Difference between revisions 38610 and 41391 on nlwikisource{{TaxInfobox document | naam = 2 Makkabeën 6 | auteur = Anoniem | genre = Religie | taal = Nederlands | datum = 1906 | vertaler = Adolf Visscher (1686-1746) | bron = Anoniem (1906) ''De apocriefe boeken. Uit de Hoogduitsche vertaling van M. Luther eertijds door Adolf Visscher in het Nederduitsch overgezet'', [Amsterdam]: Nederlandsch Bijbelgenootschap, pp. 137-138. Zie [[:Bestand:De apocriefe boeken p 137.jpg]] en [[:Bestand:De apocriefe boeken p 138.jpg]]. | auteursrecht = [[Publiek domein]] | artikelwikipedia = }} {| | colspan="3" | {{Navigatie 2 Makkabeën}} <font color="#666666">[137] [...]</font> <center> <big>HOOFDSTUK 6.</big> <font style='text-align:left;font-size:90%;'>Verontreiniging van den tempel. — De marteldood van Eleazer.</font> </center> |- | | <big><big>N</big></big>IET lang daarna zond de koning een ouden man van Athene, om de |- | | Joden te dwingen, dat zij van de wetten hunner vaderen afvielen en |- | align="right" | 2 | Gods wet niet meer hielden; en om den tempel te Jeruzalem te veront- |- | | reinigen en hem tempel van Jupiter Olympius te noemen, en den tempel |- | | te Gerizim tempel van Jupiter Xenius, dewijl aldaar vreemde lieden |- | align="right" | 3 | woonden. Maar zulk woest bedrijf deed iedereen zeer leed. <sup>4</sup> Want de |- | | heidenen zweigden en brasten in den tempel en bedreven allerlei ontucht |- | | met de vrouwen in de heilige plaats en brachten er veel in, dat niet |- | align="right" | 5 | betaamde. <sup>''a''</sup> Men offerde op het aldaar offers, verboden in de wet, | <small>''a'' [[Apocriefe boeken/1 Makkabeën 1|1 Makk. 1]] : 50.</small> |- | align="right" | 6 | en men hield geen sabbaten noch andere gewone feestdagen, en niemand |- | align="right" | 7 | durfde laten blijken, dat hij een Jood was; maar men dreef hen met |- | | geweld alle maanden tot het offer, als het des konings geboortedag was; |- | | en, als men het feest van Bacchus vierde, dwong men de Joden, dat |- | | zij, Bacchus ter eer, met kransen van klimop moesten omgaan. |- | align="right" | 8 | Men had ook, op aanraden van Ptolemeüs, een gebod laten uit- |- | | gaan aan de steden der heidenen, die rondom Jeruzalem waren, dat zij |- | align="right" | 9 | de Joden overal tot het offer dwingen zouden; en, indien sommige stand- |- | | vastig daarbij bleven, dat zij met de heidenen niet wilden heulen, dat |- | | men deze terstond zou doorsteken. Toen zag men een groote ellende. |- | align="right" | 10 | <sup>''b''</sup> Twee vrouwen werden opgebracht, omdat zij hare zonen besneden | <small>''b'' [[Apocriefe boeken/1 Makkabeën 1|1 Makk. 1]] : 63.</small> |- | | hadden: men bond haar de kinderkens aan de borsten en voerde ze rond |- | align="right" | 11 | door de geheele stad en wierp ze ten laatste over den muur. <sup>''c''</sup> Som- | <small>''c'' 1 Makk. 2 : 34.</small> |- | | migen hadden zich in de naaste spelonken verborgen, opdat zij den |- | | sabbat houden mochten: deze verbrandde men, toen het Filippus bericht |- | | werd; want zij wilden zich niet verweren, opdat zij zich aan den sabbat |- | | niet bezondigden. |- | align="right" | 12 | Maar ik moet alhier den lezer vermanen, dat hij zich niet ergere |- | | over die ellende, maar denke, dat hun die straf niet tot verderf, maar |- | align="right" | 13 | ons tot waarschuwing wedervaren is. Want het is een groote genade, |- | | dat God de zondaars stuit, dat zij niet voortgaan, en hen terstond ach- |- | align="right" | 14 | tervolgt met de straf. Want de Heer, onze God, verschoont ons niet |- | | zoo lang als de andere volken, die hij hun gang laat gaan, totdat zij de maat |- | align="right" | 15 | hunner zonden vervuld hebben, opdat hij hen dáárna straffe; maar hij |- | | sluit ons, opdat wij het niet teveel zouden doen en hij ten laatste zich |- | align="right" | 16 | aan ons zou moeten wreken. Daarom heeft hij zijne barmhartigheid nog |- | colspan="3" | <font color="#666666">[138]</font> |- | | nooit geheel van ons genomen, en, of hij ons al met een ongeluk gekas- |- | align="right" | 17 | tijd heeft, hij heeft nochtans zijn volk niet geheel verlaten. Dit heb ik |- | | hier tot eene vermaning willen zeggen; nu zullen wij weder tot de |- | | historie overgaan. |- | align="right" | 18 | Er was een van de voornaamste schriftgeleerden, Eleazer, een |- | | bedaagd en echter een zeer schoon man; dien braken zij met geweld |- | align="right" | 19 | den mond open, opdat hij varkensvleesch zou eten. <sup>''d''</sup> Maar hij wilde | <small>''d'' [[Apocriefe boeken/1 Makkabeën 1|1 Makk. 1]] : 65-67.</small> |- | | liever met eere sterven, dan zoo schandelijk leven, en spuwde het uit. |- | align="right" | 20 | En toen hij tot de marteling ging, bestrafte hij degenen, die verboden |- | align="right" | 21 | vleesch aten uit liefde tot het tijdelijk leven. Die nu uitgekozen waren |- | | om de lieden tot het eten van varkensvleesch, tegen <sup>''e''</sup> de wet, te dwingen, | <small>''c'' Lev. 11 : 7.</small> |- | | namen hem, dewijl zij hem zoo langen tijd gekend hadden, terzijde, en zeiden |- | | dat zij hem vleesch zouden brengen, hetwelk hij wel eten mocht; dat |- | | hij slechts moest veinzen alsof het geofferd varkensvleesch ware, en het |- | align="right" | 22 | den koning ten gevalle eten moest, opdat hij alzoo bij het leven blijven |- | align="right" | 23 | en de oude vriendschap genieten mocht. Maar hij bedacht zich alzóó, |- | | gelijk het zijnen hoogen ouderdom en zijn grijs hoofd, ook zijnen goeden |- | | wandel, dien hij van jongs af geleid had, en de heilige goddelijke wet |- | | betaamde, en zeide ronduit: Voert mij slechts zonder verwijt ter dood; |- | align="right" | 24 | want het zou mijnen ouderdom schandelijk staan, dat ik zóó veinzen |- | | zou, dat de jeugd zou kunnen denken: Eleazer, die nu negentig jaren |- | align="right" | 25 | oud is, is óók een heiden geworden; en dat zij alzoo door mijn veinzen |- | | verleid zouden worden, omdat ik zoo voor de lieden veinsde, en mijn |- | | leven, zulk een kleinen tijd, dien ik nog te leven heb, zoo verschoonde; |- | align="right" | 26 | dit zou mij eene eeuwige schande zijn. En trouwens, wat heb ik er |- | | aan, of ik nu alzoo de straf der menschen al ontvlood, daar ik Gods |- | align="right" | 27 | handen, leven of dood, niet ontvlieden kan? Daarom wil ik nu vroolijk |- | align="right" | 28 | sterven, gelijk het mij, ouden man, betaamt, en aan de jeugd een goed |- | | voorbeeld nalaten, dat zij gewillig en kloekmoedig voor de heerlijke, |- | align="right" | 29 | heilige wet sterven. Toen hij deze woorden zoo gesproken had, bracht |- | | men hem tot de marteling. Die hem nu leidden, en tevoren vriendelijk |- | | jegens hem geweest waren, werden toornig op hem om die woorden; |- | align="right" | 30 | want zij meenden, dat hij het uit trotschheid gezegd had. Maar toen |- | | zij hem geslagen hadden en hij op het punt was van te sterven, zuchtte |- | | hij en sprak: De Heer, wien niets verborgen is, weet, dat ik van de |- | | slagen en de groote smart, welke ik aan mijn lichaam verdraag, wel |- | | had kunnen bevrijd zijn, als ik gewild had; maar wegens mijne ziel lijd ik |- | align="right" | 31 | het gaarne, om Gods wil. En hij is alzoo gestorven en heeft met zijnen |- | | dood een troostrijk voorbeeld nagelaten, dat niet alleen de jeugd, maar |- | | iedereen tot deugd vermanen moet. |} [[Categorie:De apocriefe boeken| 136]] All content in the above text box is licensed under the Creative Commons Attribution-ShareAlike license Version 4 and was originally sourced from https://nl.wikisource.org/w/index.php?diff=prev&oldid=41391.
![]() ![]() This site is not affiliated with or endorsed in any way by the Wikimedia Foundation or any of its affiliates. In fact, we fucking despise them.
|