huis’. Met de terugkeer van de nationale zelfstandigheid zouden adel en burgerij hun invloed en hun goedbetaalde waardigheden terugkrijgen. De publieke opinie sprak zich overal uit voor de behoudsgezinden, de ''[[kurassiers]]'' zoals het volk ze noemde, tegen de ''[[karabiniers]]'' van Anjou. Zeldzame [[jansenisten]] maakten een derde partij uit, die vreesden ook onder Karel III vervolgd te zullen worden. Hun tegenstrevers beschuldigden hen van verdachte onderhandelingen met de Verenigde Provinciën voor aansluiting met de Republiek.

[[Bestand:OostenrijkseNederlanden.png|miniatuur|De Oostenrijkse Nederlanden]]
[[Bestand:Prinz-Eugen-von-Savoyen1.jpg|miniatuur|Eerste [[landvoogd]] van de [[Oostenrijkse Nederlanden]] prins [[Eugenius van Savoye]].]]
Bij de voorbereidingen van de [[Vrede van Utrecht (1713)]] kwamen drie uiteenlopende standpunten van de geallieerden aan het licht. Oostenrijk zag geen probleem meer. Aangezien Engeland en de Republiek de rechten van de Spaanse nalatenschap aan Karel III erkenden, was het logisch dat zij hem ook de regering over de Nederlanden zouden afstaan. Marlborough deelde die visie, maar zijn insteek was er vooral één van het gebied als operatiebasis tegen Frankrijk. In Den Haag dacht men daar anders over. De Republiek had zich niet in de strijd geworpen voor de Habsburger. Zij wilden Karel III wel de katholieke Nederlanden laten, doch enkel na ze te hebben veranderd in een ‘barrière’, waarachter zij verder tegen Frankrijk beschut zouden zijn. Om dat behoorlijk te realiseren, moesten zij de hoge leiding van de Nederlanden hebben. Oostenrijk boezemde hen daartoe niet het nodige vertrouwen in. Die moeilijkheden waren reeds bij de bezetting van Gelderland en Limburg in 1703 ontstaan en dat geschil was na Ramillies nog verergerd. Oostenrijk had toen listig Marlborough de landvoogdij over de Nederlanden aangeboden. Deze moest daarover echter Den Haag raadplegen en stelde vast dat de Republiek nog liever het bondgenootschap opzegde dan de opperste leiding over haar ‘barrière’ in België te moeten derven. Marlborough wees het aanbod dus af, maar vergde, dat de Verenigde Provinciën niet naar goeddunken over de katholieke Nederlanden beschikten. Dus zou het bestuur voorlopig toevertrouwd worden aan een ‘conferentie’ van Engelse en Hollandse ministers, waarmee het hof van St-James België tot zijn beschikking wist te houden, ondanks de pogingen tot weerstand vanwege de Raad van State te Brussel, terwijl het land verder uitgebuit werd.

Al bij het [[Quadruple Alliantie (1673)|verdrag van 30 augustus 1673]] had de Republiek het recht verworven, de voornaamste strategische punten van het grondgebied te bezetten, en na de vrede van Rijswijk van 1698 tot 1701 was zij door de katholieke koning gemachtigd te Kortrijk, Nieuwpoort, Oudenaarde, Bergen, Charleroi, Namen en Luxemburg garnizoen te leggen. Op 29 oktober 1709 stelden de Generale Staten, buiten weten van Oostenrijk om, aan de koningin van Engeland het eerste [[Barrière-tractaat]] voor. Zij aanvaardde, mits garantie, dat de rechten van de keurvorst van Hannover op haar erfenis zouden erkend worden. Het tractaat waarborgde hun, als de algemene vrede zou gekomen zijn, het recht garnizoen te houden te Nieuwpoort, Veurne, fort Knokke, Ieper, Menen, Rijsel, Doornijk, Condé, Valencijn, Maubeuge, Charleroi, Namen, Halen, Lier, Damme, Gent, Dendermonde, alsmede in de forten Sint-Filips en de Perel, en in de versterkte plaatsen die men nog op Frankrijk zou veroveren. Het liet hun in geval van oorlog toe in de katholieke Nederlanden zoveel troepen te zenden als zij nodig achtten. Het bepaalde, dat die troepen en garnizoenen zouden onderhouden worden op kosten van de Belgen. Het verzekerde hun tenslotte van de hulp van Groot-Brittannië bij de inlijving van [[Hoog-Gelderland]] en militaire bezetting van Luik, Hoei en Bonn, ‘opdat de “barrière” van het begin tot het einde goed aangesloten zij’. <br />
Toch had men te Wenen kennis van de hypotheek, die de zeemogendheden bij voorbaat namen op de provinciën, waarvoor zij zich verbonden hadden die voor Oostenrijk te heroveren. Karel III was verontwaardigd en dreigde zelfs onder die voorwaarden van het bezit van de Nederlanden af te zien. Gelukkig voor hem, bracht de mededeling van het verdrag aan het Lagerhuis in 1712, waardoor het aan het licht kwam, de openbare mening in beroering tegen de aanmatiging en de schaamteloosheid, waarvan het blijk gaf. Diezelfde Verenigde Provinciën, die plechtig beloofd hadden de privileges van België te zullen eerbiedigen, verkrachtten daarvan het voornaamste punt, daar zij, door het onderhoud der troepen aan de gewesten op te leggen, hun daardoor zelf het recht ontzegden de tot dat onderhoud nodige belastingen te weigeren.

Op 20 februari 1713 verklaarden de afgevaardigden der Staten van Brabant en van Vlaanderen zonder omwegen aan de [[Raad van State (historisch)|Raad van State]], dat zij besloten hadden hem slechts te erkennen als regerend ‘in naam Zijner Keizerlijke en Katholieke Majesteit, zonder dat de zeemogendheden zich daarin enige macht of enig gezag zouden voorbehouden’. De Raad van State verstoutte zich daarop te antwoorden op 28 februari, dat ‘de belangen van Zijne Majesteit en die van het vaderland in de ongelukkige toestand waarin het zich bevindt’ hem alleen aan het hart lagen. Die bevestiging van monarchale trouw, maar vooral de aanroeping van het vaderland in een land dat voorgoed in het gewestelijk particularisme gedompeld leek, verontrustte de Conferentie. Deze maande de Raad aan een verklaring van ondergeschiktheid te ondertekenen ofwel ontslag te nemen. De Raad, die zich nu door de Staten van Brabant gesteund voelde, antwoordde dat hij bleef zetelen, ‘tot dat het onze doorluchtige meester behagen zal er anders over te beschikken'. Enkele dagen later, op 22 maart, werden alle leden afgezet. Maar iedereen wist, dat weldra de algemene vrede zou gesloten worden.

[[Bestand:The Treaty of Utrecht (clean).jpg|miniatuur|Links: eerste editie van de Vrede van Utrecht in het Spaans uit 1713. Rechts: vertaling in het Engels en Latijn uit 1714.]]
[[Bestand:Western Europe Utrecht Treaty.jpg|miniatuur|Verdeling van Europa]]
Op 11 april 1713 werden de [[Vrede van Utrecht (1713)|verdragen van Utrecht]] dan ondertekend. Na zovele door oorlog verwekte deiningen hernam Europa zijn evenwicht, terwijl het over België's lot besliste, zonder dat dit daarbij vertegenwoordigd was. Ook de Republiek kwam bij de besprekingen nauwelijks te pas. In de woorden van de Franse onderhandelaar [[Melchior de Polignac]]: "''Nous traiterons sur vous, chez vous, sans vous''", (''We onderhandelen over jullie, bij jullie, zonder jullie''). Duidelijk werd de Republiek vanaf nu als een tweederangs grootmacht beschouwd. Hoewel aan de kant van de overwinnaars, verloren de Noordelijke Nederlanden het overwicht op zee, en de [[Zuidelijke Nederlanden]] kwamen aan Oostenrijk. Wel mochten [[Staatsen|Staatse garnizoenen]] worden gelegerd in acht steden van de thans [[Oostenrijkse Nederlanden]] als bescherming tegen de Fransen. Ook bekrachtigde de Vrede van Utrecht de soevereiniteit van [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] over het prinsdom [[Oranje (land)|Oranje]] en wees wapen en titel van Oranje toe aan [[Pruisen]]. [[Opper-Gelre]] werd gesplitst en kwam met de hoofdstad [[Geldern]] ook in handen van Pruisen, met uitzondering van [[Venlo (stad)|Venlo]], dat aan de Republiek toekwam, en [[Roermond (stad)|Roermond]] met enkele omliggende gemeenten, die Oostenrijks werden.

De enige territoriale winst voor de Republiek bestond dus uit de inlijving van Venlo. Vanaf 1672 was de Republiek veertig jaar bijna onafgebroken in oorlog geweest met Frankrijk. De schuldenlast van [[Holland]], dat het grootste deel van de lasten droeg, was dusdanig hoog dat 70 procent van het inkomen aan de betaling van rente opging.

Met de Verenigde Provinciën onderhandelde Maximiliaan Emanuel op 8 mei zelf, en op 29 mei ontruimden de Fransen hun laatste bezettingen van het land.

De Zuidelijke Nederlanden bleven intussen onder Staats-Brits [[Condominium (staatsvorm)|condominium]] tot een definitieve [[Barrièretractaat|barrièreregeling]] met Karel VI van Oostenrijk in voege was. Bijgevolg werd ook geen voedsel of materiaal meer aan de voorbijtrekkende soldaten geleverd. Engeland bleek na de ondertekening door de keizer meegaand en scheepte zijn laatste bezettingstroepen op 28 augustus te Oostende in. Maar de Hollandse garnizoenen vertrokken niet en zouden niet vertrekken. De Verenigde Provinciën wachtten, met het pand in de vuist, tot de keizer de besprekingen over de ‘barrière’ begon. Zij bleven, met de Britse ministers, het land door de tussenkomst van de Conferentie besturen. De garnizoenen der ‘barrière’ dienden geenszins tot de verdediging van de Republiek. Door hun slapheid en tuchteloosheid illustreerden zij slechts het verval van de republikeinse oorlogsmacht. Toch bleef zij die stijfhoofdig behouden, wellicht minder omdat zij daarin een overleving van haar roemrijk verleden zag, dan omdat zij er een bron van inkomsten in vond, alsmede een voorwendsel om elke poging tot economische wedergeboorte in de Belgische provinciën te beletten.<ref>Pirenne H. ''Geschiedenis van België''. Deel 5 Hoofdstuk II De Spaansche Successie-oorlog p. 132</ref>

[[Bestand:Europe, 1714.png|miniatuur|Europa na de Vrede van Rastatt]]
Na de Vrede van Utrecht en de [[Vrede van Rastatt]] (1714), waarbij hij zijn pas verkregen soevereiniteit afstond aan Oostenrijk, werd Maximiliaan Emmanuel hersteld op de Beierse troon. In 1714 werd [[Jozef van Königsegg]] gevolgmachtigd minister voor het bewind over de Oostenrijkse Nederlanden in naam van Karel VI en werd ook [[hertogdom Luxemburg|Luxemburg]] bij de Oostenrijkse Nederlanden ingedeeld (tot 1795).

Maximiliaan Emmanuel kreeg na in 1717 de Oostenrijkers tegen de Turken te hebben gesteund, zijn [[Keurvorst|keurvorstelijke stem]] terug. Naast staatsman en militair was hij ook verzamelaar van kunst geweest. Behalve aan [[porselein]] besteedde hij ook zowat 90.000 [[Brabantse gulden]] aan een honderdtal schilderijen, waaronder een dozijn van [[Peter Paul Rubens]], die thans de basis voor de collectie van de [[Alte Pinakothek]] vormen.
----

=== Cultuur van de Lage Landen ===
----
Al zeer vroeg werd het gebied van de Lage Landen gekenmerkt door een eigen vorm van cultuur, als men het [[Noordwestblok]], dat zich reeds in de [[bronstijd]] en de [[IJzertijd|ijzertijd]] (van het [[3e millennium v.Chr.|3e]] tot het [[1e millennium v.Chr.]]) kenmerkte als zodanig mag beschouwen. Een opeenvolging van specifieke meer verspreide culturen deed zich daarna voor.

De [[Keltische cultuur]] onderscheidde zich door meesterwerken van smeedkunst, zowel in brons als ijzer, goud en zilver, die zelfs al door de [[Oude Grieken]] gegeerd waren.

Het is pas in de Romeinse tijd dat beeldhouwkunst in steen opduikt. Ook de architectuur van gemeenschappelijke gebouwen begint zich dan te onderscheiden van de courante bouwtrant, die vooral hout en leem gebruikte. De Romeinse invloed is er dominant. Daarna is het wachten op het ontstaan van de grote steden, die al heel vroeg aansluiting vonden met plaatsen van handel en nijverheid. Uit de Karolingische tijd dateren een aantal vroege gebouwen in de typisch [[Pre-romaanse architectuur|pre-romaanse stijl]], evenals bepaalde kunstvoorwerpen. Literaire werken ontstonden toen uit de oraal overgeleverde cyclussen die nog door de [[troubadour]]s werden in leven gehouden. Het werden [[roman]]s genoemd. Ook werden christelijke teksten te boek gesteld en kunstig van [[Boekverluchting#Miniaturen|miniaturen]] voorzien. Daaruit ontwikkelde zich de 'grotere' schilderkunst, waarvan muurschilderingen in oude kerken en kloosters teruggaand tot de 14e eeuw en vroeger getuigen. Gaandeweg ontwikkelden de Lage Landen een eigen stijl en cultuurrijkdom die uitgedragen werd over heel Europa. Dit wordt wel met de term ''[[noordelijke renaissance]]'' aangeduid.

==== Wandtapijten ====
[[Bestand:Wildweibchen mit Einhorn.jpg|miniatuur|[[Wandtapijt]] "Wilde vrouw met [[eenhoorn (fabeldier)|eenhoorn]]": het symbool voor kuisheid (Bazel).]]
Volgens sommigen zou het [[tapijt van Bayeux]] vervaardigd zijn door koningin [[Mathildis van Vlaanderen]] (ca. 1031-1083) en haar hofdames<!--ref>[http://historiek.net/overige/1638-tapijt-van-bayeux Historiek net]</ref-->. Maar de oudste met zekerheid gekende [[Wandtapijt#Europa|Vlaamse wandtapijten]] dateren uit de 13e eeuw met toen als belangrijkste productiecentra [[Atrecht]] en [[Doornik]]. Deze twee centra kregen in de 15e eeuw heel wat opdrachten van de Hertogen van Bourgondië. In [[Brugge]], [[Oudenaarde]], [[Geraardsbergen]], [[Edingen]] en [[Gent]] werden ook al wandtapijten gemaakt in de veertiende eeuw. In Oudenaarde werkten meer dan 12.000 personen in deze industrietak; in Brussel circa een kwart van de bevolking, ongeveer 15.000 personen. In de 16e eeuw werden [[Brussel (stad)|Brussel]], [[Mechelen (stad)|Mechelen]] en [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] ook belangrijk op dit gebied.

Zo was de Brusselaar [[Barend van Orley]], hofschilder der beide landvoogdessen, niet alleen als schilder en glasschilder beroemd, maar was hij ook tekenaar van kartons voor tapijtwerken. Andere beroemde namen zijn [[Jan Cornelisz Vermeyen]], uit het noorden naar Brussel gekomen, en de Brusselse schilder, auteur, portrettist, architect en tekenaar [[Pieter Coecke van Aelst]].

De doorvoerhaven Antwerpen ging zorgen voor de verspreiding over de rest van Europa.<!---ref>[http://www.woltextapijten.com/wandtapijten.htm Woltextapijten.com]</ref--> [[Vlaanderen]] was daarmee het centrum van de Europese wandtapijtenproductie geworden. Na religieuze en mythologische thema's vertoonden wandtapijten ook landschappen en historische gebeurtenissen zoals [[Blijde Inkomst]]en e.d.m. Ze sierden de muren van kastelen en paleizen en weldra werden ook de beheerders van openbare gebouwen dankbare afnemers. Zo kon Karel V zijn macht en luister bijvoorbeeld in de [[Utrecht (stad)|Domstad]] tentoonspreiden. De wandtapijten verhuisden op enkele van de ruim tweehonderd bagagewagens naar de volgende vorstelijke verblijfplaats. In Italië kregen ze daarom als bijnaam ''de mobiele fresco's van het noorden''.

==== Schilderkunst ====
[[Bestand:Geertgen tot Sint Jans 003.jpg|thumb|''De heilige maagschap'', 1485 tot 1493, [[Geertgen tot Sint Jans]].]]
[[Bestand:Hasselt Virga Jessebasiliek 46.JPG|miniatuur|Gebrandschilderd glas - Hasselt [[Virga Jessebasiliek]]]]
De Lage Landen stonden al vroeg bekend om hun uitmuntende schilderkunst.
In Vlaanderen en Brabant ziet men de fijne soort schilderkunst reeds omstreeks 1400 tot hoog niveau opklimmen. Behalve die op de kolommen in de [[Pieterskerk (Utrecht)|Utrechtse Sint-Pieter]], vermoedelijk uit de 12e eeuw, die te Gorinchem en te Gent uit de 13e, vindt men nog overblijfselen van dergelijke muurschilderingen in vele Noord- en Zuid-Nederlandse kerken, o.a. te Maastricht en te Haarlem uit de 14e eeuw, te Leiden en te Stedum uit de 15e. Niet alleen op de muren en pijlers werden kleurrijke schilderingen aangebracht maar ook op de altaren, beelden en bannieren in kerken en kastelen. Het oudste bekende paneelschilderij is misschien het Utrechtse van 1363, door een anoniem, gevolgd door die van [[Melchior Broederlam]] te Brugge, daterend van omstreeks 1390.

Die kunst vond in de Nederlanden beoefenaars in de eerste plaats in de rijke gewesten Vlaanderen en Brabant, weldra ook in Holland dat ze navolgde. Wat we in de overige gewesten zien, is daar slechts een zwakke afspiegeling van: Utrecht kon omstreeks 1500 met Holland mededingen, maar het Zuiden stond aan de top.

[[Hugo van der Goes]] was in zijn tijd - hij stierf in 1482 - als eerste schilder benoorden de Alpen bekend. Zijn atelier in Brussel werd bezocht door Maximiliaan van Oostenrijk. samen met schilders als [[Jan van Eyck]], [[Rogier van der Weyden]], [[Hans Memling]] en [[Dirk Bouts]] wordt hij bij de [[Vlaamse Primitieven]] gerekend, met [[Robert Campin]] als leermeester van Van der Weyden en [[Jacques Daret]]. Het werk van deze schilders wordt doorgaans tot de vroege [[noordelijke renaissance]] gerekend. In de 15e eeuw was de schilderkunst niet meer louter bedoeld als verluchting en verklaring van religieuze onderwerpen en tot de daarbij horende gebouwen beperkt, maar trad nu naar buiten, en zij die het zich konden permitteren kochten schilderijen en andere kunstvoorwerpen om hun luxueuze paleizen te versieren en hun bezoekers te imponeren. Aan het hof van de begaafde hertog [[Jan van Beieren]] leefden omstreeks 1420 zelfs al schilders die hun werken niet alleen ten dienste van de vorst maar ook ten dienste van het vermogende publiek aanboden.

Verder was de oude [[glasschilderkunst]] ([[gebrandschilderd glas]] en later [[glas in lood]] dat in de middeleeuwse Europese kathedralen werd toegepast vanaf de 10e eeuw) en haar ontwikkeling in de 15e en 16e eeuw opmerkelijk. Volgens [[Harold Van de Perre]] "''vindt men weinig glasschilderkunst in het zonnige zuiden. Een eerder grijze regenachtige dag is de beste dag voor een glasraam. Het licht is dan immers van een zekere wazigheid en gelijke ingetoomde intensiteit.''" In de 13e eeuw treffen we sporen van deze kunst aan o.a. te Spaarndam, en documenten uit de 14e en 15e staan vol berichten van giften van beschilderde kerkglazen door vorsten en heren aan de kerken van zuid tot noord. Werken van [[Bernard van Orley]] in het zuiden, en de gebroeders [[dirck en Wouter Crabeth|Crabeth]] in het midden van de 16e eeuw te Gouda, tonen het peil aan waarop deze kunst in die dagen stond.

[[Bestand:Retable de l'Agneau mystique.jpg|500px|right]]
‘''[[Het Lam Gods (Gebroeders Van Eyck)|De Aanbidding van het Lam]]''’, het gezamenlijk Gentse werk van de gebroeders [[Hubert van Eyck]], in 1426, en [[Jan van Eyck]], vermoedelijk in 1448 gestorven, strekte door zijn finesse en kleurschakering, waarvan de frisheid de eeuwen heeft doorstaan, en door de juistheid van de tekening, een ganse [[Vlaamse School|school van Vlaamse schilders]] tot voorbeeld. Tot in Italië drong hun roem door en Italiaanse schilders kwamen naar Brugge om er hun kunst te bestuderen.

Van vergelijkbare klasse of misschien nog hoger was [[Hans Memlinc]], die omstreeks 1480 te Brugge werkte, waar een aantal van zijn beste werken zijn bewaard. Verder waren er uit Vlaanderen, Brabant en Holland: [[Rogier van der Weyden]], leermeester van Memlinc, zelf geliefd leerling van Jan van Eyck, die in het midden van de eeuw vooral te Brussel heeft gewerkt en door zijn helder en krachtig coloriet uitmuntte, [[Gerard David]] van Oudewater, [[Dirk Bouts]] van Haarlem, die te Leuven werkte (1470), [[Geertgen tot Sint Jans]] te Haarlem.

[[Lucas van Leyden]] en [[Jan van Scorel|Jan van Schoorl]] (Scorel) uit het 16e eeuwse Holland zijn de bekendste vertegenwoordigers van de nieuwe, Italiaans-Nederlandense richting.

[[Bestand:Jan Wierix 002.jpg|miniatuur|Portret van Massijs door Jan Wierix]]
[[Bestand:Jan Gossaert (ca.1478- 1536) - Maagd en kind - Lissabon Museu Calouste Gulbenkian 21-10-2010 13-14-50.jpg|{{Largethumb}}|''Maagd met kind'', Jan Gossaert, [[Museu Calouste Gulbenkian]]]]
[[Bestand:Cornelis Engebrechtsz. 001.jpg|miniatuur|''Christus in het huis van Martha en Maria'', Cornelis Engebrechtsz ca. 1515-1520. [[Rijksmuseum Amsterdam]], uitgeleend aan [[Museum Boijmans Van Beuningen]]]]
Naast hen zijn er nog tal van andere laaglandse schilders uit het begin van de 16e eeuw. De geniale Leuvenaar [[Quinten Massijs (I)|Quinten Metsijs]], goede vriend van Erasmus, de Brusselaar [[Barend van Orley]], hofschilder der beide landvoogdessen die zowel als glasschilder, als tekenaar van kartons voor tapijtwerken en als historieschilder even beroemd is, [[Jan Gossaert]] 'van Mabuse' (Maubeuge), de gevierde schilder van het naakt die aan het hof van bisschop Filips van Bourgondië leefde; de kleurige [[Frans Floris]], hoofd van een veelbezochte schilderschool te Antwerpen, die meer dan honderd leerlingen had, de Leidse schilder [[Cornelis Engebrechtsz]], leermeester van Lucas van Leyden; de Gouwenaar [[Pieter Pourbus]], een van de eerste historieschilders van zijn tijd, de strenge [[Michiel Coxie]] van Mechelen, de gedrochtenminnende [[Jheronimus Bosch]] van 's Hertogenbosch, wiens grillige schilderijen van hellevaarten de bewondering van Filips II genoten; de voortreffelijke portretschilder [[Anthonis Mor van Dashorst|Anthony Mor]] of Moro van Utrecht, die als gunst van Karel V en Philips II een schitterende positie aan het Spaanse hof kreeg. Al deze namen getuigen van de bloei van de Nederlandense schilderkunst in de 16e eeuw. Te Mechelen alleen al telde men in de omgeving van de kunstminnende landvoogdes [[Margaretha van Oostenrijk]] niet minder dan 150 schilders. In haar vrije tijd stimuleerde ze de kunsten, nodigde dichters, miniaturisten, schilders en kunstsmeden uit in haar paleis tegenover het 'Bourgondisch hof' in Mechelen, dat weldra een toonbeeld van de verheven kunsten werd.

Ten tijde van Albrecht en Isabella heeft de Vlaamse kunst met de in 1608 voorgoed te Antwerpen gevestigde [[Peter Paul Rubens]] een tijdperk van schitterende nabloei beleefd. Tweeëndertig jaar lang heeft deze echt Vlaamse [[renaissance]]schilder van het heldere licht, wiens rijke verbeeldingskracht en gloeiende kleurschakering nog steeds bewondering wekken, te Antwerpen zijn talrijke kunstgewrochten - men kent er meer dan 1500 - bewerkt. Groot schilder, talentvol tekenaar, graveur en etser, heeft hij er bovendien een merkwaardige school van veelzijdige kunstenaars gevormd, die de roem van de Vlaamse kunst hoog hielden tot zelfs in de tijd, dat die van het noorden haar begon te overtreffen. Zijn evenknie en leerling, de Antwerpenaar [[Anthony van Dyck|Anton van Dyck]], de grootste portretschilder in die dagen, heeft slechts betrekkelijk korte tijd in zijn vaderstad gewerkt, in zijn jeugd zwervend door Italië en Frankrijk, later aan het hof van Karel I van Engeland gevestigd. Naast Rubens leefde te Antwerpen de beroemde [[Jan Brueghel de Oude|‘fluwelen’ Breughel]], schilder van landschappen, dieren, genrestukken, graveur van naam, hoog in de gunst bij de aartshertogen, eveneens hoofd van een talrijk bezochte school. Onder leiding van beide meesters ontwikkelden zich nog kunstenaars als de schilders [[Hendrick van Balen|Van Baalen]], [[Sebastiaen Vrancx]], Franken, [[Daniël Seghers|Seghers]], [[Theodoor Rombouts|Rombouts]], [[Jacob Jordaens|Jordaens]], [[Pieter Neeffs|Neeffs]], de graveur [[Hieronymus Wierix|Wierix]] en anderen, die zich door hen aansloten bij de traditie van de oudere Vlaamse scholen uit midden 16e eeuw, die zij op hun katholiek-realistische Oud-Vlaamse wijze voortzetten, al ondervonden ze steeds meer invloed van de bloeiende kunstenaarsscholen van het noorden.

De scholen van de Hollandse steden begonnen zich met de grote Antwerpse schilderschool te meten, niet zozeer in kleurenrijkdom en ideale opvatting, maar in techniek van portretschildering, al valt het toppunt van hun bloei een halve eeuw later. De Antwerpse school bleef intussen, ondanks de vele bittere oorlogen die in de 17e eeuw op het grondgebied van de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten werden, nog tot ongeveer 1700 een schitterende groep schilders, beeldhouwers en bouwmeesters tellen, die van een wonderbare levenskracht getuigden. De schilderijen van de gebroeders [[Teniers]] en van [[Gaspar de Crayer]], de bouw- en beeldhouwwerken van [[Lucas Faydherbe]] zijn daarin toonaangevend.

In de Noordelijke Nederlanden waren vooral groepsportretten van regenten en andere invloedrijke personen in trek als decoratie in stadhuizen en liefdadigheidsinstellingen. Voor privé-woningen waren dat eerder stillevens en anekdotische taferelen. Grootse werken voor deze markt waren die van [[Frans Hals]], [[Jan Steen]], en [[Johannes Vermeer]]. Het was natuurlijk [[Rembrandt van Rijn]] die als grootste Hollandse schilder uit het keurslijf van de portrettisten brak met zijn eigen interpretatie en betekenisgeving. Landschapsschilders zoals [[Jacob van Ruisdael]] typeerden het aparte Nederlandse vlakkeland met zijn hoge luchten en torenende wolken en zich wijzigend lichtspel.

==== Gravuren ====
Het lijdt geen twijfel, dat reeds in het midden van de 15e eeuw de hout- en kopergravure in de Oude Nederlanden uitstekende beoefenaars telde. Ze gebruikten bijna uitsluitend Bijbelse onderwerpen: madonnafiguren, dodendansen, heiligenbeelden. Vooral hun dodendansen, als uitdrukking van de menselijke broosheid, zijn beroemd geworden.

De gravure schijnt hier te lande ontstaan te zijn in verband met de [[goudsmeedkunst]], die hier onder impuls van de rijke Bourgondische vorsten ook zeer sterk ontwikkelde.
Vlaanderen en Holland zijn de hoofdzetels van deze edele maar technisch moeilijke kunst geweest, die in het begin van de 16e eeuw met de etskunst in één adem kan genoemd worden. [[Lucas van Leyden]] was ongetwijfeld de grootste van deze Oud-Nederlandse ‘printers’. Zijn fraaie kunstwerken kunnen de vergelijking met die van zijn even beroemde tijdgenoot [[Albrecht Dürer]] doorstaan. Ze illustreren het volksleven uit zijn tijd in voortreffelijk uitgevoerde prenten, die in de taferelen uit de Bijbelse geschiedenis het karakter van realiteit behouden. Ook de Oud-Nederlandse kaarten van omstreeks 1520 leveren het bewijs van het hoge peil, waarop de houtgravure in de Lage Landen zich toen al bevond. De locatie van steden, dijken, rivieren en hun aanblik werden toen reeds met de houtgravure zichtbaar gemaakt. Houtsnijders als [[Cornelis Anthonisz.]] van Amsterdam konden zich met kopergraveurs als Lucas van Leyden meten.

Graveurs en goudsmeden, schilders en plaatsnijders vormden in die tijd samen één groot gilde, waaruit zowel de latere schilders als latere graveurs zijn voortgekomen.

==== Beeldhouwkunst ====
[[Bestand:Jacques Du Brœucq - Saint Barthélémy.JPG|miniatuur|J. Dubrœucq, '''''De heilige Bartholomëus''''' (Sint-Waltrudiskerk, Bergen)]]
Wat aan middeleeuwse gepolychromeerde houten beelden tot ons is gekomen, getuigt in het algemeen maar van medioker niveau. Veel Madonna's, kruisbeelden, Christusbeelden en Dopers zijn vanuit oudheidkundig historisch oogpunt misschien wel bijzonder, maar strelen zelden het oog. Daarbij moet men natuurlijk wel bedenken dat heel veel van deze kunstwerken zijn verloren gegaan in de periode van de [[Beeldenstorm]] en daarna. Vooral in het noorden werd er in de dagen van de calvinistische republieken weinig zorg aan besteed. Het lijkt daarom onverantwoord om op basis van het schaars overgeleverde materiaal te besluiten dat het met de beeldende kunst in de Lage Landen absoluut armzalig gesteld was. Beeldhouwkunst behoorde in het noorden zo goed als geheel aan het buitenland.

Vooral in het katholiek gebleven zuiden en uit de tijd van de kunstminnende [[Maria van Hongarije (1505-1558)|Maria van Hongarije]], zuster van keizer Karel, zijn verdienstelijke werken van hoog niveau bekend. Ze zijn al vroeg verbonden met namen van gevierde kunstenaars, zoals [[Pieter de Beckere]], die de tombe van Maria van Bourgondië beeldhouwde, of de Bergenaar [[Jacques Dubrœucq]], de beroemde Gentenaar [[Jan de Heere]], of [[Koenraad Meijt]] van Mechelen, schepper van de overgebleven graftombe van [[Filibert van Chalon|Filibert van Oranje]] te [[Lons-le-Saunier]], ook de Luikenaar [[Borset]], en de Antwerpenaar [[Jongelinck]], maker van het mausoleum van Karel de Stoute te Brugge. Deze lijst getuigt van de bloei ook in de beeldhouwkunst, zij het beperkt tot Vlaanderen en Brabant. Deze gewesten leverden toen ook de fijnste meubelwerken, waarvan de uitvoer zelfs een belangrijke plaats innam in de handel. Bedden en kasten, stoelen en tafels werden in de 16e eeuw in grote aantallen vooral uit deze gewesten uitgevoerd, en de Nederlandense schrijnwerkers - ‘kistemakers’, noemden onze voorvaderen ze - genoten in gans Europa goede faam. De geproduceerde voorwerpen en het comfort sloten nauw aan bij de Bourgondische levensstijl die algemeen verspreid raakte.

==== Architectuur ====
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van de bouwkunst}}
[[Bestand:Hôtel de Ville de Bruxelles 01.JPG|miniatuur|[[Stadhuis van Brussel]]]]
[[Bestand:Leeuwarden Turfmarkt 13 Kanselarij.jpg|miniatuur|Kanselarijgebouw te Leeuwarden]]
Meest concreet in het oog springende getuigen van bloei en culturele ontwikkeling in de Lage Landen zijn tot op heden de talloze gebouwen voor religieus, commercieel en openbaar gebruik, of de privéwoningen opgetrokken door welstellende edelen en latere patriciërs.

Het sierlijke [[Stadhuis van Brussel|stadhuis op de Grote Markt te Brussel]] waarvan de bouw in 1402 werd aangevat vond in het [[Broodhuis]] een waardig pendant; de [[Oude Beurs (Antwerpen)|Beurs te Antwerpen]], gebouwd in 1485, en de beroemde toren van de [[Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (Antwerpen)|O.L. Vrouw aldaar]], die gebouwd werd tussen 1352 en 1521, wordt tot de hoogtepunten van de [[Brabantse gotiek]] gerekend; het [[stadhuis van Oudenaarde]]; het [[Schepenhuis (Mechelen)|gebouw van de Grote Raad]] te Mechelen; verscheidene gildehuizen te Mechelen, Antwerpen, Brussel en elders; de trotse woningen der Nassau's, Egmont's, Croy's, Hoogstraten's, Ravenstein's en die van vele andere aanzienlijke geslachten in de residentiesteden Brussel en Mechelen dagtekenen uit de tijd van landvoogdes [[Margaretha van Bourgondië]], die zelf oog had voor fraaie bouwwerken.

Architectuur bleef in het noorden op een wat lager peil, al werd de oude traditie van baksteenbouw wel min of meer geslaagd met renaissancestijlen verzoend.
De Latijnse school te Nijmegen is van 1544, de Munt te Dordrecht van 1555; het [[Duivelshuis]] te Arnhem was de geliefkoosde, door hemzelf gestichte en uit zijn oorlogsbuit betaalde woning van de geduchte [[Maarten van Rossem]]. [[Paushuize]] te Utrecht werd omstreeks 1520 voor de latere paus Adrianus VI gebouwd. De Utrechtse kapittelzaal dateert van eind 15e eeuw evenals de beroemde Delftse toren. Omstreeks dezelfde tijd, begin 16e eeuw, werd de [[Sint-Janskathedraal ('s-Hertogenbosch)|Sint Janskerk]] van 's Hertogenbosch voltooid. Het [[stadhuis van Zierikzee]] dateert uit 1554, [[Stadhuis van Nijmegen|dat te Nijmegen]] is even oud, dat te Veere een vijftigtal jaren ouder. De [[Kanselarij (Leeuwarden)|Leeuwarder kanselarij]] is uit de tijd van Philips II (1566-1571). Aan het [[stadhuis van Middelburg]] werd van 1512 tot 1518 gebouwd. Tal van kerken, torens, belforten, stadhuizen, poorten en enkele nog bestaande huizen uit die dagen zouden de lijst kunnen aanvullen, in steden en dorpen. Beroemd waren de bouwmeesters [[Keldermans (bouwmeestersgeslacht)|Keldermans]] uit Mechelen, die ook te Brussel en in Zeeland veel hebben gebouwd. Uit Leuven afkomstig was [[Duhamel]], die bij de bouw van de Bossche St. Janskerk de hoofdpersoon schijnt geweest te zijn, zoals hij het beroemde [[Stadhuis van Leuven|stadhuis te Leuven]] zelf bouwde. [[Rombout van Mansdale]] was de grote Mechelse bouwmeester. [[Lodewijk van Bodegem]] en [[Hendrik van Pede]] werkten te Brussel en lagen onder meer aan de basis van het [[Stadhuis van Oudenaarde]].

Maar weldra ging meer en meer de Grieks-Romeinse [[Renaissance]]stijl de oude nationale kunst verdringen en reeds in het midden van de 16de eeuw ziet men daar duidelijk de overheersing van, ook in de architectuur, waarvan de eerste eigenlijke Renaissancewerken al omstreeks 1500 zijn te dateren.

==== Muziek ====
{{Zie ook|Zie [[Klassieke muziek#De geschiedenis van de klassieke muziek|Geschiedenis van de klassieke muziek]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}
Nog vóór de schilderkunst werd de muziek afkomstig uit de Lage Landen al beroemd. Reeds in de dagen van [[Filips de Goede]] werd deze als de beste in Europa beschouwd. In Frankrijk, Duitsland en Italië leidden musici uit de Lage Landen omstreeks 1500 de kapellen aan de vorstelijke hoven en in de hoofdkerken der voornaamste steden.
[[Bestand:DufayBinchois.jpg|miniatuur|Dufay en Binchois eerste beroemde vertegenwoordigers van de Vlaamse Polyfonie (uit ''Le Champion des dames'')]]
[[Bestand:Jacob Obrecht.jpg|miniatuur|Gents polyfonist Jacob Obrecht]]
De meeste en belangrijkste componisten zijn geboren in de historische [[Graafschap Vlaanderen|graafschappen Vlaanderen]] en [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]] en in het [[hertogdom Brabant]]. Ze vonden meestal emplooi buiten de Nederlanden, met name in [[Italië]], [[Koninkrijk Frankrijk]], het [[Heilige Roomse Rijk]] ([[Duitsland]], [[Oostenrijk]], [[Bohemen]], ...), het [[Spaanse Rijk]], [[Engeland]], [[Hongarije]], [[Denemarken]] en andere delen van [[Europa (werelddeel)|Europa]]. Geschiedschrijver [[Francesco Guicciardini|Guicciardini]] erkende dat de ''Fiaminghi'' de muziek "''hebben verheven en tot volkomenheid gebracht''". En volgens de Venetiaan Cavallo bevond zelfs de bron der muziek zich in de Lage Landen. De verspreiding van hun componeerstijl, in de hand gewerkt door revolutionaire ontwikkelingen op gebied van muziekdrukkunst vanaf 1501, creëerden de eerste werkelijk internationale stijl sinds de opgelegde eenvormigheid van de [[Gregoriaanse zang]] uit de 9de eeuw. Bij de aanvang van de [[Vlaamse polyfonie]], bestond de boekdrukkunst nog niet, en werd een ruime verspreiding van handgeschreven kopieën als bewijs van bekendheid en populariteit beschouwd.

Vanwege de ontzaglijk rijke materie en de stijlevolutie binnen de [[Franco-Vlaamse School]] worden in de polyfonie vijf generaties onderscheiden, gespreid over de periode van circa 1380-1630. Zo stamt de Luikenaar [[Johannes Ciconia]] samen met een zestal andere bekwame componisten uit de ''nulgeneratie'' en schreef zoals de meesten naast geestelijke ook wereldlijke muziek, waaronder [[Madrigaal|madrigalen]], [[ballade]]s en [[motet]]ten. Na de zogenaamde [[Bourgondische School]] of eerste Vlaamse School (circa 1420-1460), met o.m. [[Guillaume Dufay]] en [[Gilles Binchois]] en beide mogelijke verwanten [[Arnoldus de Lantins|Arnoldus]] en [[Hugo de Lantins]], treden vooral de Henegouwer [[Johannes Ockeghem]] (vader van het moderne [[contrapunt]] en leermeester van Josquin des Prez) en de nauw bij hem aansluitende Gentenaar [[Alexander Agricola]] naar voren. Deze laatste is een van de zeldzame overgangsfiguren tussen die Bourgondische stijl en de stijl van Vlaamse polyfonisten van [[Josquin Des Prez|Josquin]]s generatie, die in beide muzikale stijlen schreef. Tot de generatie van deze beroemde Josquin Des Prez behoorden verder de componist, maar vooral begaafde kopiist uit Neurenberg, [[Petrus Alamire]], de Gentenaar [[Jacob Obrecht]] en de Kortrijkzaan [[Pierre de la Rue]].

In de Vierde Vlaamse School verdringen vijf- en zesstemmigheid de vierstemmigheid. Majeur- en mineurtoonsoorten komen op samen met de klassieke harmonieleer met regels voor het opheffen van dissonante klanken. Terwijl de componisten uit de Nederlanden nog steeds over heel Europa uitzwermen, ontstaan nu - een aantal decennia nadat [[Ottaviano Petrucci]] (in 1501) in [[Venetië (stad)|Venetië]] voor de eerste keer een bundel met polyfone muziek publiceerde - in [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] ([[Tielman Susato|Susato]]) en [[Leuven]] ([[Petrus Phalesius|Phalesius]]) de eerste op polyfone muziek gerichte muziekuitgeverijen van enige omvang. Hier treffen we naast de befaamde [[Nicolas Gombert]], componist van een wereldberoemd Ave Maria, [[Jacobus Clemens non Papa]], [[Pierken Jordain]] en [[Joannes de Latre]], ook [[Gerardus van Turnhout]] en [[Thomas Crecquillon]], kapelmeester van Karel V wiens muziek bij zijn tijdgenoten in hoog aanzien stond, naast nog talloze anderen.

De [[Capilla Flamenca (hofkapel van het Habsburgs-Bourgondische huis)|Capilla Flamenca]], opgericht vanaf 1515, was een gezelschap van muzikanten dat exclusief bestond uit mensen uit deze streken en aanvankelijk [[Keizer Karel V|keizer Karel]], die er de oprichter van was, overal vergezelde. Deze cantors waren tegelijk componisten.
Gedurende periodes van politieke stabiliteit in de 15de en 16de eeuw, dus tussen twee oorlogen in, waren de Brabantse en Vlaamse gewesten binnen de Nederlanden niet alleen het kerngebied van alle noemenswaardige economische maar daarmee ook culturele activiteit. In de tweede helft van de 16e eeuw was de Franco/Vlaamse stijl dan ook over geheel Europa verbreid en niet meer aan de Nederlanden gebonden. Dit is de late Renaissanceperiode met de beroemde Mechelaar [[Philippus de Monte]], de Henegouwenaar [[Orlando di Lasso]], wiens naam in zijn oorspronkelijke Waalse vorm (''de Lattre'') uit Bergen stamt en die aan de Italiaanse hoven, te München en te Parijs zijn muzikale talenten deed bewonderen en er scholen van musici stichtte, en nog vele anderen. Tegen het einde van de 16e eeuw was niet alleen het kerngebied van muzikale vernieuwing naar Italië verlegd, maar werd het ook bemand met autochtone Italianen zoals [[Jacopo Peri]], [[Carlo Gesualdo]] en [[Claudio Monteverdi]].
De vocale muziek van [[Jan Pieterszoon Sweelinck]], [[Cornelis Schuyt]], [[Cornelis Verdonck|Cornelis]] tenslotte, en [[Jan Verdonck]], of die van Spanjes laatste kapelmeester van de Capilla Flamenca voor die werd ontbonden, Matteo Romero ([[Mathieu Rosmarin]]), wordt nog als de nabloei (circa 1600-1630) van de Vlaamse School beschouwd.

==== Wetenschap en techniek ====
==== Letterkunde ====
==== Filosofie ====
----

=== Heksenvervolging ===
----
{{Zie ook|Zie [[Europese heksenvervolging]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp <br />
en verder [[Heksenlijst Vlaanderen]]; [[heksenlijst Brabant]]; [[heksenlijst Belgisch Limburg]]}}

De oude religie van het pre-Romeinse tijdperk, die door de christenen tot '[[heidendom]]' was bestempeld en in de eeuwen daarna vooral onder [[Karel de Grote]] hardvochtig was bestreden en op de meeste plaatsen uitgeroeid, vond sporadisch toch nog uitlopers op het achtergebleven platteland en te midden van onontgonnen wouden. Heimelijk of soms meer algemeen aanvaard werden belijders ervan geraadpleegd voor hun kennis van bezweringsrituelen, voorspellingen en de toepassing van kruiden bij allerlei kwalen en ziekten. Toen het christendom zich ook over de achtergestelde gebieden begon te verspreiden werd het antagonisme tussen de aanhangers daarvan en die van de oude riten meer aangescherpt. De Kerk had informatie ingewonnen over die verschillende soorten rituelen en achtte ze in strijd met de eigen geloofsartikelen. Ze werden als verwerpelijk opgesomd in de [[Indiculus superstitionum et paganiarum]]. Dit was een index van de praktijken die thans van rechtswege verboden werden en onder de categorie 'ketterij' vielen. Geleidelijk kwamen er steeds strengere straffen te staan op het beoefenen van deze praktijken, en met name de bedienaars ervan, de [[Heks (persoon)|heksen]], werden geviseerd en op een pijnlijke manier ondervraagd.

[[Bestand:Meister der 'Cité des Dames' 002.jpg|miniatuur|Miniatuur uit het ''Livre de la Cité des Dames''. Links de auteur met vrouwe Rede, Rechtvaardigheid en Recht, rechts het bouwen van de stad voor vrouwen.]]
Het was in de tijd dat bijna in gans Europa de onderdrukking van de vrouw een hoogtepunt bereikte, zelfs zo dat de Franse schrijfster [[Christine de Pisan]] in een eigen publicatie, ''Livre de la Cité des Dames'' (''Boek van de stad der vrouwen''), het toenemend antifeminisme, dat reeds met het invoeren van de [[Salische Wet]] publiekelijk de kop had opgestoken, uitdrukkelijk aan de kaak stelde.

De meeste heksen bleken vrouwen te zijn die de oude riten en gebruiken kenden en bleven navolgen. Hun verre voorgangsters waren ooit als [[Veleta]] in de Keltische tijd, toen koninginnen als [[Boudicca]] en [[Cartimandua]] nog stamhoofd waren, personen van hoog aanzien geweest. Met de komst van de Romeinen, en vooral daarna onder het regime van de Franken, was hun status merkelijk aangetast. En in de middeleeuwen werden zij vanuit het christendom letterlijk met de vinger gewezen en uitgestoten of berecht op beschuldiging van het uitoefenen van zwarte magie en omgang met de duivel. Veel van deze vrouwen, vooral op hogere leeftijd, trokken zich uit eigen beweging of onder dwang terug op afgelegen plaatsen en in wouden. Zij onderhielden wel contacten met elkaar (bijvoorbeeld op de heksensabbats), maar schuwden doorgaans omgang met de gewone bevolking, of probeerden hun identiteit te verbergen, tenzij voor degenen die af en toe hun diensten kwamen inroepen.

[[Bestand:Scan10014.JPG|miniatuur|Pijnlijke ondervraging]]
Toen de Kerk hekserij als omgang met de [[Duivel]] begon te bestempelen had dit een toename van het aantal aangiften tot gevolg en werden steeds meer heksen of vermeende heksen opgepakt. Vooral de [[Dominicanen|dominicaanse orde]], die in 1216 was opgericht om ketterij te bestrijden en in 1326 gemachtigd om heksen te vervolgen, deed de heksenjacht toenemen.

In 1559 werd een [[Index librorum prohibitorum]] (lijst van verboden boeken) ingesteld door de [[Congregatie voor de Geloofsleer|Heilige Congregatie van de Inquisitie]] van de Rooms-katholieke kerk. Het leven van al wie dergelijke boeken bezat of kende was in gevaar.

Na de 15e eeuw werden heksen als duivelaanbidsters beschouwd en niet meer als onschuldige heidense kruidenvrouwtjes of [[Sjamanisme|medicijnmannen]]. Omdat ze actief werden gezocht liepen zij vaker veroordelingen op. Vanaf 1560 was de onderdrukking van vrouwen dermate toegenomen dat zij 80-90% van de beschuldigden uitmaakten.

Maar het was pas in de renaissance dat de ware heksenprocessen massaal op gang kwamen en de veroordeelden publiekelijk op de brandstapel werden ter dood gebracht, ook al had de paus daartoe niet uitdrukkelijk toestemming gegeven (wel tot vervolging en veroordeling). Deze processen waren een uitvloeisel van de ketterijprocessen die in de Spaanse tijd door de [[Inquisitie]] werden ingericht.

Bekende heksenprocessen zijn die [[Heksenprocessen te Bredevoort|te Bredevoort]], [[Heksenprocessen op Westvoorn|op Westvoorn]], [[Heksenproces tegen Katharina Kepler|dat tegen Katharina Kepler]] die werd vrijgesproken, [[Heksenprocessen te Amersfoort en Utrecht|te Amersfoort en Utrecht]], [[Heksenprocessen te Asten|te Asten]], en verder [[Heksenprocessen te Roermond|die te Roermond]].

[[Bestand:Oudewater heksenwaag.JPG|miniatuur|[[Waag (Oudewater)|De heksenwaag van Oudewater]].]]
De eerste massa-heksenprocessen begonnen rond 1590. De [[Waag (Oudewater)|Heksenwaag]] in [[Oudewater]] in de Republiek werd berucht. Daarna volgden complete "[[epidemie]]ën" van processen. De [[Heksenprocessen te Amersfoort en Utrecht]] tussen 1591 en 1595 startten in [[Amersfoort]] maar de beschuldigden stonden in [[Utrecht (stad)|Utrecht]] voor een [[Hof van Utrecht|hogere rechtbank]] terecht. De verdachten werden gefolterd en gedwongen om de namen van anderen te noemen. Zo stierf bijvoorbeeld de zeventigjarige [[Marigje Arriens]], een kruidenvrouwtje uit het Zuid-Hollandse Schoonhoven, na betichting van [[heks (persoon)|hekserij]] op de brandstapel.

De [[Heksenprocessen te Asten]] die rond 1595 gevoerd werden, vormden een onderdeel van een grotere reeks processen in de [[Peel (Nederland)|Peel]] en de [[Meierij van 's-Hertogenbosch]].

In gebieden waar de [[contrareformatie]] heerste, vonden de meeste massaprocessen plaats. De [[jezuïeten]] waren grote voorstanders van deze processen. Altijd bleven zich echter mensen tegen de [[Europese heksenvervolging|heksenvervolging]] keren, waaronder de [[humanisme|humanisten]].

Toen mettertijd meer en meer lieden uit hogere kringen op dergelijke processen terecht kwamen, ontstond publieke weerstand ertegen. Ook de komst van het humanisme hielp de zaak inperken, omdat veel humanisten deze praktijk sterk veroordeelden.

== Oostenrijkse Nederlanden of Belgium Austriacum (1715-1795) ==
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van Belgium Austriacum}}
[[Bestand:OostenrijkseNederlanden.png|miniatuur|Belgium Austriacum of de Oostenrijkse Nederlanden]]
Met de dood van [[Karel II van Spanje]] in 1700 was voor de Nederlanden de Spaanse tijd geëindigd. In zijn testament had Karel Spanje en de Spaanse territoria overgemaakt aan de Bourbon en kleinzoon van Lodewijk XIV, [[Filips V van Spanje|Filips van Anjou (Filips V)]]. Maar omdat de andere mogendheden ertegen waren dat Frankrijk hierdoor aan macht zou winnen, was de [[Spaanse Successieoorlog]] uitgebroken. Met de [[Vrede van Utrecht (1713)|Verdragen van Utrecht van 1713]] werd uiteindelijk overeengekomen dat de Spaanse Nederlanden thans de keizer van het heilig Roomse Rijk, [[Keizer Karel VI|Karel VI]] te beurt vielen.

Deze had via de [[Pragmatieke Sanctie (1713)]] bepaald dat zijn dochter [[Maria Theresia van Oostenrijk (1717-1780)|Maria Theresia]] hem zou opvolgen, wat toen nog door alle grote Europese staten erkend werd.De Spaanse Nederlanden die zij zou erven bleven sinds de [[Plakkaat van Verlatinghe|afsplitsing van het noorden in 1581]] verder in twee grote delen verdeeld, waarvan de facto thans het zuidelijke in Oostenrijkse handen overging. Deze tien provinciën werden vanaf nu dan ook de [[Oostenrijkse Nederlanden]], of ''Belgium Austriacum'' genoemd. Omdat men daar te lande gehoopt had met het nieuwe regime aan de Hollandse verdrukking te ontsnappen, verwekte het heel wat onrust en wrevel, toen bleek dat de nieuwe vorst niet alleen [[Noord-Vlaanderen]] aan hen afstond, maar ook nog met een '[[Barrièretractaat]]' toeliet dat Hollandse troepen op het grondgebeid werden gestationeerd, en bovendien in weerwil van de privileges een belasting werd geheven om deze te onderhouden. Men voelde zich bedrogen en intussen jammerden de geestelijken over de gevaren welke de aanwezigheid van een [[ketter]]s leger voor de godsdienst inhield, en de kooplieden over de aanstaande vernietiging van wat nog van de handel overbleef. Sommigen spoorden de keizer aan om het Hollands juk af te werpen en naar de wapens te grijpen. Men wist immers dat ook Frankrijk niet erg op dit Barrièretractaat was gesteld en aan Den Haag in plaats daarvan een ''verklaring van eeuwigdurende neutraliteit'' van het zuidelijk grondgebeid had voorgesteld. Dit wekte te lande opnieuw een vurige genegenheid voor Frankrijk in de hand. De markies van Rossi schreef vanuit Brussel zelfs, dat ‘''de Vlamingen geen ogenblik zouden aarzelen om in opstand te komen, zo zij de mogelijkheid zagen door Frankrijk geholpen te worden''...'

=== Onder prins Eugeen en markgraaf Prié (1716-1725) ===
[[Bestand:Prinz-Eugen-von-Savoyen1.jpg|miniatuur|Eerste [[landvoogd]] van [[Oostenrijkse Nederlanden|Belgium Austracium]] prins [[Eugenius van Savoye]].]]
[[Keizer Karel VI|Karel VI]] had voor de positie van landvoogd aan [[Eugenius van Savoye|prins Eugeen]] gedacht, maar het regentschap noopte de keizer tot 25 juni 1716 te wachten om hem de nodige brieven te zenden voor deze post, met dezelfde bezoldiging en dezelfde bevoegdheid als ten tijde van ‘''onze roemrijke voorgangers, de koningen van Spanje''’.

Prins Eugenius van Savoye is nooit ter plaatse gekomen maar liet zich vertegenwoordigen door [[markgraaf]] [[Hercule-Louis Turinetti|de Prié]]. Maar in de [[Zuidelijke Nederlanden]], vanaf nu ''Belgium Austriacum'' genoemd, was het in die tijd moeilijk regeren. Als gevolg van de langdurige oorlogen en de bezetting van het land was er al lang geen algemeen en regelmatig bestuur meer. Elke stad en elke gemeente regeerde er zichzelf. Elk deelgebiedje was in [[particularisme]] achtergebleven. Macht, luister en rijkdom waren de bevolking door de achtereenvolgende bezettingen van [[Spanjaarden]], [[Koninkrijk Frankrijk|Fransen]], [[Engelsen (volk)|Engelsen]], [[Nederlanders]] en [[Oostenrijkers]] ontnomen. Het land moest vanwege het [[Barrièretractaat]] ook de permanente Nederlandse bezettingsmacht financieren. Er heerste bijgevolg grote armoede en talrijke steden kwamen geleidelijk in verzet. Te [[Brussel (stad)|Brussel]] woedde weldra de opstand.

Vastberaden hadden de [[Staten van Vlaanderen]] en die [[Staten van Brabant|van Brabant]] besloten hun klachten bij [[keizer Karel VI|de keizer]] aanhangig te maken. Toen de afgevaardigden in februari 1716 door hem werden ontvangen, verbaasde deze zich over hun toon, waarbij hij moest vaststellen voor het eerst voor lieden te staan die, zich beroepend op de [[Vrede van Rastatt]], (die de vrijheden der Nederlanden waarborgde), ''hun'' privileges tegenover ''zijn'' soevereiniteit stelden.

Vooraleer hij naar Brussel kwam, zou Prié eerst naar 's-Gravenhage reizen. De keizer had besloten zijn diplomatisch talent aan te wenden om de wijziging van het Barrièretractaat te bekomen. Hij wist, dat niets anders de gemoederen in België tot bedaren zou brengen. Op 22 december 1718 kon Prié Karel VI de tamelijk voordelige overeenkomst voorleggen waarmee de Verenigde Provinciën een vijfde van het beloofde gebied afgedwongen was en de Staten van Vlaanderen en Brabant hun vrijheid voor het stemmen over de toelagen herwonnen hadden. De keizer zag zich daarmee genoodzaakt het vernederend Barrièretractaat te aanvaarden en er de bevolking mee op te zadelen, die uiteindelijk een eindeloze lijst grieven zou indienen over het gedrag van de soldaten. Het enige effect van de ‘barrière’ was dat de vijandigheid die het [[Godsdienstoorlog|godsdienstverschil]] sinds het einde van de 16e eeuw tussen Belgen en Hollanders had verwekt nog toenam.

De Prié stond voor een quasi onmogelijke opdracht als het erop aankwam een regering te vormen. Bij de ondertekening van de [[Vrede van Utrecht (1713)|vrede van Utrecht]] ressorteerden de landsdelen onder vier machten:

1. Oostenrijk bestuurde [[Hertogdom Limburg|Limburg]]; <br />
2. de Conferentie der zeemogendheden: [[Graafschap Vlaanderen|Vlaanderen]], [[Hertogdom Brabant|Brabant]] en [[Heerlijkheid Mechelen|Mechelen]]; <br />
3. [[Maximiliaan II Emanuel van Beieren|Maximiliaan Emanuel]]: het [[Graafschap Namen|Naamse]] en [[Hertogdom Luxemburg|Luxemburg]]; <br />
4. en tenslotte bezetten de Verenigde Provinciën [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]], de door Lodewijk XIV afgestane landen, het [[Doornik en het Doornikse|Doornikse]] en [[West-Vlaanderen (1713)|West-Vlaanderen]], alsmede [[Spaans-Gelderland]].

[[Bestand:Luyster van Brabant 2.jpg|miniatuur|''Luyster van Brabant'' wordt pro memorie aan de keizer bezorgd.]]
Bij de oude tien provinciën (Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Luxemburg, Limburg, Gelderland, Mechelen, Doornijk en het Doornijkse), kwam als elfde: West-Vlaanderen. Op 11 januari 1717 kon De Prié overeenkomstig een ontvangen bevel eindelijk een voorlopige 'regerings-junta' (''junta del gobierno'') inrichten. Het regeringsstelsel dat hij op 29 maart 1718 voor Oostenrijks België invoerde bestond uit een Raad van State, gevormd uit rechtsgeleerden een aantal grote heren, en een financiële instelling met een onder de ministers van de Raad van State genomen algemeen bestuurder, bijgestaan door drie te Brussel gevestigde intendanten en vier provinciale, allemaal rechtstreeks onder de vorst ressorterend. Maar Prié zag zich in januari 1719 al genoodzaakt de Raad alle rechtsmacht te ontnemen; deze zou voortaan enkel nog beraadslagen onder het voorzitterschap van de minister zelf en werd een louter raadgevend lichaam.

Dit was niet naar de zin van de adel, zodat een open conflict uitbrak tussen de edelen en Prié.
Ook het volk kwam in beroering. In april 1717 waren te Brussel naar aanleiding van een vraag om [[bede (belasting)|beden]] onlusten en geweld uitgebroken vanwege algemene verontwaardiging over het Barrièretractaat en het uitblijven van een krachtdadige regering.
Het in 1699 uitgegeven boek ''Luyster van Brabant''<ref>[http://books.google.nl/books?id=wvE-AAAAcAAJ&printsec=frontcover&hl=nl#v=onepage&q&f=false ''Luyster van Brabant'']</ref>, dat de staatkundige belangrijkheid, welke hun voorvaders in de 15e eeuw genoten hadden beschreef en bejubelde, was intussen ruim in omloop en had zelfs de handwerkslieden aangemoedigd voor terugkeer naar de gemeentelijke zelfstandigheid uit de middeleeuwen te ijveren.

[[Bestand:Anneessens 01.JPG|miniatuur|<center>Het [[Anneessensplein]], de vroegere ''Oude Markt'', in Brussel met het standbeeld van Anneessens<center/>]]
In 1719 werd te Brussel [[Frans Anneessens]] op last van Prié door een regelmatige rechtbank als misdadiger veroordeeld, en op 17 september als laatste in de bloedige reeks burgers die slachtoffer werden van hun gehechtheid aan de gemeentelijke vrijheden onthoofd.
Prié kon het verzet van de edelen echter niet overwinnen en raakte steeds meer in opspraak wegens gekonkel en financiële fraude. Zolang hij op prins Eugeen mocht rekenen, kon hij de storm nog het hoofd bieden. Maar toen deze gewaar werd dat hij zelf het volle vertrouwen van de keizer verloor en aan Karel VI in november 1724 zijn ontslag als [[gouverneur-generaal]] aanbood, werd over het lot van de markgraaf beslist. Verdacht en in ongenade gevallen werd deze op 23 december naar Wenen teruggeroepen, al hielden de vervolgingen van schuldeisers hem nog tot mei 1725 te Brussel, waarna hij op 12 januari 1726 plots overleed.

=== Onder Maria Elisabeth (1725-1741) ===
[[Bestand:Belgium map 1725 legend.jpg|miniatuur|Legende van een episcopale kaart uit 1725 met de aanduiding van ''België'']]
Reeds op 23 december 1724 had de [[keizer Karel VI]] zijn zuster [[Maria Elisabeth van Oostenrijk (1680-1741)|Maria Elisabeth]] als landvoogdes aangewezen. De vijfenveertigjarige aartshertogin deed op 9 oktober 1725 haar intrede. In Leuven verbaasde zij de [[Oude Universiteit Leuven|Hogeschool]] door op de redevoering van de rector in het Latijn te antwoorden.

[[Bestand:Maria Elisabeth von Habsburg Statthalterin.JPG|miniatuur|Onder [[Maria Elisabeth van Oostenrijk (1680-1741)|Maria Elisabeth van Oostenrijk]] beleefde België een periode van rust en relatieve welvaart. Tegelijk vestigde zij het Oostenrijks regime.]]
[[Geheimraad]] van de landvoogdes werd haar Franse biechtvader, Pater Amiot. Het volk hield van haar om haar blijken van godsvrucht. De Brusselse [[nuntiatuur]], die sinds de dood van aartshertogin Isabella aan internuntiussen was overgelaten, werd in 1725 hersteld en leek de waarborg voor het innig verbond tussen Kerk en Staat, dat onder de landvoogdij van Maria Elisabeth tot stand kwam.

[[Bestand:Blessed Sacrament procession, First Annual Southeastern Eucharistic Congress, Charlotte, North Carolina - 20050924-01.jpg|miniatuur|Processie met de geconsacreerde hostie, eucharistisch congres in [[Charlotte (North Carolina)|Charlotte]], 2005]]
Het volk zag met graagte toe hoe zij [[bedevaart]]en, [[processie]]s en kloosterjubileums bijwoonde, op [[Witte Donderdag]] de voeten van twaalf arme vrouwen waste, en uit haar koets stapte om het [[hostie|heilig sacrament]] te volgen. Haar godsvrucht, meer vanuit het hoofd dan uit het hart, ging gepaard met een strenge eerbied voor de [[etiquette]]. Trots over haar rang zonderde zij zich af in het hof, at alleen en werd door dames bediend. Zij hield er een grootmeesteres, een grootmeester, een opperstalmeester, een opperschenker en een wachthoofd op na, allen gekozen uit de Oostenrijkse hoge adel en de vooraanstaande Belgische families. Gedurende haar zestienjarig bewind, het langste dat de Nederlanden kenden sedert [[Albrecht van Oostenrijk|Albrecht]] en [[Isabella van Spanje|Isabella]], vestigde zij hier het Oostenrijks stelsel, dat onder het bestuur van Prié nog zo gehaat werd.

Mede door de [[Blokkade van de Schelde|afsluiting van de Schelde]] en hoge invoertarieven bleef de handel evenwel stagneren. Enkel de landbouw bloeide weer op en ontwikkelde zich in 1740 zelfs vrij snel. Daar uitvoer van graan tussen 1725 en 1740 slechts zesmaal verboden werd, blijken meer dan de helft van de tijd de oogstopbrengsten te voldoen.

In 1736 schreef Maria Elisabeth voor om liefst kandidaten uit de hoge adel in de justitieraden te benoemen. In 1737 aanvaardde hertog [[Leopold Filips van Arenberg|Leopold van Arenberg]] het opperbevelhebberschap over de troepen in de Nederlanden, een post die nooit eerder door een Belg was waargenomen. Twee jaar later mocht zij vernemen, ‘''dat verscheidene edelen een ambt waarnemen en dat anderen een bediening vragen''’.

Enige reden tot ongerustheid in het land vormde de hernieuwde godsdiensttwist tussen enerzijds de [[jezuïeten]], die de paus aanhingen en steun van de [[Oude Universiteit Leuven|katholieke universiteit van Leuven]] genoten, en anderzijds de opvolgers van het [[jansenisme]] waar canonist [[Zeger Bernhard van Espen|Willem Van Espen]] de leiding over had en rond wie zich zowat alle rechtsgeleerden schaarden. Een belangrijk twistpunt was de dogmatische [[onfeilbaarheid van de paus]], die door Van Espen werd tegengesproken.

Vanaf 1725 werden de opponenten - overigens geheel in strijd met de vermaningen van de keizer - door het gezag eerder aan een krachtdadige beteugeling blootgesteld. De aartshertogin had niet de gewoonte de aanwijzingen die zij van de keizer ontving geheel na te komen, omdat zijn bemoeizucht haar eerder ergerde.

Van Espen en de zijnen moesten ook voortdurend aanvallen van de Leuvense godsgeleerden incasseren. De [[Raad van Brabant]] dierf hem niet te verdedigen en bepaalde zich ertoe een schuchter verzoekschrift naar de aartshertogin te sturen, die zich echter niet verwaardigde het te beantwoorden. De ontembare tachtiger vond uiteindelijk zijn laatste toevlucht in de kerk van Utrecht. Met hem verdween het Belgisch jansenisme. Maria Elisabeth probeerde ook de kleine [[Reformatie|hervormde gemeenschappen]] uit te roeien, die nog in Vlaanderen te Maria-Hoorebeke, in het Doornijkse, te Dour in Henegouwen, te Eupen en te Hodimont in Limburg bestonden. Een in 1734 opgesteld edict strafte met boete of verbanning diegenen die voortaan de [[sacrament]]en niet zouden gebruiken, slechte boeken lezen of verkopen, [[psalm]]en zingen, geheime vergaderingen bijwonen of gemengde huwelijken aangaan. De [[Hervorming]] was in België nog slechts iets vreemds, een overlevering waar men zich niet over hoefde te verontrusten. Het edict bleef dus begraven in het archief van de [[Private Raad]], en de [[protestanten]] leefden voort zoals ze dat sinds eind 16e eeuw hadden gedaan, dus zonder wettelijke toelating maar wel feitelijk gedoogd op voorwaarde dat zij voor hun geloof niet ijverden.

De bisschoppen waren intussen gelukkig met hun overwinningen, vooral die op het jansenisme, maar zagen niet, dat de regering van Wenen zich in feite door van Espen's grondbeginselen liet leiden.

Maria Elisabeth overleed op 26 augustus 1741 te [[Mariemont]].

=== Tijdens het keizerinschap van Maria Theresia (1741-1780) ===
[[Bestand:Maria Theresia by Schmitner.jpg|miniatuur|Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk]]
Na de dood van Karel VI op 20 oktober 1740 haastten zich de Staten der Provinciën, die in 1725 eenparig de Pragmatieke Sanctie van Karel VI hadden goedgekeurd, om [[Maria Theresia van Oostenrijk (1717-1780)|Maria Theresia]] van hun trouw en wensen in kennis te stellen. Al bij de aankondiging van haar troonsopvolging had zij hen verzekerd hun privileges te zullen eerbiedigen, en in hun brieven drongen allen nu aan op die belofte. Ze waren alvast aangenaam verrast niet meteen in de [[Oostenrijkse Successieoorlog]] (1740-1748) meegesleept te worden, toen Maria Theresia in het begin al haar tijd en middelen moest inzetten om haar vijanden het hoofd te bieden.
Aanvankelijk was keizerin Maria Theresia voornemens geweest in ruil voor ''afstand van de Nederlanden'' de vrede af te kopen van Beieren en vervolgens van Frankrijk. Omdat die ruil niet aanvaard werd, moesten de Nederlanden nu beter worden verdedigd.

Opperbevelhebber [[Leopold Filips van Arenberg|van Arenberg]] beschikte daartoe slechts over acht [[linie]]regimenten en twee [[ruiterij]]regimenten, samen zo'n 10.000 strijders. Met die onbeduidende krijgsmacht kon op [[Koninkrijk Frankrijk|Frankrijk]] niet eens de nodige druk worden uitgeoefend om [[Lodewijk XV van Frankrijk|Lodewijk XV]] zijn vechtende legers uit Duitsland en Bohemen te doen terugroepen. Er werd dus bevel gegeven zich onverwijld voor de strijd toe te rusten. Graaf [[Harrach]] en graaf van Königsegg, die na het overlijden van Maria Elisabeth achtereenvolgens ad interim regeerden, kweten zich zo goed mogelijk van deze taak. De provinciën schonken toelagen, en leningen werden aangegaan in Holland. Versterkingswerken werden uitgevoerd rond Brussel, en in 1742 stond ongeveer 30.000 man onder de wapens paraat. Dat kleine leger verenigde zich het jaar daarop met de Engelse regimenten die [[George II van Groot-Brittannië]] over de Nederlanden aan Maria Theresia ter hulp zond. Het nam met hen deel aan de [[Slag van Dettingen|zege van Dettingen]] (27 juni 1743), waar wel de hertog van Arenberg gewond raakte, maar waarvan de onverwachte tijding bij de Belgen een gunstige stemming teweegbracht ten aanzien van de jeugdige vorstin.
 [[Bestand:Battle-of-Fontenoy.jpg|miniatuur|Slag bij Fontenoy (Édouard Detaille)]]
[[Bestand:Hohenfriedeberg.Attack.of.Prussian.Infantry.1745.jpg|miniatuur|Aanval door de Pruisische infanterie tijdens de Slag bij Hohenfriedberg in de Oostenrijkse successieoorlog]]
Toen de Fransen zich wegens hun verlies in [[Karlstein am Main|Dettingen]] uit Duitsland hadden moeten terugtrekken, voelden zij zich bedreigd langs de [[Elzas]], en probeerden het oorlogsterrein naar het noorden te verleggen. Men wist dat de garnizoenen van de 'barrière' geen ernstig obstakel betekenden.

Op 15 maart 1744 verklaarde Frankrijk Engeland de oorlog. In juni staken Franse troepen onder [[Maurits van Saksen (1696-1750)|Maurits van Saksen]] de grens van [[Oostenrijkse Nederlanden|Vlaanderen]] over, en vorderden zo snel dat de vestingen één na één vielen.

De poging van de Engelsen om de inval door een geregeld gevecht te stuiten werd het jaar daarop in bloed gesmoord in de [[Slag bij Fontenoy (1745)]], waarna zij zich ertoe moesten beperken Brussel te beveiligen, terwijl gans Vlaanderen in handen van de Fransen viel. Vier dagen na de capitulatie, die op 21 februari ondertekend werd, trokken Franse troepen voor het eerste de hoofdstad binnen. De regering was naar [[Antwerpen (stad)|Antwerpen]] gevlucht, door de overwinnaar achternagezeten tot 11 juni, en achtervolgd tot op de weg naar Breda, waarna ze naar Aken vluchtte.

Vervolgens begaven de Fransen zich naar de zuidelijke vestingen. Op 30 september werd de beroemde [[Citadel van Namen|vesting van Namen]] na twintig dagen verblijf in de loopgraven ingenomen. De tien Hollandse bataljons van het garnizoen voegden zich beschaamd bij hun 30.000 landgenoten die sedert het begin van de oorlog krijgsgevangen waren gemaakt. Voor het eerst was gans België, met uitzondering van [[Gelderland]] en [[Luxemburg (land)|Luxemburg]], nu door Frankrijk bezet.

De overrompeling van de [[Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden|Republiek]], die vergeefs de koning met onderhandelingen had gepaaid en tegelijk de hulp van Engeland en Oostenrijk had ingeroepen, volgde al in april 1747 en vorderde nog sneller dan die van België. De angst en woede van het volk waren er aanleiding tot herinvoering van het [[Stadhouder]]schap.

Op 2 juli versloeg Maurits van Saksen in de [[Slag bij Lafelt]] de Engelsen, die de hulp van hun te laat gekomen Oostenrijkse bondgenoten moesten derven. [[Bergen-op-Zoom]] werd datzelfde jaar veroverd door een detachement van 30.000 man onder leiding van graaf [[Löwendahl]]. In 1748 vielen de Fransen Maastricht aan en na een korte belegering viel ook deze stad hun op 7 mei in handen.

De Oostenrijkse Successieoorlog werd aan de onderhandelingstafel beslecht met de [[Vrede van Aken (1748)|Vrede van Aken]]. Frankrijk, dat geen geld meer had en op zee en in Amerika slechts nederlagen had ontmoet, zag zijn verovering als een kostbaar pand, waarmee het nu over vrede zou kunnen onderhandelen, en dat het slechts zou afstaan tegen wat het verloren had.

Zodra de Nederlanden door de vrede van Aken aan Maria-Theresia waren teruggegeven, zond zij [[Karel van Lotharingen (1712-1780)|Karel van Lotharingen]] erheen. De landvoogd keerde in de hoofdstad terug op 23 april 1749, na deze kort na zijn aanstelling op 26 maart in 1744 te hebben verlaten om de troepen bij de strijd in de Elzas te leiden. Het Weense hof had de teruggave van [[Silezië]] boven België als schenking verkozen. In het [[Verdrag van Versailles (1756)]] van 1 mei werd alvast beloofd, in ruil voor een goede verstandhouding met Wenen en ''defensieve neutraliteit'', afstand van de Nederlanden te doen aan [[Filips van Parma|de hertog van Parma, don Filips]]. Het tweede [[Verdrag van Versailles (1757)|verdrag van Versailles (1 mei 1757)]] veranderde dit eerste in een uitdrukkelijk bondgenootschap, en Frankrijk beloofde toen Oostenrijk zijn hulp tegen Pruisen. Zelf verwierf het soevereiniteit over Chimay, Beaumont, Bergen, Ieper, Veurne, Oostende en Nieuwpoort, welke (met uitzondering van beide laatste, die dadelijk moesten worden overgeleverd) zouden afgegeven worden zodra Maria-Theresia weer in het bezit van Silezië was. De rest van de Nederlanden zou aan don Filips worden afgestaan in ruil voor de hertogdommen Parma, Piacenza en Guastalla, die het erf van de keizerin zouden vergroten.
Het was sedert het einde van de 17e eeuw voor de tweede keer, dat de Europese politiek België tot een onafhankelijke staat wilde maken. Het kortstondig Belgisch koningschap van [[Maximiliaan II Emanuel van Beieren|Maximiliaan Emanuel]] was daarvan een eerste voorteken geweest.

[[Bestand:Hubertusburg.JPG|miniatuur|Schloss Hubertusburg]]
Maar Frankrijk geraakte al te diep in de oorlog met Pruisen verwikkeld en in de maand februari van 1759 beperkte een derde verdrag de Maria-Theresia toegezegde geldmiddelen en soldaten, en was er van het afstaan van de Nederlanden aan don Filips geen sprake meer. Wel werd de belofte hernieuwd Oostende en Nieuwpoort aan Frankrijk te zullen afstaan na de herovering van Silezië door de keizerin. Maar de oorlog eindigde zonder dat Silezië heroverd werd en na de [[vrede van Hubertusburg]] en van Parijs van februari 1763 bleef Oostenrijk in het bezit van België. Deze verdragen openden voor het land evenwel een tijdperk van een halve eeuw onafgebroken vrede. Voor de eerste maal sedert het begin van de 17e eeuw werd de zuidergrens niet meer bedreigd. Het Oostenrijks-Frans bondgenootschap was voor de rust van de elf provinciën een garantie voor veiligheid. Daardoor steeg in België ook de populariteit van keizerin Maria Theresia.
Onder haar was Oostenrijk een geduchte handelsmacht geworden. Van een [[Tarief|tarievenoorlog]], waarvan in 1768 in de noordelijke Verenigde Provinciën even sprake was, werd daar uit vrees voor vergelding afgezien, omdat België aan de Republiek veel meer grondstoffen leverde dan het zelf van haar ontving. Voor de aanhouding van zes douanebedienden in 1775 op last van de magistraat van Sluis eiste de keizerin een schitterende genoegdoening, waaraan de Hollanders haastig tegemoet kwamen.

Handel en nijverheid trokken intussen ook in België weer aan en de door de Staten verleende toelagen en vooral de leningen die zij toestonden werden weldra een belangrijke bron van inkomsten voor de [[Wenen|Weense]] schatkist. Sedert de regering van Karel V had het land nooit meer zo'n bloeiperiode gekend als in de tijd voor de dood van de keizerin (29 november 1780). [[België]]'s goud had een niet onbelangrijk aandeel in het herstel van de Habsburgse monarchie, dat het werk van Maria-Theresia's laatste jaren was. Men schatte in 1792 dat de elf provinciën sedert 1753 voor een totaal van 111 miljoen gulden aan leningen hadden gewaarborgd.

De [[Vierde Engels-Nederlandse oorlog|zeeoorlog van 1778]] tussen Frankrijk en Engeland, die Holland vanaf 1780 meesleepte, leverde de [[haven van Oostende]] tot aan de vrede van 1783 een voldoende langdurige bedrijvigheid om handel en nijverheid een ontwikkeling te doen kennen, die sedert de 16e eeuw niet meer was voorgekomen. Het aantal binnengelopen schepen boomde van ongeveer 400 naar 1560 en haalde reeds in 1781 het record van 2892 bodems, terwijl tal van Hollandse en Engelse huizen zich in de stad vestigden, de dokken vergroot moesten worden en het in juni 1781 tot vrijhaven werd verklaard.

=== Tijdens het keizerschap van Jozef II (1780-1790) ===
[[Bestand:Kaiser Joseph II in Uniform mit Ordensschmuck c1780 2.jpg|miniatuur|Keizer Josef II]]
Ook onder het keizerschap van [[Keizer Jozef II|Jozef II]], de zoon en opvolger van Maria Theresia, verlangde Oostenrijk ernaar om België tegen een gunstige regeling af te staan. Reeds tijdens een verblijf te Parijs in 1777 had hij het daarover gehad met [[Vergennes]], de minister van [[Lodewijk XVI]]. En in 1783 ondernam hij met de kinderloze hertog Karel-Theodoor een ander ruilvoorstel van België, dat tot koninkrijk zou verheven worden, tegen diens Staten van Beieren. Ook deze derde poging sedert begin 18e eeuw om België tot soevereine staat te maken mislukte, maar toont aan hoe de idee in Europa leefde.

[[Bestand:Namur JPG07.jpg|miniatuur|De citadel van Namen]]
Kort na zijn aanstelling maakte de jonge keizer als [[Verlichting (stroming)|verlicht]] [[Despotisme|despoot]] al een begin met zijn drastische hervormingen. Hij stelde een einde aan de aanwezigheid van de [[Barrièretractaat|barrièregarnizoenen]] op zijn grondgebied. Onderhandelen met de Verenigde Provinciën had vast tot niets geleid, maar bovendien verwaardigde hij zich niet met hen te redetwisten. In november 1781 deed hij de minister der Generale Staten kond, dat hij besloten had tot sloping van de vestingen der Nederlanden, met uitzondering van die van Antwerpen en Luxemburg. Dit kwam neer op een bevel tot uitzetting. De Generale Staten stelden hun aftocht voor als een 'garnizoensverandering' en op 18 april 1782 vertrok hun laatste regiment uit [[Citadel van Namen|Namen]], waar het nog dezelfde dag vervangen werd door een bataljon van het regiment van [[Murray]]. In 1783 verklaarde Jozef II in het noorden van Vlaanderen geen andere grens te erkennen dan die van 1664 en zonder verdere verwittiging beval hij tot sloping van de forten aldaar. Overeenkomstig het verdrag van 1673, dat nooit uitgevoerd was, vorderde hij vervolgens Maastricht en het graafschap Vroenhoven op.

Toen hij de Schelde als volkomen open en vrij verklaarde had dat enige schermutselingen tot gevolg, die de geschiedenis ingingen als ''de [[Keteloorlog]]''. Ook Frankrijk had zich daarover ongerust getoond en bekomen dat met het [[Verdrag van Fontainebleau (1785)|verdrag van Fontainebleau]] van 9 november 1785, dat de vrede van Munster bevestigde, de Schelde alweer gesloten bleef. De Verenigde Provinciën moesten als gevolg voor Vlaanderen de grens van 1664 aanvaarden, een aantal forten slopen, een schadevergoeding van 10 miljoen gulden betalen en uitdrukkelijk de keizer het recht erkennen oppermachtig de douanetarieven der Nederlanden te regelen.

[[Bestand:Portrait Johann Nikolaus von Hontheim.tif|miniatuur|[[Febronius]], oud student en leerling van Van Espen.]]
Ook met de Kerk kwam Jozef II zwaar in aanvaring met zijn hervormingspolitiek vanwege zijn verregaande [[Paternalisme|paternalistische]] regeldrift ten aanzien van interne kerkelijke zaken, die hem in België de bijnaam ''keizer-koster'' opleverde. Maar tegelijk bewerkstelligde hij de scheiding tussen kerk en staat en liet het [[febronianisme]] zowel in Oostenrijk als in België in de wet inschrijven. De godsdienst werd verstaatst.

Afschaffing van [[klooster]]s, [[bedevaart]]en, herleiding van het aantal [[kermis]]sen, [[ommegang]]en, [[broederschap]]pen die onder één enkele werden ondergebracht, waren echter maatregelen die ook het gewone volk raakten en het in de armen van een reeds ontevreden geestelijkheid joegen die nagelbijtend haar macht had zien tanen. Toen ook sluiting van de bisschoppelijke seminaries volgde en vanaf november 1786 alle studenten in de godgeleerdheid naar twee staatsscholen werden overgebracht: het Algemeen Seminarie te Leuven en het Hulpseminarie te Luxemburg, begonnen de [[kapucijnen]] in tal van kerken de gelovigen vanaf de kansel tot weerstand op te hitsen.

Op 17 november 1786 stuurde de [[Raad van Vlaanderen]] de keizer een lange vermaning, waarin werd geattendeerd op de door hem gezworen eed toen de soevereiniteit van Vlaanderen - waar het recht daarvan in tegenstelling tot de andere staten op erfopvolging berustte - naar Oostenrijk werd overgebracht en die rechten en vrijheden gewaarborgd werden. De landvoogden [[Maria Christina van Oostenrijk (1742-1798)|Maria Christina]] en [[Albert Casimir van Saksen-Teschen|Albert]] weerden evenwel deze brief, maar het sluimerend nationaal bewustzijn was na de krenkingen en het overhoop halen van de landelijke tradities ontwaakt.<ref>Pirenne H. ''Geschiedenis van België''. Deel 5 IV.I De hervormingen van Jozef II, pp.417-18</ref>

Het conflict tussen België en de keizer weerspiegelde de contemporane krachtmeting tussen ''absolutisme'' en ''nationale soevereiniteit'', waaromtrent [[Montesquieu]] en [[Rousseau]] beschouwingen hadden gewijd.
[[Bestand:Blijde Inkomst.gif|miniatuur|De Blijde Inkomst. Origineel te [[Zoutleeuw]].]]
Op 1 januari 1787 werden met twee edicten in een paar regels het rechts- en het bestuurswezen geheel afgeschaft en op een nieuwe grondslag heringericht. Dit was geen hervorming meer, maar een 'staatsgreep'. Met één pennentrek en zonder iemand te raadplegen vernietigde de keizer België's eeuwenoude zelfstandigheid, zijn geestelijke, bestuurlijke en rechtsorde, en lijfde het land bij Oostenrijk in. Toen ook de provincieën werden vervangen door '[[Kreits]]en' die nog enkel door de naam van hun hoofdplaats werden aangewezen, ontwaakte het bewustzijn van nationale solidariteit nu ze gelijkelijk bedreigd en even ruw bejegend werden. Vanaf 1787 beschouwden ze zich, evenals in de dagen van de omwenteling van de 16e eeuw, nog slechts als leden van de ‘Belgische natie’ en maakten de oude benamingen van Vlamingen, Brabanders, Henegouwers meer en meer plaats voor de naam ‘[[Belgen]]’. In iedere provincie werden de [[Staten]] nu het brandpunt van groeiend verzet. Op 12 januari richtten de [[Staten van Henegouwen]] een smeekschrift tot de keizer om de edicten op basis van de geldende gebruiken te herroepen. Op 29 januari was het [[Staten van Brabant|Brabant]] dat de landvoogden een protest zond, dit keer op basis van de geschreven [[Blijde Inkomst]], een door de keizer bezworen ‘grondwet’. Maar Jozef II legde dit alles naast zich neer en ging voort met nog meer hervormingen. Op 29 maart smeekte de [[Raad van Brabant]] de landvoogden hem niet te dwingen de edicten af te kondigen, ten einde hem niet te verplichten om tegen zijn geweten dan wel tegen de grondwet te zondigen. Hiermee rechtvaardigde het hoogste juridische gezag dus een wettelijke weerstand in heel de natie. De Staten zetten tot het uiterste door, met de Blijde Inkomst als afschrikmiddel tegen de vorst, door weigering van de belasting.

Het conflict escaleerde. Op 23 april gaf graaf van [[Limminghe]] in de Statenvergadering een opzienbarende redevoering, waarin hij zich richtte niet tot de ''Brabanders'', maar tot ''alle Belgen''. Daarop volgde [[Hendrik van der Noot|advocaat van der Noot]] met zijn ‘''Memorie over de rechten van het Brabantse volk en over de daarop gepleegde aanslagen''’. Hierbij sloten zich de [[Natie (bedrijf)|natie]][[Deken (gilde)|dekens]] aan samen met de opgeruide kleine burgerij. En vanaf die dag was van der Noot hun aanvoerder en spreekbuis. Op de avond van 23 april werd een vermaanschrift der ‘natiën’ aan de stadsmagistraat in Brussel afgegeven. Dezelfde avond hadden de Staten naar het paleis een vermaanschrift gezonden, waarin al hun grieven werden samengevat. De landvoogden deden enkele toegevingen, zo aanvaardden zij het behoud van de [[Raad van Brabant]], waarop de Staten de gevraagde lening toestonden. De andere eisen werden echter vriendelijk weggewuifd.
[[Bestand:Metselaar ets.gif|miniatuur|Het ambacht van metselaar op ets van [[Jan Luyken]].]]
Maar ze waren de toestand niet meer meester. Op 30 april maanden de Brusselse ‘natiën’ de Staten aan, dat omtrent de Blijde Inkomst hoegenaamd niet te schipperen viel en eisten de algehele eerbiediging ervan. De drie steden die de Brabantse [[Derde Stand]] uitmaakten verenigden zich tegen elke overeenkomst met het gezag. De landvoogden getroostten zich een nieuwe capitulatie: hun vrees voor wanorde was groter dan die om de keizer te mishagen en ze stemden erin toe ‘''alles op te schorten wat betrekking had op het nieuw rechtswezen in Brabant''’, en de bevoegdheid der nieuw aangestelde intendanten voorlopig te besnoeien.

Met uitzondering van Limburg en Luxemburg ondersteunden nu alle provinciën Henegouwen en Brabant. Op 30 mei gelastten de Staten hun ontvangers maatregelen te treffen om vanaf 1 juni het lichten van de belastingen te staken. Albrecht en Maria-Christina, vrezend voor een volksopstand, beloofden nu volledige voldoening, en besloten in plaats van de door de keizer aangestelde minister zelf de regeringszaken te zullen leiden. Overal werd de Brabantse en Henegouwse driekleur, zwart, geel en rood, op de gebouwen gehesen, als kokarde op de hoed, of als lint in het knoopsgat gestoken. Honderden vrijwilligers lieten zich in de burgercompagnieën van de steden inschrijven. De Staten van Brabant nodigden die der andere provinciën uit tot een ‘verbond’ om voor de heroverde vrijheid steun in te roepen van de mogendheden die borg bleven voor de verdragen van Utrecht en Rastadt. Intussen ontbood de keizer Albrecht, Maria-Christina en zijn minister Belgiojoso. Gedurende hun afwezigheid moest de bevelhebber van de troepen in de Nederlanden, graaf Josef Murray, de regering waarnemen, maar was in feite slechts gelast de onderwerping te herstellen. Diezelfde dag nodigde de keizer ook in een lang bestudeerde brief een afvaardiging van al de provinciën bij zich. Ze werden op 15 augustus in de ''Hofburg'' ontvangen. De volgende dag las [[Wenzel Anton von Kaunitz|Kaunitz]] hun de 'voorafgaande voorwaarden' voor, waarin toegevingen zaten om de intendanten niet te herbenoemen noch de leden der nieuwe rechtbanken, evenals de afzetting van Belgiojoso, die als gevolmachtigd minister door de [[Ferdinand von Trautmansdorff|graaf van Trautmansdorff]] zou vervangen worden.

Op 28 augustus verklaarden de Staten van Brabant aan Murray, dat zij protest aantekenden tegen de ‘voorafgaande voorwaarden’ en, overeenkomstig de Blijde Inkomst, volhardden in de weigering der belastingen. In de steden overtraden de vrijwilligers openlijk het bevel de wapens neer te leggen en iedereen bleef de verboden vaderlandse kleuren dragen.

De nieuwe minister Trautmansdorff kwam op 27 oktober in België aan. De keizer schortte, voorlopig althans, de instelling van de intendanten en van de nieuwe rechtbanken op.
[[Bestand:Armes uni louvain.png|miniatuur|170px|Wapen van de oude Universiteit Leuven<ref>Marc Nelissen, "Leuven, Rom en Brabant", in Nelissen, Roegiers et van Mingroot, ''De stichtingsbul van de Leuvense universiteit'', 1425-1914, Louvain, 2000, p 70: "''de universiteit voerde het stadswapen van Leuven, een dwarsbalk van zilver op een veld van keel, maar voegde in de rechter bovenhoek van het schild een nimbus toe van waaruit een hand een opengeslagen boek aanreikte''."</ref>.]]

Alhoewel de bisschoppen zich lang hadden stil gehouden als waren zij geheel aan het '[[jozefisme]]' overgeleverd, begon de clerus zich nu bij het verzet aan te sluiten. Ook de [[Oude Universiteit Leuven|Hogeschool van Leuven]] had zich op 24 mei tot de Staten van Brabant gericht met het verzoek om als 'Brabants lichaam' alle nieuwigheden te verwerpen, wat deze op 28 juni ook deden. Daarop volgde een stroom van andere protestbrieven en gelijkaardige verzoeken uit alle geledingen en groeperingen naar de gezaghebbende organen. Zo raakte de grondwettelijke kwestie vanzelf met de geestelijke vermengd.

Trautmansdorff bleek een gewiekst diplomaat. Hij stemde toe in de grondwettelijkheid van de Blijde Inkomst, maar ging zich vervolgens toeleggen op alle zaken die deze niet vermeldde, en die geleidelijk terug invoeren. Tegen 1 december had hij het zover weten te drijven dat de Staten van Brabant geen uitvluchten meer konden bedenken en er zich in moesten getroosten toe te stemmen in de belasting en uiteen gaan. Maar op 21 januari 1788 weigerde de Raad van Henegouwen de ministeriële verklaring af te kondigen en 's anderendaags deed die van Brabant hetzelfde. Trautmansdorff verbood de Raad uiteen te gaan voordat het edict was afgekondigd. Maar dit nieuws veroorzaakte een volkstoeloop waarbij schermutselingen plaatsgrepen en schoten werden gelost. De raadsleden moesten na vijftien uur vergaderen uiteindelijk toegeven. Maar er waren slachtoffers gevallen op straat en de herinnering aan [[Frans Anneessens|Anneessens]] was plots weer levendig. De [[Keizer Jozef II|Weense filosoof]] was vanaf nu voor België nog slechts een vijand en dwingeland.

Eindelijk lieten nu ook de bisschoppen hun stem horen door bezwaren van rechtgelovigheid in te roepen, en sloten zich aldus aan bij de natie, die slechts op hun woord gewacht had om haar al te lang verkropte verontwaardiging tegen de godsdienstige hervormingen de vrije teugel te laten. De sluiting der bisschoppelijke seminariën, waaruit de studenten gewapenderhand verdreven werden, verwekte woelingen te Antwerpen, Mechelen en Leuven. Trautmansdorff begon in te zien dat hij met geweld niets bereikte. Hij schreef een voorzichtige brief aan de keizer, waarin hij deze op de verziekte toestand wees die de schatkist miljoenen deed mislopen. Maar de keizer wou niet wijken en verkoos de zaak op de spits te drijven. Daarop hervatte ook het verzet, en Trautmansdorff kreeg zelfs doodsbedreigingen.

In het najaar werd de hernieuwing van de belastingen op 18 november verworpen door de Staten van Henegouwen en op 29 november volgde de Derde Stand van Brabant dit voorbeeld. Voor de keizer stond weigering van toelage gelijk aan muiterij. Door de eed van getrouwheid te schenden, die de Staten hem gezworen hadden, ontsloegen zij hem van die, waarmee hij zelf hun grondwetten bezworen had, zo redeneerde hij. Op 7 januari 1789 schreef hij de Staten van Henegouwen en van Brabant om hun te betekenen, dat hij niet meer gebonden was noch door privileges noch door de Blijde Inkomst, en hun burgers buiten de wet stelde.
[[Bestand:Kardinal Heinrich von Frankenberg.jpg|miniatuur|Kardinaal Johann Heinrich von Frankenberg, Aartsbisschop van Mechelen]]
Op 4 juni had [[Johann Heinrich von Frankenberg|kardinaal van Franckenberg]] besloten het onderwijs in het seminarie als niet-orthodox te verklaren. De godsdienstige crisis en de politieke crisis waren nu tegelijkertijd tot een climax gestegen.
Op 6 juni vaardigde Jozef II de nieuwe inrichting uit en terzelfder tijd verklaarde hij, dat de door Brabant betaalde toelagen voortaan vast en bestendig zouden zijn. Op 18 juni maande Trautmansdorff de Staten tot gehoorzaamheid aan. De troepen stonden slagvaardig onder de wapens. Toen de Staten na de zitting hun weigering lieten kennen, gaf Trautmansdorff de soldaten bevel de stad te bezetten, en een commissaris kwam de Staten de intrekking van de Blijde Inkomst betekenen en hun griffieën en kassen aanslaan. Tegelijk met de Staten werd de Raad van Brabant ontbonden.
[[Bestand:Prise de la Bastille.jpg|miniatuur|De bestorming van de Bastille in Parijs werkte aanstekelijk]]
op 18 juli, vier dagen na de [[bestorming van de Bastille]] te Parijs, namen de ‘bloodaards’, waarover Trautmansdorff enkele dagen te voren met zoveel minachting sprak, een dreigende houding aan. Op 27 juli vernam de minister dat in [[Tienen]] de bevolking bij de inning van de belastingen in opstand was gekomen en dat het leger had geschoten met veel doden en gekwetsten tot gevolg. In Brussel stond op strooibriefjes: "''hier als in Parijs''". Men wilde nu een grondwet op basis van de rechten van de mens zoals die. De [[Luikse Revolutie|Luikse Omwenteling]] van 18 augustus verhoogde nog het gevaar voor een uitbarsting.

Op 19 september 1788 brak oproer uit in Limburg. Aan de grens verzamelden zich meer en meer vrijwilligers. Te Brussel werd bij [[Philip Secrétan]], zaakwaarnemer van de hertogin van Ursel, een revolutionair manifest aangeslagen, met het plan voor een op touw gezette samenzwering. Op 24 oktober vernam Trautmansdorff, dat ‘duizend waanzinnigen’ in de Kempen binnengedrongen waren. Hij zag niet in, dat dit het begin van een omwenteling was.

==== De Brabantse Omwenteling (1789-1790) ====
{{Zie hoofdartikel|Brabantse Omwenteling}}
Tussen Pruisen, Engeland en de Verenigde Provinciën was op 13 augustus 1788 een bondgenootschap tegen Oostenrijk gesloten. De behoudsgezinde advocaat [[Hendrik van der Noot|van der Noot]] had het plan opgevat met hen samen te werken om de situatie in België te regelen zonder dat Oostenrijk nog langer dwars kon liggen. Tegelijk moest de volkswoede beteugeld worden. Hij vatte het plan op troepen te vragen om de '[[Barrièretractaat|barrière]]' te herstellen en de Brabanders te helpen hun oude privileges volgens de Blijde Inkomst te vrijwaren. In de lente van 1789, zette hij aan Vonck uiteen dat, zodra het land door de Hollanders zou bezet zijn, de tweede zoon van de prins van Oranje tot stadhouder zou uitgeroepen worden. Engeland en Pruisen zouden dit plan ondersteunen en Brabant zou de goede diensten van de drie mogendheden erkennen, door elk van hen ieder jaren twee miljoen gulden voor te tellen. Het plan was al in 1788 uitgedacht door de naar Luik gevluchte Leuvense hoogleraar [[van Leemput]] en licht herwerkt. Het sloeg aan bij de Staten. Zij zonden de in Breda onderhandelende van der Noot een brief, met zijn aanstelling als gevolmachtigd agent van het Brabantse volk.

Advocaat [[Jan-Frans Vonck]] was de hoofdman van een andere groep, die eerder aanhangers van een vrijzinnige en nationale regering vertegenwoordigde, die de denkbeelden van de gematigde fractie van de [[Assemblée Nationale|Nationale Vergadering]] van Frankrijk niet ongenegen waren. Zij noemden zich [[patriotten]] en waren van mening dat het niet mogelijk was het land een republikeinse regeringsvorm te geven. Ze bleven dus bij de monarchie, en zouden deze zelfs aan het Oostenrijkse huis laten, indien België op een geheel eigen grondwet kon steunen, desgevallend op de nieuwe Franse leest geschoeid. Men moest enkel de macht van de vorst beperken, door hem een uitvoerende status te geven, die door de landvoogden werd waargenomen. Terwijl de wetgevende macht bij de door al de provinciën gekozen algemene vergadering zou horen die de nationale soevereiniteit vertolkte en waarin de drie standen vertegenwoordigd bleven. De geestelijkheid, de adel en de Derde Stand zouden elk hun afgevaardigden aanstellen. De patriotten hadden de steun van enkele nieuwe rijken, zoals de bankier Walkiers, en van enkele voorname edellieden, de hertogin van Ursel, de hertog van Arenberg, de graaf van La Marck, die belang stelden in hun streven en hen aanmoedigden vanwege hun gematigdheid. Verder hadden zij de lagere geestelijkheid aan hun kant, die zich beijverde de opstand te preken ten behoeve van de vrijheid. Ook enkele geestelijke oversten en prelaten steunden hen. Het geheim genootschap ''[[Pro aris et focis]]'', dat de meest overtuigde patriotten groepeerde, werd door advocaat Verloy te Brussel gesticht, en had weldra vertakkingen in al de provinciën. Pamfletten werden uitgegeven, inschrijvingen ingezameld; in de kazernen werd geld rondgedeeld; vrijwilligers werden geworven; kruit, munitie en wapens werden op het platteland in alleenstaande hoeven verborgen. De hertogin van Ursel beloofde de kanonnen van haar kasteel te Hingene... De samenzweerders trachtten ook de bisschop van Antwerpen op hun hand te krijgen en advocaat Torfs werd belast te Parijs de hulp van de Nationale Vergadering in te roepen.

Toenadering tot de Statenpartij was dus noodzakelijk om te slagen, ook al liepen de basisdoeleinden van beide uiteen. Zij hadden in ieder geval gemeenschappelijk dat het land van het Oostenrijkse juk moest bevrijd worden. Maar, daarop in augustus aangezocht door een delegatie die hem in Breda ging opzoeken, reageerde Van der Noot brutaal afwijzend. Hij rekende op de mogendheden en wou het bloed van de landgenoten niet vergoten zien, zo stelde hij. Dus zocht men zijn toevlucht maar tot de Luikse revolutionairen, die er alvast in toestemden de nieuwe revolutionaire troepen op hun grondgebied te stationeren. Voor de praktische zaken zorgde een inwoner uit Hoei, de heer de Loye, ‘''die de zaken van het land ter harte nam, alsof hij onder ons geboren was''’. Door toedoen van kanunnik de Brou, werd te Menen een rustend officier van het Oostenrijks leger, kolonel [[Jan Andries vander Mersch]], gevonden, die altijd al een gezworen vijand van dwingelandij en despotisme was geweest en op 30 augustus het bevelhebberschap over het leger der patriotten aanvaardde.

[[Bestand:Lybaert 3.jpg|miniatuur|''Portret van een patriot van Antwerpen, symbool van de [[Slag bij Turnhout (1789)]]'' ([[Théophile Marie François Lybaert]] 1902)]]
De mogendheden verroerden intussen geen vin, en van der Noot's vertrouwen werd door niemand meer gedeeld, zodat van die kant nu het besef daagde dat men toch maar beter met de Vonckisten kon overeenkomen. Verdedigers van de Kerk en dwepers met de Blijde Inkomst sloten zich dus bij de door de mannen van ''Pro aris et focis'' op touw gezette omwenteling aan. Het daarop samengestelde '' [[Manifest van het Brabantse Volk]]'' bestond uit een lange inleiding over de soevereiniteit ten behoeve van de patriotten gevolgd door een memorie van Van der Noot. Toen generaal Schroeder de vrijwilligers van het patriottenleger uit Luik verdreef, hadden deze zich naar Breda in [[Staats-Brabant]] begeven. Hun plan was het land binnen te rukken zodra alles voor de algemene opstand in gereedheid was. Maar omdat de winter naderde marcheerden al 3000 man onder Van der Mersch naar [[Turnhout]] om zich daar te vestigen. Schroeder werd er meteen naartoe gestuurd en verwachtte dat dit ''leger van de Maan'' meteen uiteen zou stuiven als hij zich met zijn troepen vertoonde. Maar de verwachte soldatenwandeling keerde in een [[Slag bij Turnhout (1789)|regelrecht gevecht]]. Uit alle huizen werd geschoten op zijn soldaten en deze namen zo ijlings de vlucht, dat ze drie kanonnen achterlieten. d'Alton wou onmiddellijk weerwraak nemen en stuurde 7000 man naar het patriottenleger, dat zich wegens die overmacht voorzichtigheidshalve terugtrok naar Holland. Maar hun eerste overwinning had ze verstout. De jeugdige prins van Ligne, die in de Franse legers diende, was intussen vol vaderlandslievende geestdrift naar Breda gesneld, en vroeg een plaats in hun gelederen.
[[Bestand:Paul-Jacob Laminit (inc.) Jahann Voeltz (dis.) Combat dans les rues de Gand, novémbre 1789.JPG|miniatuur|Veldslag in de straten van Gent, november 1789.]]
[[Bestand:Gent Sint-Baafskathedraal.JPG|miniatuur|Gentse [[Sint-Baafskathedraal]].]]
Op 13 november verscheen een door de prins van Ligne en majoor de Vaux aangevoerde colonne plots te [[Gent]] vóór de Brugse poort en vóór de Sassche poort. Na enkele geweerschoten verstrooiden haar 600 man de Oostenrijkse posten en drongen de stad binnen. Het garnizoen, ingesloten door een opgestane bevolking, werd teruggedreven tot in de Sint-Pieterskazernen. Van Arberg en Schroeder, die in versnelde mars van Brussel kwamen, drongen met 3800 man in het Spanjaards kasteel; maar de gelederen van de oproerlingen werden op hun beurt versterkt met 400 Kortrijkzanen. Vergeefse pogingen tot intimidatie vanwege Arberg door de stad met mortier te beschieten noopten hem het vuren te staken, terwijl in de straten zijn soldaten voor de sluipschutters moesten vluchten. Op 16 november capituleerde kolonel Lunden te Gent-Sint-Pieters met 800 man, terwijl Arberg en Schroeder het kasteel ontruimden.

Voor de opstandelingen was dit niet alleen een militaire, maar vooral ook een morele overwinning. Het gezag van de regimenten die tweemaal voor vrijwilligers weken was nu tot nul herleid. De revolutionaire geest verspreidde zich daarop snel over het hele land. Henegouwen, het Naamse, Limburg, kwamen in opstand. Overal werden de rood-geel-zwarte kokardes weer op de hoeden gestoken. De 17e namen de landvoogden de wijk uit Brussel, en dadelijk daarna begon de vlucht van de overheden, de ambtenaars, de uitwijking van de zeldzame aanhangers van het Josefisme. Onder de troepen vermeerderde dag aan dag de desertie. Nadat D'Alton op 21 november het garnizoen van Bergen op Namen deed terugtrekken, sloeg heel Henegouwen aan het muiten. Wat hem aan beschikbare troepen overbleef herenigde hij rond Brussel en legde barricaden en Friese ruiters aan. Maar ondertussen drong Van der Mersch voor de tweede keer de Kempen binnen, terwijl zijn voorposten tot Tienen doordrongen. Van allerwegen stroomden slecht gewapende, maar geestdriftige rekruten naar zijn hoofdkwartier. D'Alton aanzag in zijn verslagenheid die mensendrom voor een ontzaglijk leger. Trautmansdorff had de keizer om troepen gesmeekt. Maar die had de handen vol met zijn veldtocht in de [[Levant]] en de bedreiging door Pruisen.

De minister deed daarom op 20 november de toegeving het seminarie af te schaffen en gaf de 21e Henegouwen zijn grondwet terug. De 25e herstelde hij de Blijde Inkomst en beloofde algemene amnestie, hopend in Brussel de opstand nog enkele dagen te kunnen bedwingen. Op 2 december bedong de als parlementair gezonden kolonel de Brou een wapenstilstand van twee maanden. Op 10 december werden tijdens een dienst in de [[Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele|Sint-Goedelekerk]] vanaf het koor door 'Heren' duizenden kokardes naar beneden gestrooid. Dadelijk werden ze overal door de stad gedragen. Honderdvijftig grenadiers verlieten de kazerne om zich onder gejuich bij de patriotten aan te sluiten. Ze overtuigden de schildwachten hun wapens aan de burgers af te geven. De volgende dag werden de wachten in de binnenstad beschoten en trokken zich terug bij het gros van de in de Warande verzamelde troepen. Tegen de avond was het gevecht algemeen, onder het gelui van de alarmklokken in de kerken en het gebulder van kanonnen. De ochtend van 12 december beval een radeloze d'Alton de aftocht. De overijling en paniek waren dermate dat Trautmansdorff niet eens afscheid kon nemen van de vreemde gezanten. Artillerie, legertros, munitie, tot de schatkist toe, alles werd achtergelaten. Ganse compagnieën deserteerden, enkele vermoordden zelfs hun officieren. Het overschot van de regimenten hield tenslotte halt achter de muren van Luxemburg. Enkel op de [[citadel van Antwerpen]] wapperde nog een keizerlijke vlag, tot ook daar op 29 maart 1890 het garnizoen zich overgaf. Op 18 december 1789 deed het Comiteit van Breda te midden van algemene geestdrift zijn intrede in het met de driekleur bevlagde Brussel. Hiermee eindigde in de [[Lage Landen]] het Oostenrijks stelsel dat vierenzeventig jaar had geduurd.

== Periode van de Verenigde Belgische Staten en Frans II (1790-1794) ==
{{Zie hoofdartikel|Geschiedenis van de Verenigde Belgische Staten}}
[[Bestand:Verenigde Nederlandse Staten 1790.jpg|miniatuur|Staatkundige toestand in het jaar 1790]]
Na de [[Brabantse Omwenteling|kortstondige opstand]] werd de [[Habsburgse monarchie|Habsburgse]] [[keizer Jozef II]] vervallen verklaard van de macht. Onmiddellijk na de val van het Oostenrijks stelsel werd op 27 december 1789 de soevereiniteit van de hoofdgewesten door de [[Staten]] in handen genomen en een [[confederatie|bondgenootschappelijke staat]] gevormd onder de naam van ''[[Verenigde Belgische Staten]]''. Op 11 januari 1790 kondigden dan de Staten, verenigd in een [[Staten-Generaal van de Nederlanden#Staten-Generaal in de Zuidelijke Nederlanden|Staten-Generaal]], die in deze hoedanigheid voor het laatst vergaderde, ''de Akte van vereniging van de onafhankelijke Verenigde Nederlandse Staten'' af, de akte van oprichting der ''Verenigde Nederlandse Staten'', (vaak ook vertaald als ''Belgische Vereenigde Staten'' of ''Verenigde Belgische Staten'', Frans: ''États-Belgiques-Unis'', Duits:''Vereinigte Staaten von Belgien'', Engels: ''United States of Belgium''). De negen stichtende leden van deze statenbond waren de provincies [[Hertogdom Brabant|Brabant]], [[Graafschap Henegouwen|Henegouwen]], [[Graafschap Vlaanderen|Vlaanderen]], [[West-Vlaanderen (1713)|West-Vlaanderen]], [[Graafschap Namen|Namen]], [[Heerlijkheid Mechelen|Mechelen]], [[Oostenrijks Gelre|"Belgisch" Gelre]], [[Doornik en het Doornikse]]. Luxemburg en Luik bleven afzijdig.

De gecentraliseerde staat, die al sedert de 16e eeuw het provinciaal [[particularisme]] bestreed, werd hiermee vervangen door een [[confederatie|bondgenootschappelijke staat]] van de [[Zuidelijke Nederlanden]]. Elk [[Gewest (Lage Landen)|provinciegewest]] behield zijn soevereiniteit, maar voor al wat de gemeenschappelijke belangen aanging werd die aan een soeverein Congres overgedragen, dat overigens samengesteld was uit dezelfde personen als de Staten-Generaal en om de drie jaar hernieuwbaar. Tot deze aan het Congres overgelaten gemeenschappelijke belangen behoorden: inrichting en onderhoud van het leger, betrekkingen met de vreemde mogendheden, het munten. Het is duidelijk dat de Verenigde Staten van Amerika hier als voorbeeld werden genomen, inclusief de naam 'Congres', zij het naar de letter en niet naar de geest.

De inwendige verdeling van de nieuwe regering van [[Aristocratie|aristocraten]] of [[Statisten]] onder van der Noot enerzijds, en [[Democratie|democraten]] of '[[Vonckisten]]' anderzijds, zorgde echter voor immobilisme van bestuur.

Europa reageerde eveneens verdeeld, zij het om andere redenen, en kwam uiteindelijk met de [[Conventie van Den Haag (1790)|conventie in Den Haag]] tot het dubbelzinnig besluit dat enerzijds de Zuidelijke Nederlanden onder keizerlijk gezag, dus terug aan Oostenrijk moesten worden gegeven, maar dat anderzijds alle hervormingen op kerkelijk, bestuurlijk en gerechtelijk gebied zouden worden ingetrokken. De vrijheden waarin de keizer tenslotte moest toestemmen om de [[autonomie]] van het gebied te garanderen maakten dat de 'Verenigde Belgische Staten', al was hun een kort leven beschoren, uiteindelijk slechts in naam verdwenen.

Intussen bewees Europa andermaal de noodzaak in te zien van een zelfstandig [[België]].
[[Bestand:Archdukecharles1.jpg|miniatuur|[[Karel van Oostenrijk-Teschen|Aartshertog Karel]], nieuwe landvoogd van de [[Zuidelijke Nederlanden]].]]
De Oostenrijkers hadden reeds op 13 augustus in Limburg een overwinning behaald door de patriotten uit [[Herve]] te verdrijven. Het Congres riep in antwoord op een keizerlijk ultimatum op 21 november diens derde zoon, [[Karel van Oostenrijk-Teschen|aartshertog Karel]], tot erfelijk groothertog van België uit. Maar op 24 november traden de Oostenrijkse troepen van Leopold zonder slag of stoot [[graafschap Namen|Namen]] binnen en zagen de [[Staten]] van Namen zich genoodzaakt het oude gezag weer te erkennen. Twee dagen later onderwierp de Statenvergadering van [[West-Vlaanderen (1713)|West-Vlaanderen]] zich en werd de rest van het land zonder veel geweld heroverd. Na de inname van Brussel paste de nieuwe keizer de hervormingen toe, zij het milder dan zijn voorganger. Op 15 juni 1791 keerden de landvoogden terug.

Er ontstond een ondergrondse verzetsbeweging geleid door oud-Vonckisten, die zich in [[Frans-Vlaanderen]] hadden gevestigd en zich met Luikse opstandelingen hadden verenigd. In het land zelf probeerde na de dood van Leopold zijn opvolger Frans II van België een uitvalsbasis te maken in zijn oorlog tegen Frankrijk, nadat hij zijn broer Karel als nieuwe landvoogd had aangeduid. [[Keizer Frans II|Keizer Frans I]] kwam op 9 april 1794 zelf te Brussel om het begin van de nieuwe veldtocht tegen Frankrijk bij te wonen. Hij liet er zich op 23 april in open lucht op het Koningsplein inhuldigen als hertog van Brabant en van Limburg.

== Patriottenbeweging (1759-1806) ==
{{Zie ook|Zie [[Patriotten]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}
[[Bestand:Fransen op de Neude.jpg|miniatuur|Patriotten op het [[Neude]] in 1786]]
[[Bestand:StadhouderWillemV2.jpg|miniatuur|Stadhouder Willem V, omstreeks 1790]]
Gemotiveerde Noord-Nederlandse burgers wilden aan het einde van de 18e eeuw [[democratisering]] stimuleren en aan het rigide [[absolutisme]] van [[stadhouder Willem V]], die in 1711 zijn vader opvolgde en in 1759 begon te regeren, een halt toeroepen. Het was het ontstaan van een nieuwe partij, genoemd naar een oude partijterm die zowel door Republikeinen als Oranjegezinden was gebruikt, die fundamentele kritiek had op de bestaande regering.

Deze 'patriotten' - vaak uit christelijke, maar ook uit seculiere [[Verlichting (stroming)|verlichte]] kringen - waren beïnvloed door de ideeën van [[Jean Jacques Rousseau]] over de [[volkssoevereiniteit]] en [[algemene wil]]. Zij wilden dat niet de stadhouder, maar de burgers hun burgemeesters en bestuurders kozen en dat de [[vroedschap]]pen een afspiegeling vormden van de bevolking. Dat katholieken en doopsgezinden in geen enkel bestuur zaten, was voor hen onverteerbaar.<ref>http://historiek.net/nieuws/algemeen/7087-moderne-nederlandse-democratie-begon-in-heusden</ref>

De gevestigde aristocratie had bewezen dat haar eigen belang primeerde op dat van het land, toen de regenten geen nieuwe leden uit de onderlaag meer toelieten en aldus een gesloten kaste waren gaan vormen. De patriotten verzetten zich tegen deze [[aristocratie]] met haar lucratieve en erfelijke ambten, privileges en pro-Engelse houding. Verongelijkte edelen zoals [[Joan Derk van der Capellen tot den Pol|Jan van der Capellen tot den Pol]] maakten deel uit van een actieve opstandige kern van de partij, maar ook rijke bankiers en ondernemers, groothandelaars en intellectuelen, die geen rol van betekenis konden spelen in de politiek, behoorden ertoe. Zij telden veel afvallige protestanten en rooms-katholieken in hun rangen, terwijl joden eerder naar de Oranjeprinsen keken als hun beschermers. Er waren ook wel enkele regenten die weliswaar aan de republikeinse traditie vasthielden, maar het stadhouderschap verwierpen. De meesten zagen de beweging echter als een gevaar.

[[Bestand:Bataille de Dogger Bank 5 aout 1781.jpg|miniatuur|[[Slag bij de Doggersbank (1781)|Slag bij de Doggersbank]] 5 augustus 1781]]
In de [[Vierde Engels-Nederlandse oorlog]] (1780-84) bleek hoe erg de Noord-Nederlandse vloot verwaarloosd was, terwijl het sturen van convooien om de handelsschepen te vergezellen rampzalig uitpakte. Dit werd door de patriotten aangegrepen om het beleid van Willem V te laken en zij begonnen overal door te dringen in het bestuur van de steden, zowel in Holland als in de andere provincies. Toen Holland zijn eigen leger los van het bevel van de prins begon te vormen uit de [[schutterij]]en, was de burgeroorlog nabij, waarop Willem V met zijn vrouw Wilhelmina (zuster van de Pruisische Frederik II) naar Gelderland vluchtte terwijl Holland hem van de troon ontzet verklaarde. [[Wilhelmina van Pruisen (1751-1820)|Wilhelmina]] had de leiding genomen in het herstellen van het stadhouderschap, maar nu de Verenigde Provincieën betrokken raakten in het internationaal conflict koos Frankrijk de zijde van de patriotten, omdat de stadhouder opnieuw in een afhankelijke rol was terecht gekomen ten aanzien van Engeland en Pruisen. Bij de aanstelling van de Pruisische opvolger [[Frederik Willem II van Pruisen|Frederik Willem II]] in 1786 werd tot actie overgegaan. De patriotten rekenden op Frankrijk, maar Versailles was in de eindfase gekomen van de politieke en financiële crisis die de Franse Revolutie in 1789 inluidde. Toen Wilhelmina naar Holland wilde terugkeren werd ze bij de provinciegrens aangehouden. Dit incident was voor Pruisen de aanzet tot een massale invasie, waarmee het Hollands en Utrechts leger werd weggevaagd en prins Willem V opnieuw in officiële dienst gezet.
[[Bestand:Texel 1.jpg|miniatuur|Schilderij door Charles Louis Mozin (1806-1862), waarop de ingevroren vloot bij Den Helder wordt afgebeeld]]
De periode van repressie die daarop volgde had veel patriotten doen uitwijken of emigreren naar de [[Oostenrijkse Nederlanden]] en [[Frans-Vlaanderen]]. Maar zij konden hun hoop hervatten toen de Franse legers Oostenrijks België, dat een korte onafhankelijkheidsperiode had gekend in 1789-90, in 1792 binnentrokken. De Fransen drongen door tot [[Staats-Brabant]] in de Verenigde Provinciën en konden vervolgens over de bevroren grote rivieren naar het hart van het land doorstoten, terwijl Willem V zijn post verliet en naar Engeland vluchtte. Maar de patriotten hadden daarvoor reeds de leiding van de regering in handen genomen. In Amsterdam nam een revolutionair comité onder leiding van [[Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825)|Rutger Jan Schimmelpenninck]] op 18 januari 1794 de macht van de zittende burgemeesters op minzame wijze over, net voor de Franse troepen de stad bezetten. Ze noemden zichzelf de "Provisionele Representanten van het Volk van Amsterdam". Op gelijkaardige wijze kwamen ook in andere steden patriottische stadsbesturen aan de macht, waardoor eerst de Gewestelijke Staten en later de Staten-Generaal hun macht verloren. Voor de koloniale bezittingen werden comités gevormd, die de taken van de Raad van State overnamen.

== Bataafse Republiek of Gemenebest (1795–1806) ==
{{Zie ook|Zie [[Bataafse Revolutie]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}
[[Bestand:Schimmelpenninck.jpg|miniatuur|[[Rutger Jan Schimmelpenninck (1761-1825)|Rutger Jan Schimmelpenninck]], raadpensionaris van de [[Bataafse Republiek]].]]
Bij aankomst van de Franse troepen op 24 januari 1795 bij Den Helder werd tot [[overgave van de Nederlandse vloot aan de Franse cavalerie]] gedwongen. Tegen het einde van de maand waren ook Hattem, Kampen en Zwolle 'revolutionair'. Op 14 februari stonden de troepen voor de stad Groningen. Het Engelse leger verliet de Republiek via Embden. Vanwege de Franse bezetting reageerde Engeland met een oorlogsverklaring aan de Republiek en een blokkade die de handel aan banden legde, waarbij visserij en overzeese handel tot stilstand kwamen. Na de dood van Willem V zouden ook alle overzeese gebieden in zijn naam door Engeland worden ingenomen.
Op 19 februari 1795 besloot de [[Nationale Conventie (Frankrijk)|Nationale Conventie]] dat de Republiek behalve de oude schulden van regering en provincies ook de kosten en soldij voor 80.000 man op zich zou moeten nemen. Op 23 februari werd de naam van de Republiek veranderd in "'''[[Bataafse Republiek]]'''". Daarna begon een periode van grondige verandering in de politieke organisatie van het land, die in tegenstelling tot in andere landen opvallend zonder bloedvergieten plaatsvond. Het land was al tweehonderd jaar een republiek, en had dan ook maar weinig tegenstribbelende edelen. De soevereiniteit van het volk werd uitgeroepen, maar de nieuwe republiek was in veel opzichten een protectoraat van Frankrijk, zoals werd vastgelegd in het [[Verdrag van Den Haag (1795)|Verdrag van Den Haag]].
[[Bestand:Eerste Nationale Vergadering.jpg|miniatuur|Eerste Nationale Vergadering]]
De [[Nationale Vergadering]] verving de Staten-Generaal en bestond niet langer uit afgevaardigden van de Staten van de Provinciën, maar uit gedeputeerden die volkomen onafhankelijk konden oordelen, maar niet meer werden aangeduid, wel verkozen, zij het zoals in België in een getrapt systeem waar enkel de begoeden toegang toe hadden. Er kwamen afzonderlijke wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke machten, en functionele ministeries regelden buitenlandse zaken en binnenlandse zaken, oorlogszaken en vlootaangelegenheden. Gelijke legale rechten voor alle burgers werden overal in de staat uitgeroepen. Daarbij kregen de inwoners van Staats-Brabant (thans [[Bataafs-Brabant]]), Zeeuws-Vlaanderen, Limburg en Drenthe dezelfde status. Het hele land werd opgedeeld in districten, en hun districten, vroeger uit de Staten-Generaal geweerd, participeerden thans evenwaardig in de nationale regering. Ook werden alle godsdienstige gezindten op gelijke voet gesteld, zodat nu niet meer alleen de protestantse Kerk, voorheen de enige officieel erkende, uit de staatskas onderhoudsgeld kreeg, maar ook de katholieke en de joodse organisatie. Maar een eeuw lang zou er nog geen diepgaande scheiding van kerk en staat zijn, omdat hun betrokkenheid een centrale factor bleef in de politiek. De meeste institutionele veranderingen bleven evenwel behouden, zelfs toen in 1806 de Republiek in een monarchie veranderde.
[[Bestand:1798bataafscherepubliek.svg|miniatuur|Departementen van de [[Bataafse Republiek]]]]
[[Bestand:1802bataafsgemenebest.svg|miniatuur|Indeling van de departementen in het Bataafs Gemenebest (1802 - 1807)]]
Intussen was de handels- en pioniersgeest van de vorige eeuw geheel verdwenen. Men leefde een leven van ''jansalie''. Enkel de landbouw, die altijd al de helft van de werkkrachten tot zich rekende, trok noodgedwongen weer aan. De eens zo bruisende steden werden herleid tot marktplaatsen. Zelfs de stad Amsterdam verloor veel van haar bevolking, waardoor consolidatie van de nieuwe regering moeilijk werd. Een ingrijpende grondwetsherziening vond plaats in 1801 waarbij de wijzigingen van 1798 werden teruggedraaid en de Republiek werd omgedoopt tot [[Bataafs Gemenebest]].
In 1805 verleende [[Napoleon Bonaparte]] quasi dictoriale macht aan Schimmelpenninck, al bleef die uiteindelijk in handen van de Fransen. Hij slaagde er evenwel in veel van de geplande modernisering in praktijk door te drukken. Maar in 1806, het jaar toen Willem V overleed, besloot Napoleon het hele gebied (bijna het huidige Nederland) in te lijven onder het Franse nieuwe regime in zijn '[[Eerste Franse Keizerrijk|Grand Empire]]' van vazalstaten. Hij had het vertrouwen in de Republiek verloren en vond dat de patriotten te weinig en te langzaam de richtlijnen van Parijs opvolgden. Hij dwong Schimmelpenninck tot aftreden, hernoemde het land tot [[Koninkrijk Holland]] en benoemde er zijn broer [[Lodewijk Napoleon Bonaparte]] tot koning.

== De Franse tijd in Nederland (1795-1813) ==
{{Zie ook|Voor het hoofdartikel over dit onderwerp zie [[Franse tijd in Nederland]]}}
{{Zie ook|Voor de periode 1795-1806 zie hoger ''[[#Bataafse Republiek of Gemenebest (1795–1806)|Bataafse Republiek of Gemenebest]]''}}
[[Bestand:Napoleonbonaparte coloured drawing.png|thumb|Napoleon Bonaparte]]
In 1806 dwong [[Napoleon Bonaparte]] raadpensionaris Schimmelpenninck tot aftreden, hernoemde het land tot [[Koninkrijk Holland]] en benoemde er zijn broer [[Lodewijk Napoleon Bonaparte]] tot koning. Deze laatste voer een eigen koers los van zijn broer en won het respect van de bevolking. Hij liet de voormalige Patriotten, Oranjezinden en Republikeinen toetreden tot een unitaire regering onder het Frans imperium. Maar Napoleon bleef het grondgebied als een toekomstige uitvalsbasis zien richting Engeland. Hij wilde Engeland op de knieën krijgen door zijn uitvoer naar het vasteland te boycotten. Het voorbije decennium was met oogluikende toelating van Londen een smokkelsysteem ontstaan over het Noord-Nederlands grondgebied.

De weerstand van Lodewijk Napoleon tegen de visie van zijn broer om het belang van het Franse imperium te laten primeren boven dat van het koninkrijk, leidde in 1810 tot zijn afzetting, waarbij het hele gebied bij het imperium werd ingelijfd. De verbannen prins van Oranje stemde er evenwel in toe dat op dezelfde wijze met de nieuwe vorst werd samengewerkt, wat ook al in de praktijk gebeurde. Dus bleven Nederlandse soldaten meevechten in het napoleontisch leger. Maar zodra duidelijk werd dat zowel Rusland als Spanje te sterke tegenstrevers bleken, begonnen de Nederlanders na de mislukte veldtochten voorbereidingen voor een nieuw onafhankelijk regime te treffen. Men wou de overwinnaars van Napoleon voor zijn, en voorzag reeds de aanstelling van de zoon van de overleden Willem V als erfgenaam. [[Gijsbert Karel van Hogendorp]] leidde de [[Restauratie (Europa)|restauratiebeweging]]. Hij weigerde halsstarrig om enige nieuwe heerser te erkennen na 1795, al vond hij wel dat herinstallatie van de prins van Oranje [[Frederik van Oranje-Nassau (1797-1881)|Willem Frederik van Oranje Nassau]] als vorst met beperkte grondwettelijke macht nodig was.

In de herfst van 1813 zag van Hogendorp gelegenheid om zonder veel ruchtbaarheid de regering van de Fransen over te nemen, toen die in november de aftocht moesten blazen. Op 30 november zette op zijn uitnodiging de erfgenaam van het stadhouderschap uit Engeland terug voet aan wal. Het jaar daarop in 1814 verleende hij een charter voor de oprichting van een grondwettelijke monarchie, waarin een regering hem beperkte macht verleende vanuit een parlement dat door bemiddelden op basis van verkiezing werd samengesteld. Om als kiezer in aanmerking te komen behoefde men slechts over een gering vermogen te beschikken, zoals dat eerder ook al het geval was geweest in de [[Verenigde Nederlandse Staten]] uit 1790. Op basis van het [[Congres van Wenen]] nam de nieuwe koning op 16 maart in 1815 de titel van [[Willem I der Nederlanden]] aan en kon tegelijk als soeverein over voormalig Oostenrijks België optreden, waar men daar echter niet onverdeeld gelukkig mee was.

== De Franse tijd in België (1794-1815) ==
{{Zie hoofdartikel|Franse tijd in België}}

== Nederlandse tijd in België (1815-1830) ==
{{Zie ook|Voor het hoofdartikel over dit onderwerp zie [[Nederlandse tijd in België]]}}

== Belgische opstand en onafhankelijkheid (1830) ==
{{Zie ook|Zie [[Belgische Revolutie]] voor het hoofdartikel over dit onderwerp}}

== Zie ook ==
* [[Tijdlijn van de Lage Landen]]
* [[Lijst van culturen van het Neolithicum in Noordwest Europa]]
* [[Lijst van machthebbers van de Lage Landen]]
* [[Lijst van landvoogden van de Nederlanden]]
* [[De Nederlanden in de Middeleeuwen]]
* [[Maritieme geschiedenis van de Nederlanden: van de prehistorie tot 1585]]
* [[Migratie in Vlaanderen]]
* [[Migratiestroom in de Nederlanden]] (16e eeuw)
* [[Lijst van personen betrokken bij de Belgische Opstand]]
* [[Belgisch-Nederlandse betrekkingen#Geschiedenis|Belgisch-Nederlandse betrekkingen]]

== Externe links ==
{{Zusterproject links
| commons = Low Countries
| wikiatlas = Low Countries
| wikispecies =
| wiktionary = Lage Landen
| wikiversity =
| wikibooks =
| wikisource =
| wikiquote =
| wikinews =
| wikidata =
| wikivoyage = Lage Landen
}}
* [http://fkserv.ugent.be/khk/studies/tijdslijn_prehistorie.pdf Tijdstabel prehistorie Lage Landen en Noordwest-Europa]
* [http://www.willebroek.info/HISTORY/HIST_nC/Hp1721.htm Tijdslijn van onze gewesten]
* [http://www.timeline.coudenberg.com/nl/elementen Tijdslijn Zuidelijke Nederlanden]

{{Appendix|2=
'''Noten'''
{{References}}
'''[[Historische bron]]nen'''
* {{aut|[[Henri Pirenne|Pirenne, Henri]]}}, (1902, 1908): [http://dbnl.nl/tekst/pire002gesc00_01/ ''Geschiedenis van België''], [[Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren]], Samenwerkende Volksdrukkerij, Gent
* {{aut|[[P.J. Blok]]}}, (1923): ''Geschiedenis van het Nederlandsche volk'', A.W. Sijthoff, Leiden [http://dbnl.nl/tekst/blok013gesc00_01/]
'''Hedendaagse bronnen'''
* Encyclopædia Britannica, Ultimate Reference Suite (2009): ''Low Countries, history of'', Encyclopædia Britannica, Chicago.
* Encyclopædia Britannica, Ultimate Reference Suite (2009): ''Netherlands, The'', Encyclopædia Britannica, Chicago.
'''Literatuur'''
* {{Aut|[[Ernst Heinrich Kossmann|Kossmann, E.H.]]}} (2002): ''De Lage Landen 1780-1940. Twee eeuwen Nederland en België'', Amsterdam/Antwerpen
* {{Aut|[[Frans Van Cauwelaert|van Cauwelaert, Frans]],Alfons De Cock, Jan Denucé, Max Rooses e.a.}} (1912-1913): ''Vlaanderen door de eeuwen heen'',. 2 dln. Elsevier, Amsterdam
* {{Aut|[[Henk Berendsen|Berendsen, H.J.A.]]}} (2004): ''De vorming van het land, Inleiding in de geologie en de geomorfologie'', Koninklijke Van Gorcum, Assen, ISBN 90-232-4075-8
* {{Aut|[[Jan Romein|Romein, J.]] en [[Annie Romein-Verschoor|A.]]}} (1979): ''De lage landen bij de zee. Een geschiedenis van het Nederlandse volk'', Den Haag-Antwerpen ISBN 9021420295 (1e druk 1934)
* {{Aut|Aldhouse-Green, Miranda Jane}}, (1996): ''The Celtic Goddess as Healer'' in Sandra Billington (ed). [http://books.google.com/books?id=IoW9yhkrFJoC&printsec=frontcover&dq=The+Concept+of+the+Goddess&lr=#v=onepage&q=&f=false The Concept of the Goddess]
* {{Aut|Asaert, G., Bosscher, Ph.M., Bruijn, J.R., Hoboken, W.J., van ''et al''}} (1976-1978): ''Maritieme geschiedenis der Nederlanden'', De Boer Maritiem, Bussum
* {{Aut|Blok, D.P. (red) ''et al''}} (1977-1983): ''Algemene Geschiedenis der Nederlanden'', Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, ISBN 9022838005
* {{Aut|Blokker, B., Es, G. van, Spiering, H.}} (1999): ''De vaderlandse geschiedenis in jaartallen'', Uitgeverij Balans, Amsterdam, ISBN 9789050186544
* {{Aut|Blom, J.C.H., Lamberts, E., redactie}} (2006): ''Geschiedenis van de Nederlanden'', HBuitgevers, Baarn, ISBN 90-5574-474-3
* {{Aut|Boone M. en Stabel P., ed.}} (2000): ''Shaping urban identity in late medieval Europe'', Garant, Leuven (''Studies in urban social, economic and political history of the medieval and modern Low Countries'', 11).
* {{Aut|Camphausen, R.C.}}, (2004): ''Heksen en Heidenen: een lexicon over de geschiedenis, rituelen, symbolen en tradities van heksen, magiërs, sjamanen en tovenaars''
* {{Aut|Constant Jac.G., Martens, M.P.J, Peeters, N.,}} (2004): ''Kunst aller tijden, van de Lage Landen'', Waanders Uitgevers
* {{Aut|Guy Delmarel}}, (1999): ''Het Vlaamse wandtapijt'', Lannoo, Tielt
* {{Aut|Houtte, J.A. van}} (1979): ''Economische en sociale geschiedenis van de Lage Landen, 800-1800'', Haarlem
* {{Aut|[[Jan Romein|Romein, J.]] en [[Annie Romein-Verschoor|A.]]}} (1977): ''De lage landen bij de zee. Een geschiedenis van het Nederlandse volk'', Den Haag-Antwerpen
* {{Aut|Jansen, H.P.H.}} (1981): ''Geschiedenis van de Middeleeuwen'', derde druk, Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht - Antwerpen, ISBN 9027453772
* {{Aut|Janssen, P. e.a. (red)}} (1996): ''De gouden delta der Lage Landen. Twintig eeuwen beschaving tussen Seine en Rijn'', Mercatorfonds, Antwerpen
* {{Aut|Koldeweij, A. M., Hermesdorf Alexandra ,Huvenne Paul}} (2006): ''De schilderkunst der Lage Landen: De Middeleeuwen en de zestiende eeuw'', Deel 1, Amsterdam University Press, Amsterdam ISBN 9053568093 9789053568095
* {{Aut|Kruta V., Frey, O.H., Raftery, B. & Szabo M.}} (1991): ''The Celts - (The Origins of Europe)'', Thames & Hudson Ltd., Londen ISBN 978 0500 015247
* {{Aut|Kurth, G.}} (1896) : ''La frontière linguistique en Belgique'', Brussel, deel XLVIII der Mémoires couronnés et Autres mémoires, publiées par l'Académie.
* {{Aut|Mannaerts P. (ed.)}}, (2008): ''Beghinae in cantu instructae – Muzikaal erfgoed uit Vlaamse begijnhoven (Middeleeuwen-eind 18de eeuw)'', Brepols, Thurnout, ISBN 9789056220648
* {{Aut|Meijer, Reinder P.}} (1978): ''Literature of the Low Countries. A short history of Dutch Literature in the Netherlands and Belgium'', The Hague / Boston
* {{Aut|Nouwen, Robert}} (2009): ''Keizer Augustus en de Lage Landen'' Davidsfonds, Leuven, ISBN 9789058265890
* {{Aut|Pächt, Otto}}, (1994): ''Altniederländische Malerei: Von Rogier van der Weyden bis Gerard David'', München
* {{Aut|Roever, Jutta Paulina de}} (2004): ''Swifterbant-aardewerk : een analyse van de neolithische nederzettingen bij Swifterbant, 5e millennium voor Christus'', Dissertaties - Rijksuniversiteit Groningen [http://dissertations.ub.rug.nl/faculties/arts/2004/j.p.de.roever/ online]
* {{Aut|van Driel-Murray, Carol}}, (2005): ''Those who wait at home'' in Ulrich Brandl, ''Frauen und Romisches Militar - Ten papers from a round-table session presented at a conference in Xante'', Duitsland, ISBN 978-1407301983
* {{Aut|Van Schoutte, Roger & Brigitte de Patoul (uitg.)}}, (1994): ''De Vlaamse Primitieven'', Davidsfonds, Leuven
* RoSa-factsheet Nr. 22 • feb 2003 ''Begijnen in de Lage Landen'' [http://www.rosadoc.be/pdf/factsheets/nr22.pdf online]
* [http://entoen.nu/canon De Canon van Nederland]
}}
{{Commonscat|Low Countries}}

[[Categorie:Geschiedenis van de Lage Landen]]
[[Categorie:Geschiedenis van België]]
[[Categorie:Geschiedenis van Nederland]]
[[Categorie:Geschiedenis van Luxemburg]]
[[Categorie:Geschiedenis van de Nederlanden in de oudheid]]
[[Categorie:Heksenvervolging]]

[[ro:Țările de Jos de Sud]]
[[simple:Low Countries]]